OPKIKKER - PETER DE GROOT
- 6 mei
- 17 minuten om te lezen

´BEN JIJ NIET EEN BEETJE VERKIKKERD OP DE GRAVIN?´ —CABBIE DENKT ER HET ZIJNE VAN.
Het leven van een lakei is niet gemakkelijk. Cecil Algernon Benedict O’Frog of Cabbie Frog, zoals zijn vrienden hem noemen, beleeft een moeilijke dag. Zijn hooghartige collega, de lakei van de Hartenkoningin, overhandigde hem gisteren een brief voor de Gravin. Zo is het allemaal in het honderd gelopen.
De envelop was al geopend, de uitnodiging reeds gelezen —dat zag Cabbie onmiddellijk. Fergus Archibald Tristan O’Fish of Fat Fish, zoals zijn vijanden hem noemden, beweerde bij hoog en laag de brief nauwelijks te hebben aangeraakt. Heel geloofwaardig was dat niet. Er zaten lichte maar onmiskenbare vin-afdrukken op de envelop.
‘Natuurlijk,’ protesteerde Fat Fish, ‘hoe kon ik anders de brief naar jou brengen?’ Hij schoof snel zijn tas op zijn glibberige rug, wat Cabbie niet ontging.
‘Ik weet niet wat je plannetje is,’ kwaakte Cabbie, ‘maar het is gedoemd te mislukken. Jij wil mijn positie bij de Gravin innemen, geef het maar toe.’
Fat Fish schudde heftig zijn vissenkop. De zon weerkaatste op zijn blauwgrijze schubben; even kneep Cabbie Frog zijn kikkerogen dicht.
‘Ik heb het net heel goed bij de Hartenkoningin, Cabbie. Ze heeft deze week minder dan een dozijn hovelingen laten onthoofden. Ben jij niet een beetje verkikkerd op de Gravin?’ Fatte tuitte zijn lippen en maakte smakgeluidjes.
Cabbie negeerde die laatste opmerking; hij moest wel toegeven dat het een rustig weekje was geweest in het paleis. Hij liet zich echter niet zo gauw afleiden: ‘Volgens mij zijn er woorden aangepast in de uitnodiging.’
Hij las voor wat er op het kaartje stond: ‘Gertruda schat, je komt toch morgen naar mijn BILJARTkampioenschap in de BALzaal. Geen van de spelers kan tegen zijn WINST, het wordt reuze gezellig. Afspraak om klokslag vier op het bordes. Liefs, de vrouw van wie je weet dat ze steeds haar hoofd erbij houdt.’
Fat spreidde zijn vinnen en keek hoe de zon erdoorheen scheen.
‘Woorden benadrukken zal je niet vooruithelpen. Ik heb de brief niet geopend, de uitnodiging niet gelezen en al zeker geen drie woorden veranderd.’
‘Drie?’ herhaalde Cabbie. Fat waande zichzelf wellicht aalglad, maar om een Kikker om de tuin te leiden moest je vroeger opstaan!
‘Je beklemtoonde drie woorden, zo hoorde ik het toch,’ mompelde Fat. Hij staarde uitdrukkingsloos voor zich uit. ‘Doe je werk en bezorg de uitnodiging aan de Gravin,’ hernam hij met meer kracht. ‘Laat het denkwerk aan slimme lui over.’
Het welles-nietes-spelletje ging een tijd door, totdat Cabbie er genoeg van had, zich omdraaide en de arduinen trap naar het huis op sprong.
‘Ik kwaak je later,’ zei hij ten afscheid.
Had hij Fish gisteren maar het hemd van het lijf gevraagd! Cabbie houdt de uitnodiging in zijn poot. Hoe langer hij ernaar kijkt, hoe zekerder hij is dat iemand ermee geknoeid heeft. De Gravin is bovendien al onrustbarend lang bij de Hartenkoningin. Ze vertrok om half drie —te laat aankomen bij de Hartenkoningin is levensgevaarlijk— en het loopt intussen al tegen zevenen. De Hartenkoningin verveelt zich snel en stuurt haar onderdanen meestal binnen het uur weer naar huis of naar de guillotine. Dat geeft te denken …
Het wordt Cabbie ineens te veel. Hij mag niet treuzelen; er is iets aan de hand. Hij trekt zijn lichte zomerjas aan, stopt er de uitnodiging in en hopt door het raam naar buiten.
