top of page
logo Lowlands Fiction

DE MEZZOTINT – MIRIAM OOTJERS

  • 13 mei
  • 12 minuten om te lezen

´Een pakje? Voor mij?´

 Harold stak zijn hand uit om het in bruin papier gewikkelde pakketje van de bode aan te nemen. Deze aarzelde even en drukte het toen in Harolds hand. Voordat Harold “bedankt” had kunnen zeggen, had de man zich al omgedraaid en haastte de gang door naar de trappen.

 Bij het sluiten van de deur van zijn werkkamer viel zijn blik op de spiegel naast de deur en zag waarom de man even geaarzeld had. Haar dat in pieken alle kanten opstond, bloeddoorlopen ogen, wallen onder de ogen, gekreukte kleding. Drie nachten op de bank deed een mens weinig goed. Maar alles was beter dan thuis slapen.

 Harold keek naar het pakket. Als archivaris van de universiteit ontving hij wel vaker pakketjes, maar meestal werden die aan de receptie afgegeven, niet persoonlijk aan zijn deur. Hij draaide het pakket een paar keer om in zijn handen op zoek naar de naam of het adres van de afzender. Niets. Naar het formaat te oordelen een boek, maar het gewicht deed iets anders vermoeden. Hij trok het touw los.

 ´Een mezzotint!´ zei hij verbaasd.

 Uit de verpakking viel een kaartje op het bureau. Harold pakte het op en las de handgeschreven woorden op het verder witte kaartje. “Mijn beste Harold, houd het goed in de gaten! H.”

 Terwijl hij zich afvroeg of hij een “H” kende, bekeek Harold de gravure. Het stelde een landhuis voor. Voor het huis lag een gazon, geflankeerd door bomen, met in het midden een fontein met dierfiguren. Met zijn ogen vlak voor de gravure ontwaarde Harold een stenen vogel die op de fontein prijkte, de kop trots geheven. Hoewel de kunstenaar aanleg, maar duidelijk geen groot talent had, was er iets in de gravure dat Harold aansprak, al kon hij niet precies zeggen wat.

 Met een loep ontcijferde hij in de rechterhoek het jaartal 1731. De mezzotint was ruim 150 jaar oud, maar zag er nog heel redelijk uit. Het was een mooie aanvulling op zijn collectie van landhuizen, kloosters, kastelen en boerderijen, en Harold hing de mezzotint naast een schilderij van een kasteel aan de muur.

 Wie deze “H” ook is, hij weet blijkbaar dat ik een zwak heb voor dergelijke afbeeldingen.

 Werkend aan zijn bureau zat hij er met zijn rug naartoe, maar wanneer hij de kamer binnenkwam viel zijn blik op de gravure. Hij kon de mezzotint in de gaten houden, zoals de mysterieuze schenker suggereerde.

 Al snel was Harold de gravure vergeten, tot hij aan het einde van de dag opstond van zijn stoel, zich omdraaide om zijn jasje van de leuning te pakken en zijn oog op de gravure viel. Hij vroeg zich af welk landhuis het was.

 Zijn vriend en collega Franklin was een fanatiek wandelaar en reisde per trein het hele land door om te voet het platteland te verkennen. Misschien wist hij waar het landhuis stond. Met de mezzotint onder de arm liep hij de gang door en bonsde op de laatste deur.

 ´Wonderlijk,´ reageerde Franklin toen Harold hem had uitgelegd hoe hij aan de gravure was gekomen. ´En je kent geen “H”?´

 ´Er schiet mij niets te binnen,´ schudde Harold zijn hoofd.

 ´Hmm.´ Franklin liep naar het raam om de mezzotint in het daglicht te bekijken. ´Het is niet slecht gemaakt. Het gras is wat ruw, maar de sterren zijn goed gelukt.´

 ´Sterren?´ Harold, die tegen het bureau geleund stond, liep naar het raam en pakte de koperplaat uit Franklins handen.

 ´Hé!´ reageerde deze verbouwereerd. ´Ik was nog niet klaar...´

 ´Toen ik het vanochtend bekeek, waren er geen sterren. Denk ik...´ twijfelde Harold.