´FENOMENAAL, HOE COMPLEETST.´ —DE GRAVIN BEEFT ALS EEN BEVER.
De Gravin wacht op het bordes van het kasteel. Ze is er zeker van dat ze de uitnodiging goed heeft gelezen. Jammer genoeg heeft ze die niet bij zich. Cabbie wordt een dagje ouder, hij heeft de kaart vast op een verkeerde plek gelegd.
Stilaan wordt de Gravin ongeduldig. Het wordt tien na vier, kwart na vier, twintig na vier. Men mag de Hartenkoningin niet laten wachten, maar omgekeerd …
De Franse deuren zwaaien open. De Hartenkoningin loopt met uitgestrekte armen het bordes op. Ze geeft de Gravin drie klinkende kussen.
‘Gertruda schat, de voorbereiding van de wedstrijden duurde langer dan ik dacht. Het personeel laat te wensen over; het is werkelijk erg gesteld vandaag de dag. Neem nu Mimsy.’
De Gravin knikt. De Hoogste Adviseur van de Hartenkoningin is een lieve man. Om eerlijk te zijn heeft ze al tijden een oogje op hem.
‘Je hoeft niet dromerig te kijken, Gertruda, dat staat je helemaal niet.’
Zo vlug als ze kan, slaat de Gravin de ogen neer.
‘Gisterochtend zag ik mij genoodzaakt Mimsy een kopje kleiner te laten maken,’ vervolgt de Hartenkoningin. ‘Die man was de grijsheid zelve. Hij deed alleen saaie voorstellen. Vandaag zou hij ons een Scrabble-kampioenschap in de trouwzaal voorgeschoteld hebben.’ Ze wijst naar de Gravin. ‘Jij speelt uitstekend Scrabble, dat weet heel Wonderland. Hoe voorspelbaar is het als jij weer een keertje wint. En dan die tergend normale aanblik van de verliezers, die met een zuur gezicht het spelbord verlaten. Weg met die dooie boel, en weg met Mimsy!’ Ze glimlacht, maar haar ogen lachen niet mee. ‘Zijn hoofd bewaar ik voorlopig als curiosum onder een stolp in mijn boudoir; hij had zulke vreemde dikke lippen.’
Telkens als de Hartenkoningin een terechtstelling meldt, krimpt de Gravin in elkaar. Ze probeert zich sterk te houden, maar voelt haar rug onaangenaam opspannen. Gisteren was het de beurt aan een ander, vandaag …
Veel tijd om na te denken heeft ze niet, want de Hartenkoningin beveelt: ‘We gaan per direct naar de balzaal. We hebben genoeg tijd verloren.’
De Gravin weet beter dan de Hartenkoningin terecht te wijzen. Soms vraagt ze zich af hoe ze erin geslaagd is zo lang te leven, wetende dat haar vriendin uitermate grillig is. De beste strategie is om overal ja op te zeggen.
‘Ja, Uwe Primrozigheid.’
De Gravin is een van de weinige mensen die de echte naam van de Hartenkoningin, weliswaar omgenoemd naar een titel, mag gebruiken. Hoger kan je niet mikken in Wonderland.
De dames snellen door de met geschilderde landschappen en portretten versierde gangen. De Gravin werpt slechts een vluchtige blik op enkele schilderijen; het is vooral belangrijk om de Hartenkoningin bij te houden. Deur na deur gaat open, Ruitenlakeien knippen als messen en Schoppenkamermeisjes leggen zich languit op de vloer als de dames langskomen. In kasteel Ter Harte tellen enkel discipline en volledige overgave.
Ten slotte bereikt het adellijke duo de balzaal, die tot grote verbazing van de Gravin compleet maar dan ook compléét anders ingericht is dan voorheen. Ze kijkt haar ogen uit. Hoewel het nog volop dag is, hangt er een nachtelijke sfeer. De zware rode gordijnen zijn gesloten. De drie kroonluchters zijn vervangen door laaghangende lampen gevat in glas-in-lood-kappen. Daaronder staat telkens een biljarttafel. De ballen en keus liggen keurig klaar. De hardhouten dansvloer is bedekt met dikke rode tapijten. Lakeien dragen stoelen en tafeltjes de balzaal in. Zes potige Schoppenkaarten, die de Gravin herkent als stalknechten, zetten de protserige troon van de Hartenkoningin, inclusief bloedrood baldakijn, neer aan het verste eind van de grote zaal. Nog nooit heeft de Gravin het woord “compleetst” moeten bezigen, maar dit is een aardige gelegenheid.
Terwijl de Hartenkoningin vraagt ‘Wat vind je van de veranderingen?’ zegt ze al ‘Ja, ja, ja, Uwe Primrozigheid, compleetst veranderd. Fenomenaal, hoe compleetst.’
De Hartenkoningin trekt een wenkbrauw op.
‘Belangrijke mensen onderbreken is niet netjes, Gertruda, en rare woorden gebruiken ook niet. Ik heb mensen voor minder laten onthoofden.’
En weer krijgt de Gravin de daver op het lijf. Ze had gehoopt op een fijne namiddag, een beetje afleiding van de dagelijkse sleur van buitenissige Wonderlandse gebeurtenissen. Gewoon wat rust bij een vriendin. Samen naar een paar wedstrijden kijken, een glaasje behoud-je-lengte drinken. Maar nu … Eerst beginnen haar knieën te knikken, daarna haar ellebogen.
‘Gertruda schat, ik maakte een grapje. Beven laat je beter aan bevers over.’ De Hartenkoningin giechelt. ‘Maar onderbreek me nooit meer,’ voegt ze er ernstig aan toe.
‘Ja, Uwe Primrozigheid,’ antwoordt de Gravin, wat ze onmiddellijk corrigeert naar ‘Nee, bedoel ik. U had het in uw uitnodiging over biljart, of BILJART, zoals u het schreef?’
De Hartenkoningin zet een pas naar achteren.
‘Waarom roep je zo, Gertruda? Je bent onmogelijk vandaag!’
De Gravin heeft duidelijk haar dagje niet. Of eerder: de Hartenkoningin is nog veel meer onberekenbaar dan anders.
‘Het biljart,’ herhaalt de Gravin dan maar stilletjes.
‘O ja. Je weet dat ik het heb voor vossendart, sjoelzakken en gruisboogschieten, maar ik wilde eens wat anders. Gelukkig heeft mijn nieuwe adviseur grootse ideeën.’
‘Ja?’ Hoe minder ze zegt, hoe beter, vermoedt de Gravin.
‘Fergus Archibald Tristan, kom even hierheen.’ De stem van de Hartenkoningin klinkt opvallend vriendelijk.
Een schaduw maakt zich los uit een donkere hoek van de balzaal.
‘Welzeker, Uwe Hoogheid, zonder twijfel, Uwe Majesteit.’
‘Hij staat erg op protocol sinds ik hem bevorderd heb,’ zegt de Hartenkoningin. ‘Daar kunnen sommigen nog een puntje aan zuigen.’
De Gravin buigt deemoedig het hoofd.
‘Fergus, leg de spelregels van het biljart uit aan mijn dierbare vriendin. Ik trek me kort terug.’
De Hartenkoningin knipt met haar vingers; een zijdeur gaat open en twee Hartenhofdames verschijnen.
‘Het belieft mij, dames, mijn royale neus te poederen.’
De hofdames komen buigingen makend aangerend en zeggen tegelijk: ‘Het genoegen is geheel onzerzijds, meer dan geheel zelfs.’ Ze knielen voor de Hartenkoningin en kruisen hun armen boven hun hoofd.
‘Precies zoals het hoort,’ zegt de Hartenkoningin. ‘Ontkniel nu vlug, tenzij onthoofding jullie voorkeur heeft.’
De dames gehoorzamen terstond. Het statige drietal stapt met afgemeten passen de zaal uit; de Hartenkoningin bepaalt het tempo —‘Schrijden, meisjes, schrijden.’— onderwijl knikjes rechts en links gevend. De Ruitenlakeien die ze toeknikt, gaan op hun handen en knieën zitten en drukken hun vlakke gezicht in het tapijt, luid genoeg zeggend: ‘We zijn niet waardig! We zijn niet waardig!’
De Hartenkoningin lacht besmuikt, kijkt achterom en werpt de Gravin een kille blik toe.