 ´Misschien ben je gewoon moe. Harold, je bent drie dagen niet thuis geweest...´

 Harold, die had gehoopt dat het niemand was opgevallen, draaide zich beschaamd om zodat Franklin niet zag dat hij rood werd.

 ´Te stil thuis..?´

 

Marie was nu iets meer dan een half jaar geleden gestorven in het kraambed. De baby had ze met zich meegenomen. Harold zat in de keuken toen de arts hem vertelde dat de bevalling niet goed was verlopen. Maar niet voordat hij op de gang tegen zijn assistent had gezegd: ´Wat wilden ze ook, op deze leeftijd. Dat loopt nooit goed af.´

 Harold had het gehoord, maar reageerde niet. Wat wist een arts van hun jarenlange kinderwens, van de vele mislukte pogingen, van de blijdschap toen ze eindelijk zwanger waren?

 Hij had onbeweeglijk in de keuken gezeten toen de arts en zijn assistent vertrokken. Toen er een uur later een aantal mannen binnenkwam om Marie en hun nog naamloze dochtertje mee te nemen, liet hij niet merken dat hij er was. Zes uur later had hij er nog gezeten toen Franklin de keuken in was gekomen met een: ´Hé, je voordeur staat wijd open, is alles...´ En eindige met een: ´Oh, arme jongen.´

 Hij wist nog dat er een deken over zijn schouders gelegd werd en Franklin hem hielp opstaan. Op de één of andere manier was hij op de bank in de woonkamer beland – Franklin was wijzer dan hem naar de slaapkamer te brengen – waar hij een paar uur later met pijn in zijn hele lichaam wakker werd. Het was Franklin die hem weer in het zadel had geholpen. En zijn bezorgdheid die hij nu het hardst probeerde te ontlopen.

 

Harold schudde de herinnering van zich af. Hij staarde naar de sterren toen Franklins vinger zijn blikveld binnenschoof en hem wees op iets links onder in de gravure.

 ´De vrouw is ook goed gedaan. Liefdevol.´

 Verhip, hoe had hij de vrouw kunnen missen? Ze dook op uit de hoek, je zag haar vanaf ongeveer halverwege de rug. Franklin had gelijk. Hoewel het werk tamelijk ruw en met weinig oog voor detail gemaakt was, was de vrouw liefdevol in de plaat geëtst.

 ´Harold?´ trok Franklin hem uit zijn gedachten.

 Hij keek op.

 ´Je zal wel denken dat ik gek word, maar...´

 Harold zocht naar de juiste woorden. Franklin keek hem verwachtingsvol maar geduldig aan.

 ´Toen ik het pakketje deze ochtend opende, waren er geen sterren. Er stond ook geen vrouw. Ik... Ik weet het zeker.´

 Franklin knikte alleen en stak zijn hand uit naar de mezzotint.

 Harold drukte de gravure echter tegen zich aan.

 ´Ik hang hem weer aan de muur,´ zei hij beslist. ´Waar ik eigenlijk voor kwam: herken je het huis?´

 Franklin schudde zijn hoofd.

 ´Het komt mij niet bekend voor. Als het hier in de omgeving staat, ben ik het nog niet tegengekomen.´

 In zijn werkkamer hing Harold de mezzotint weer aan de muur, keek even naar de bank, pakte toen zijn jas en liep met lood in de schoenen naar huis.

 

Toen hij de volgende dag de deur van zijn werkkamer opende, werd zijn blik dadelijk getrokken door de mezzotint. Zijn ogen werden groot en hij haalde hem van de wand. Met de gravure onder de arm holde hij de kamer uit, om in de gang tegen Franklin aan te botsen.

 ´De vrouw, ze...´

 ´Het huis, het is...´

 Harold drukte hem de gravure in de handen.

 ´Waar is de vrouw?´

 Franklin zweeg abrupt. Zijn ogen gingen automatisch naar de linkerhoek, maar bewogen toen verder naar het midden.