Als de zijdeur achter het gezelschap is dichtgevallen, valt Fat Fish uit naar de Gravin: ‘Knoop dit in je oren, lelijke taart: je bent bij de Hartenkoningin in ongenade gevallen.’ Hij zet zijn kieuwen helemaal open en gniffelt. ‘Daar heb ik persoonlijk voor gezorgd. Niets of niemand kan je redden. Het is tijd voor ander en beter aan het hof. De toekomst is aan verse vis! Zeg wat je wil als de Hartenkoningin ons weer verblijdt met haar verluchte gezelschap, dat zou me zelfs veel plezier doen. Ik zie graag oude adel kruipen.’
Wat een akelige man. De Gravin deinst achteruit. Cabbie had het dan toch bij het rechte eind. Hij vertrouwde haar eens toe dat hij Fat Fish voor geen vin vertrouwde.
´HEBBIE’N MUNTJE, ‘GIN?’ —DE GRAVIN BEGRIJPT ER NIETS VAN.
De omgetoverde balzaal is volgelopen voor het biljartkampioenschap. Aan de vergulde pilaren langs de witte muren houden Klaverenkaarten de wacht; hun speren wijzen de hoogte in. Vóór hen staan stoelen in allerlei formaten opgesteld. De meeste toeschouwers zitten neer, een enkeling staat recht. Op tafeltjes staan versnaperingen en drankjes in felle kleuren. De Gravin kent alle gasten; het kruim van Wonderland is hier.
Het Witte Konijn wiebelt op zijn stoel. Hij draagt een chic tweed pak en een donkerblauwe fluwelen vlinderdas met oranje stippen. Nu eens kijkt hij naar zijn overmaatse zakhorloge, dan weer naar de tweede halve finale.
De Gravin volgt zijn blik en ziet hoe de Landschildpad en de Rode Ridder aan de middelste biljarttafel het slechtste van zichzelf geven.
‘Dat kan klunziger!’ schreeuwt het Witte Konijn.
De Leeuwebek-Libel, die wat verderop zit, zoemt van plezier telkens als een van beide spelers vloekt wegens een gelukte stoot.
In een hoek van de balzaal volgen de JubJub-Vogel en zijn neef, de Papegaai, aandachtig elke beweging aan de biljarttafel. Wanneer de Landschildpad een perfecte carambolestoot plaatst, krast de JubJub-Vogel als een wit potlood op een leisteen. Zijn neef laat zich niet onbetuigd en imiteert hem.
Aan de overkant van de zaal vertrekt de Gravin haar gezicht. De spottende uitroepen geven haar de kriebels.
‘Ach nee, gewonnen. Wat een ramp!’ De Landschildpad verlaat hoofdschuddend de tafel, ondertussen datzelfde hoofd pijnigend met zijn keu.
‘Ja, ja, hoe erg,’ zegt de Gravin haastig, op haar lage stoel naast de troon.
De Hartenkoningin kijkt haar enkel misprijzend aan.
Oei …
De Rode Ridder schatert het intussen uit aan de biljarttafel.
‘Hehe, Schildje,’ roept hij zijn tegenstander na, ‘jouw probleem is dat je bewegingen veel te gecoördineerd zijn. Je oefent te vaak. Ik heb in geen maanden een keu aangeraakt.’
De Landschildpad gunt zijn tegenstander geen blik waardig en sleept zich naar de zijdeur.
‘Och, de schande van de winst,’ hoort de Gravin hem nog zeggen, voor hij zacht de deur achter zich sluit.
‘Kostelijk, luitjes, kostelijk! Dat heb je prima georganiseerd, Fergus. Tijd voor de toss. Marley, kom naar voren.’ De Hartenkoningin klapt tweemaal in haar handen; zo enthousiast heeft de Gravin haar vriendin niet eerder gezien.
Zelf is ze nog zeer onder de indruk van Fats gemene woorden. Begrijpt ze daarom niet wat zich in het midden van de balzaal afspeelt? Het duizelt haar na de vele wedstrijden. Kon ze zich maar herinneren hoe de competitie precies omschreven werd op de uitnodiging … Zal ze de Hartenkoningin vragen waarom iedereen blij is na verlies? Erg slim is dat waarschijnlijk niet; de Hartenkoningin ergert zich nu al dood aan haar. Was Cabbie maar hier, hij zou wel raad weten.
Intussen heeft Marley de Rups sloom zijn stoel verlaten. Met een slakkengangetje steekt hij de balzaal over. Hij is zo stoned als een garnaal; geen wonder dat hij de eerste halve finale verloor-won.
‘Hebbie ‘n muntje, ‘Gin?’ vraagt hij.
Bijna valt hij voorover op de troon.
Hoe vreemd. Waarom moet er getost worden? En gaat het hoofd van die schaamteloze vlerk eraf? De Gravin hoopt dat dit raadselachtige kampioenschap snel voorbij is.
De Hartenkoningin grinnikt.
‘Boos worden op jou is zinloos, Marley, dat weet ik intussen. Prijs je gelukkig. Hoe vaak heb ik je al niet laten onthoofden? Je bent erger dan een platworm of een Cheshire Cat met negen levens. Telkens weer steek je de kop op.’ Ze richt zich tot de Gravin: ‘Gertruda schat, geef me een gouden dukaat.’
De Gravin tast koortsachtig in haar zakken. Leeg, leeg en nog eens leeg. Godzijdank, in de laatste zak zit een muntstuk. Met trillende hand geeft ze het aan de Hartenkoningin.
‘Hier, vangen maar.’
De Hartenkoningin mikt het stuk de zaal in. De dukaat gaat in een sierlijke boog net over Marley heen en valt in de handen van … de Rode Ridder.
‘Eerst vangen is laatst winnen, slomo,’ zegt de Ridder tegen de Rups. ‘Kop of munt?’
‘Ben jij er even snel bij komen staan, man. Kop, joh, altijd kop. En chillen maar.’ Marley neemt er een stickie bij en steekt die oneindig traag aan.
Opnieuw gaat de munt de lucht in, heel hoog deze keer. De Rode Ridder kijkt. De Gravin kijkt. De Hartenkoningin kijkt. Marley keert zich om, blaast rook uit en zegt: ‘Spelen we polo vandaag? Die tafels zijn te klein. Er staat genoeg gras op voor de paarden, dat dan weer wel.’ Tegelijk met de munt valt hij op het tapijt.
‘Kop,’ stelt de Rode Ridder vast. ‘Dat was Marleys keuze. Moet ik nu …’
‘Verloren is gewonnen,’ grijnst de Hartenkoningin. ‘Ga maar terug naar de biljarttafel.’
Twee Klaverenwachters voeren de Rups af.
‘Probeer het eens met zijn staart. Misschien groeit die er niet meer aan,’ beveelt de Hartenkoningin.
Vervolgens wenkt ze Fat en buigt zich over de leuning van haar troon naar de Gravin.
‘Zo meteen wordt de finale gespeeld. Ben je er klaar voor, Gertruda schat?’
‘Ja, Uwe Primrozigheid, ik zal met veel aandacht het laatste spelletje volgen.’
De Hartenkoningin giert het uit.
‘Volgen? Meespelen zal je bedoelen! Fergus, heb je die surprise uitgegumd op de uitnodiging? Ik had er zo’n plezier in toen ik die neerschreef Grappig is het wel.’
Fat haalt diep adem en zegt: ‘Dat leek me het beste, Uwe Hoogheid. Ik permitteerde mij enige creatieve vrijheid; hopelijk vindt u het niet erg.’
‘Wat mij entertaint, vind ik niet erg,’ zegt ze. En dan, tot de Gravin: ‘Dus ga me nu ook maar entertainen, willen of niet. Wie tijd en energie heeft om over mij te roddelen, is in staat een potje biljart te spelen. Alsof ik ‘s nachts flamingo’s naar mijn privévertrekken uitnodig!’
Roddelen? Flamingo’s? Dat is het verste van de Gravins gedachten. Die vis vol vitriool …
De Hartenkoningin roept er een paar Klaverenwachters bij. De Negen en de Tien, de meest gespierde exemplaren van de paleiswacht, maken zich los van de muur en stappen op de Gravin af. De angst slaat haar om het hart. Ze kent helemaal niets van biljart. Of is dat net goed? De Gravin weet niet meer wat boven en wat onder is, zo ondersteboven is ze.