 ´Wel alle...´

 Hij gebaarde Harold hem naar zijn kamer te volgen. Daar keek hij van Harold naar de gravure en terug.

 ´Of we worden allebei gek... Of de vrouw staat nu bij de fontein.´

 Harold staarde naar de vrouw. Ze was blootsvoets en droeg een jurk die tot haar enkels reikte, het lange haar los over de schouders. Haar rechterhand rustte op de rand van de fontein, haar gezicht was naar het huis gericht.

 ´Was het licht in het huis de vorige keer aan?´ Franklin wees naar één van de ramen. Het licht scheen zelfs op het gras. ´En de sterren. Volgens mij zijn de sterren van plaats veranderd. Harold..?´

 ´Hmm?´ Harold bleef naar de vrouw kijken.

 ´Man, op de mezzotint... verplaatsen dingen. Dat kan helemaal niet!´

 Harold trok zijn blik los.

 ´Maar het gebeurt wèl. Jij ziet het. Ik zie het. Misschien was dat wat die “H”... Wacht.´

 Hij ging op een drafje de kamer uit en kwam even later terug met het kaartje.

 ´”Houd het goed in de gaten,” staat er.´ Hij hield het voor Franklins neus. ´”H” zag het blijkbaar ook.´

 ´En dan geeft hij het weg? Aan jou? Waarom?´

 ´Ik weet zo veel als jij. Dit was het enige dat er bij zat. Geen afzender op de verpakking.´ Hij keek weer naar de gravure. ´Nu is er niets gebeurd.´

 ´Misschien moeten we wachten. Of misschien verplaatst er zich alleen iets als we niet kijken.´

 Franklin liep naar de kluis in de kamer, legde de mezzotint er in en sloot de deur.

 ´Vanavond kijken we opnieuw.´

 Harold knikte instemmend.

 Aan het begin van de avond opende Franklin de kluis. Met de afbeelding naar beneden liep hij naar het bureau, waar Harold al wachtte.

 ´Klaar?´

 Harold knikte en Franklin draaide de gravure om.

 De vrouw was het grasveld naar het landhuis overgestoken en stond nu met één voet op de eerste stenen trede van de trap naar het terras. In het huis brandden nu meer lichten. Ook de sterren waren verplaatst.

 ´Zegt de plaats van de sterren je iets?´

 ´Ik ben blij dat je het vraagt!´ zei Franklin en trok een boek uit de kast. Hij liet het met een plof op het bureau vallen. Harold zag dat het een boek over sterrenkunde was.

 ´Ik heb het patroon gevonden,´ zei Franklin. ´Op basis van de bouwstijl van het huis ga ik ervan uit dat het in ons land staat, en de sterren lijken overeen te komen met de zomer op ons halfrond. Op de mezzotint zijn ze in rap tempo op weg naar juli.´

 Hij opende het boek bij een bladwijzer en toonde een patroon dat Harold algebra was. Franklin sloeg het boek met een stoffige klap dicht.

 ´Harold, er is iets vreemds met die mezzotint. Misschien moeten we hem...´

 ´We doen hem niet weg. Ik wil weten wat er gebeurt!´

 Zijn stem klonk harder dan hij bedoeld had.

 ´Sorry, Franklin, ik...´

 ´Het is al goed.´ Hij keek Harold een lang moment aan en besloot toen blijkbaar dat deze Harold beter was dan de Harold van twee dagen geleden, die geestesdood aan zijn bureau zat en alleen in beweging kwam als het echt moest. ´Laten we hem in de kluis stoppen en morgen weer kijken. Maar samen,´ benadrukte hij.

 Harold knikte.

 De volgende ochtend wachtte Harold ongeduldig voor Franklins deur tot zijn vriend de trappen opkwam.

 ´Ze kijkt over haar schouder,´ constateerde Franklin verbaasd.

 Harold pakte de loep aan van Franklin en bestudeerde de vrouw, die nu op het terras stond. Met een klap liet hij het vergrootglas op het bureau vallen en schoot achteruit.