Tegenstribbelen heeft geen zin. Ze staat op en loopt onder begeleiding van de streng kijkende Kaarten naar de biljarttafel. Waar daarnet nog iedereen aanmoedigingen schreeuwde of verwensingen uitsprak, is het nu muisstil.
Aan de tafel wacht de Rode Ridder. De Papegaai heeft hem net een glas vermiljoen vermout gebracht. De Rode Ridder drinkt het goedje gulzig op.
‘Aaah, mijn hoofd tolt. Voortreffelijk. Niets staat nog tussen mij en ultiem verlies.’
Fat is de Gravin achterna gelopen. Ze hoort hem de Kaarten vragen om even te wachten. Hij raapt de keu van de Landschildpad van het tapijt en drukt die de Gravin in de hand.
‘Moet je winnen om te verliezen, of verliezen om te winnen? Of eerder winnen om te winnen, of zelfs verliezen om te verliezen?’ vraagt hij haar. ‘Een moeilijke keuze voor een jaknikker zoals jij!’ Zijn ogen schitteren. ‘Dit is het einde van de rit voor jou, taart. Zie maar wat je ervan bakt!’
De Gravin wendt haar blik af en staart naar de keu.
Hoe kan ze haar huid redden?
´WAT WAUWEUH JE DAAR?’ —DE GRAVIN CONCENTREERT ZICH.
De finale is in volle gang. Stoot na stoot proberen de Gravin en de Rode Ridder elkaar de winst in de schoenen te schuiven. Beide spelers hebben op een na hun vooropgestelde aantal caramboles bereikt. De spanning in de balzaal is te snijden.
‘Sneller spelen,’ eist de Hartenkoningin. Ze legt een hand op Fats vochtige rugvin. ‘Ik schenk je een eretitel als de Rode Ridder kampioen wordt,’ belooft ze.
Fat knikt gretig.
De stomdronken Ridder mist zijn stoot op meesterlijke wijze en schraapt zijn keu over het biljartlaken. Een grote scheur verschijnt. Iedereen applaudisseert.
‘Geweldig!’ roept het Witte Konijn.
De Gravin heeft het niet onder de markt, ze lijdt al de hele wedstrijd onder beginnersgeluk. Elke stoot die ze plaatst, treft doel. Hoe kan iemand die nog nooit een biljarttafel van dichtbij heeft gezien, zo efficiënt zijn? Bij iedere stoot gaan haar schouders wat meer hangen. In haar hoofd neemt ze al afscheid van haar hoofd.
‘Je was een goed hoofd, of toch minstens hoofdzakelijk goed,’ mompelt ze.
‘Wat wauweuh je daar?’ brengt de Ridder met moeite uit. ‘Je moet je concentrereuh en winneuh. Nog één carambole, je kan het!’
Als ze nu eens heel hard haar best doet, mislukt het misschien. De Gravin sluit zich van alle geluiden af en heeft alleen oog voor de gele bal voor haar. Via de lange band naar de korte band, zo tegen de witte bal en dan de rode. Ze visualiseert de stoot, ademt in en tikt bij het uitademen met volle kracht de gele bal weg.
Eén band geraakt, twee banden geraakt, de witte bal aangetikt. Alle ogen in de zaal zijn gericht op deze bal, die langzaam richting de rode bal bolt. Op het moment dat de ballen elkaar raken, wordt de dronken vreugdekreet van de Rode Ridder overstemd door het gerinkel van glas. Het raam naast de troon is gesneuveld.
´KIK-KER-TJE, JE BENT GEVANGEN!’ —CABBIE DOET WEER MEE.
‘Wachters, grijp die Kikker!’ De stem van de Hartenkoningin slaat over.
Cabbie springt de balzaal door. De glasscherven, die zijn jas en rug doorboren, deren hem niet. Hij kwaakt onophoudelijk: ‘Bedrog, kijk dan.’ Waar hij ook landt, toont hij het kaartje aan de bezoekers. Zowat iedereen haalt de schouders op.
‘En dan?’ zegt de Leeuwebek-Libel, ‘We doen toch wat op de uitnodiging staat?’
Tot Cabbies afgrijzen vindt niemand het erg dat in het paleis iets heel anders gebeurt dan oorspronkelijk gepland was. Hij houdt even in. Aan de biljarttafel staat een vertrouwde figuur. De Gravin geeft een verslagen indruk. Cabbie wil naar haar toespringen als de JubJub-Vogel plotseling naar voren schiet en de uitnodiging met zijn snavel uit zijn kikkerpoten probeert te rukken. Geen van beiden laat het kaartje los.
Het oponthoud geeft de Klaverenwachters de tijd om Cabbie te omsingelen. Ze richten dreigend hun speren op hem.
De JubJub-Vogel zingt rasperig: ‘Kik-ker-tje, je bent gevangen!’
‘Geef geen kik, Frog,’ gromt de Klaverentien.
‘Breng hem naar mij.’ De Hartenkoningin maant iedereen tot stilte. ‘Zozo, groene gluiperd. Je denkt hier te kunnen binnenhoppen en mijn kampioenschap te verstoren. En dat net nu de winnaar-verliezer bekend is.’
Fat knikt ernstig.
‘Het is werkelijk ongehoord, Uwe Hoogheid.’ Hij heft een vin naar Cabbie.
Alsof die gladjanus de onschuld zelve is! Cabbies bloed kookt. De Gravin is in de val gelokt, zoveel is zeker. Hij blikt naar de eenzame vrouw aan de tafel. Op welke manier dan ook, hij moet haar redden. Tien speren zweven echter op luttele centimeters van zijn olijfgroene lichaam.
´MIJN HOOGSTE ADVISEUR GAAT HOGEROP!’ —CABBIE ONTMOET DE BEUL.
Cabbie en de Gravin liggen zij aan zij op hun buik op de biljarttafel. Klaverenwachters houden hun armen en benen stevig vast.
‘Geef niet op,’ fluistert Cabbie. ‘Dit kan niet het einde zijn.’ Hij zegt het tegen beter weten in.
‘Je bent altijd een goede vriend geweest,’ snikt de Gravin. ‘Vaarwel.’
Voor hen zit de Hartenkoningin op haar troon, die de Schoppenstalknechten naar het midden van de zaal gedragen hebben.
‘Ontroerend gesprek, tortelduifjes. Ik wens jullie mooie momenten toe in het Wondernamaals. Beul!’
Cabbie ziet over de rand van de tafel een meisje, gekleed in blauw en wit, naderen. In haar handen heeft ze een overmaatse bijl, zo zwaar dat hij over de vloer sleept en gensters slaat.
Stemmen gaan op onder de toeschouwers, maar niet heel luid.
‘Nee, Alice, doe het niet.’
‘Toch niet de Gravin …’
‘Laat de winnaar-verliezer leven.’
Zelfs de Rode Ridder kijkt sip. Cabbie vangt zijn blik. De tegenstander van de Gravin speelde ook maar om zijn leven te behouden. Cabbie vindt in die wetenschap toch een beetje troost. Het is niet alsof de Wonderlanders per se tegen de Gravin of hem gekant zijn. Ze houden van een verzetje, dat is alles.
Behalve misschien één …
De JubJub-Vogel kraait: ‘Eindelijk! Het is zover.’ Hij fladdert op de biljarttafel en loopt op zijn scherpe klauwen eerst over de rug van de Gravin, dan over die van Cabbie.
De Kikker lijdt helse pijn, maar doet er het zwijgen toe; hij gunt de JubJub-Vogel geen pleziertje.
Bonk! De kop van de bijl rust op de rand van de biljarttafel. Alice wrijft haar handen droog.
‘Dat had best sneller gekund, meisje,’ kakelt de Hartenkoningin.‘Ik geef het wel toe, hun angstige blikken maakten mijn wachttijd draaglijk. Maak er werk van.’
De bijl gaat traag de hoogte in. Cabbie probeert achteruit te krabbelen, maar de Klaverenwachters lossen hun greep niet. Slechts één ding hoopt de Kikker nog: dat hij als eerste aan de beurt komt en iets of iemand de Gravin op het nippertje redt.
Tsjakka! De bijl komt hard op de tafel neer. Een ijselijke schreeuw gaat door de balzaal.
‘Mijn hand, mijn hand.’
Een van de Klaverenwachters laat Cabbie los en valt flauw. Een wachter snelt toe en neemt zijn plaats in.