 ´De vrouw. Ze lijkt op...´

 Een jonge Marie, wilde hij zeggen, maar hij kreeg de woorden niet over zijn lippen.

 ´De gravure is van 1731,´ raadde Franklin de rest van de zin die Harold niet had uitgesproken. ´Het kan Marie niet zijn.´

 Harold knikte, maar zijn handen trilden.

 Bijna alle lichten brandden nu in het huis. Bovendien leken de dierenfiguren van de fontein water te spuiten.

 ´En staat de deur op een kier?´ wees Franklin.

 Harold pakte de gravure en legde hem weer in de kluis.

 ´Laten we vanavond opnieuw kijken.´

 

Die dag kreeg Harold nauwelijks iets gedaan. Het gezicht van zijn vrouw zweefde voor zijn ogen, of hij ze nu open of dicht had.

 Om klokslag 18.00 stond hij voor de deur van Franklins kamer. Voordat hij had kunnen kloppen ging de deur open.

 ´Je ziet een beetje bleek,´ constateerde Harold toen hij het gezicht van zijn vriend zag.

 De mezzotint lag al op het bureau, de loep er naast. Harold had echter geen vergrootglas nodig om te zien wat er gebeurd was. Bijna alle ramen waren weer donker, behalve naast de deur. De vrouw stond in het schijnsel op het terras. Ze zagen haar nu van voren en hoewel Franklin er niets over zei, zag Harold dat ze het beide niet meer konden ontkennen: de vrouw leek in alles op Marie.

 Ze had iets in haar handen dat er uitzag als een bundel doeken. In de tijd dat de gravure in de kluis lag, was ze naar binnen gegaan en met de bundel weer naar buiten gekomen.

 Harold griste de mezzotint van het bureau en legde hem in de kluis. Zonder een woord beende hij de kamer uit en plofte in zijn eigen kamer op de bank.

 Bij het eerste ochtendlicht zou hij de gravure zelf uit de kluis halen.

 

Blijkbaar had Franklin ook op zijn kamer geslapen, want de deur stond al open. Bij het licht van de bureaulamp zagen ze de vrouw – Marie – midden op het grasveld staan. Met haar rechterhand drukte ze de bundel in een beschermend gebaar tegen haar borst, haar gezicht naar de hemel gericht.

 ´Waar kijkt ze naar?´ vroeg Harold en volgde Franklins vinger naar iets in de lucht.

 Het was een vogel met een enorme snavel en scherpe klauwen. Het dier had zijn vleugels ingetrokken in een duikvlucht richting de vrouw, die haar hand ophief in een afwerend gebaar.

 ´Ze lijkt bang voor de vogel,´ constateerde Franklin. ´Geen wonder. Het dier is enorm. Grotesk bijna.´

 Met trillende handen legde hij de mezzotint weer in de kluis.

 

De uren naar het begin van de avond waren lang. Klokslag 18.00 uur legde Harold de gravure op het bureau. Marie lag in het gras, steunend op één hand, de andere uitgestrekt naar de bundel in de klauwen van de vogel, die op brede vleugels de lucht in was gewiekt. Haar gezicht was een masker van wanhoop.

 Met zijn vinger raakte Harold haar in een troostend gebaar aan voordat hij de gravure weer in de kluis legde.

 In een woordeloze overeenstemming liet Franklin zich in een stoel vallen, Harold ging op de bank liggen.

 

Die ochtend lag de vrouw nog steeds op het gras, nu steunend op beide handen, het gezicht naar de grond gekeerd alsof ze het tafereel dat zich in de lucht afspeelde niet wilde zien. Harold wilde het ook niet zien, maar moest wel. De vogel hield de lege doek in zijn klauwen.

 De gravure liet niets meer te raden over wat er in de doek had gezeten.

 ´Een baby,´ wees Franklin op het lichaam dat tussen de vogel en de fontein hing. Ze wisten beide dat het kindje niet zweefde.

 Met een klap draaide Harold de mezzotint om.

 ´Ik wil niet weten wat er verder gebeurt.´ Zijn stem brak.