De JubJub-Vogel vliegt van de tafel op en krast: ‘Slechte oog-hand-coördinatie, Alice. Je zou een goede biljartspeler geweest zijn vandaag.’
Is er nog hoop? Cabbie draait zijn hoofd naar de Gravin en zegt: ‘Houd vol.’
Ze reageert amper.
‘Bijzonder entertainend, Alice, en een originele vondst,’ zegt de Hartenkoningin, ‘maar ik stel voor dat je het hoofd van de roddelaarster en die van haar springerige vriendje er nu afhakt. Ga haar assisteren, Fergus.’
Fat doet wat de Hartenkoningin verlangt. Hij port Alice in de rug en sist: ‘Ik ben twee hoofden van een eretitel verwijderd, draal niet zo!’ Met moeite wrikt hij de bijl uit de biljarttafel. ‘Hier, sla toe.’
Alice neemt de bijl over, zet enkele passen achteruit en neemt een aanloopje. Een vissenkop vliegt door de lucht.
De Hartenkoningin schatert.
‘Mijn Hoogste Adviseur gaat hogerop! Je enthousiasme is lovenswaardig, maar concentreer je op je taak, meisje.’
De Klaverenwachter die Cabbies linkerbeen vasthoudt, mompelt: ‘Uwe Majesteit, volgens mij …’
Verder komt hij niet, hij krijgt een klap op zijn hoofd met de vlakke kant van de bijlkop. Er ontstaat rumoer in de balzaal.
‘Alice is gek geworden!’
‘Iedereen moet eraan!’
De bezoekers stuiven uit elkaar. Stoelen vallen om, tafeltjes worden omvergestoten. Borden en glazen breken; vermout doordrenkt het rode tapijt.
Alice loopt om de biljarttafel heen en zwaait wild met de bijl. De Klaverenwachters laten Cabbie en de Gravin los als de scherpe rand gevaarlijk dicht in hun buurt komt.
De Hartenkoningin klapt twee keer in haar handen.
‘Je hebt de smaak te pakken, Alice! Je bent een veelbelovende nieuwe Beul. Ik voel me op slag tien jaar jonger door dit bloedbad, maar vergeet je missie niet. Slacht eerst de Kikker af, voor hij ervandoor hopt.’
‘Ga niet op de loop,’ smiespelt Alice tot Cabbie, die net de Gravin rechtop helpt op de biljarttafel. ‘Het is tijd voor de uitreiking van de laatste prijs. Kijk maar, de bijl is heus niet zo zwaar als ik liet uitschijnen.’
Bliksemsnel draait ze zich om en werpt de bijl naar de Hartenkoningin.
Cabbie kan zijn ogen niet geloven. De troon is netjes in twee stukken verdeeld. Bovenaan staart een hoofd uitdrukkingsloos de balzaal in. Onder de bijl zakt het lichaam van de Hartenkoningin in elkaar.
Alice klautert op de biljarttafel en spreekt de resterende bezoekers toe.
‘Het is uit met de grillen van de Hartenkoningin. De beul had genoeg van alle bloedvergieten en veinsde ziekte. Hij praatte lang met mij over zijn grootste angst: op het einde zouden enkel de Hartenkoningin en hijzelf overblijven. Vreselijk vond hij dat. Iemand moest actie ondernemen, maar hij had er de moed niet toe. Het was aan mij om in te grijpen. De Hartenkoningin nam me aan als zijn vervanger toen ze de bloeddorst in mijn ogen zag.’
Alice gniffelt.
‘Ze had niet door wiens bloed ik wilde.’
Onvoorstelbaar. Cabbie luistert ademloos.
De Gravin prevelt: ‘Net op tijd, net op tijd.’
‘Verraad,’ kraait de Jubjub-Vogel. Hij gaat op Alice’ hoofd zitten en pikt met zijn scherpe snavel in haar voorhoofd. Het meisje verliest bijna haar evenwicht.
Die snertvogel!
‘Ik ben zo terug, Gravin,’ zegt Cabbie. Hij springt van de biljarttafel en rolt zijn lange tong uit.
De Jubjub-Vogel ziet het gevaar te laat. De lillende tong slingert zich om zijn verenkleed. Met een grote zwaai gooit Cabbie de vogel tegen de muur.
Koop de bundel waarin dit verhaal staat hier




Opmerkingen