 ´Ik denk dat we wel moeten,´ zei Franklin voorzichtig. ´Ik denk dat we dit tot het einde moeten volgen.´

 

Harold beende naar zijn kamer. Daar viel zijn oog op de plek aan de muur waar de mezzotint had gehangen. Automatisch gingen zijn ogen naar het schilderij van het kasteel daarnaast. Daar bleven ze rusten op iets aan de rand van de afbeelding.

 Langzaam ging hij de kamer door, langs afbeeldingen van huizen, landhuizen, kastelen en kloosters. Hij trok wit weg.

 ´De mezzotint,´ stormde hij Franklins kamer binnen. ´Pak de mezzotint.´

 ´Harold, het is nog geen tijd...´

 Toen Franklin het gezicht van zijn vriend zag, zweeg hij en liep naar de kluis.

 Harold wees naar de fontein.

 ´Daar, boven, daar zat een vogel. Een vogel van steen.´

 ´Weet je dat zeker? We hebben geen tekening van het begin van...´

 ´Wij hebben dezelfde fontein in de tuin, Franklin Een folly. En...´

 Hij maakte zijn zin niet af maar greep Franklin bij de arm en trok hem naar zijn kamer en langs de afbeeldingen aan de muren. Soms stond hij duidelijk op de voorgrond, soms half verscholen achter een boom, struik of schuur. Maar hij was er altijd. De fontein.

 ´En de vogel...´ zei Franklin. Hij wees naar de prent van een klooster waarvoor ze stonden. ´Daar zit hij, als een koning op een troon.´

 Hij keerde zich naar Harold.

 ´De folly in jullie tuin. Hoe lang staat hij daar nu?´

 Harolds ogen werden groot toen het tot hem doordrong.

 ´Ongeveer anderhalf jaar. Een maand nadat we hem kregen werd Marie zwanger...´

 ´Een fontein staat vaak in verbinding met een bron.´ Franklin keek bedachtzaam naar de afbeelding. ´Wist je dat? ´En bronnen staan bekend om... Nee laat maar, hier ben je niet mee geholpen. Het zijn bakerpraatjes.´

 Harold keek hem scherp aan.

 Franklin bond in.

 ´Men zegt dat een bron in verbinding staat met de Onderwereld. Niet de Hel, maar de plaats waar de zielen van baby's opgehaald worden, zielen waarmee vrouwen zwanger worden. Maar er worden ook zielen heengebracht. Door vogels...´

 Hij zag Harolds blik.

 ´Ik zei toch dat het bakerpraatjes waren.´

 Harold leek hem niet meer te horen.

 ´”H”,´ zei hij.

 ´Wat?´ Franklin keek hem niet-begrijpend aan.

 ´Het is een waarschuwing.´

 Het besef kwam als een mokerslag en sloeg Harold letterlijk neer. Hij kantelde opzij en Franklin ving hem net op tijd op. Voorzichtig hielp hij zijn vriend naar de stoel achter het bureau.

 ´Harold...´

 ´Iemand probeert mij te waarschuwen,´ stamelde Harold. ´Met afbeeldingen. Misschien ben ik het zelf wel. “H”. En pas nu zie ik het. Maar te laat.´

 Hij wees de kamer rond.

 ´Iedere keer de fontein...´

 ´Ik snap het niet.´ Franklin knielde bij zijn vriend en keek bezorgd naar hem op.

 Harold schudde zijn hoofd.

 ´Ik snap het zelf ook niet. Maar kijk naar alle afbeeldingen aan de muren.´ Hij wees naar het schilderij van het kasteel dat het dichtste bij hing. ´Allemaal afbeeldingen die mij leken te roepen, waartoe ik mij aangetrokken voelde. En allemaal met een fontein en de vogel. Ik heb er nooit goed op gelet. Wat als deze afbeeldingen ook bewogen? Wat als ik steeds maar één kans krijg om het te zien?´

 ´Jongen, dat soort dingen bestaat helemaal niet.´

 Harold keek hem onverwacht fel aan.

 ´En een mezzotint waarop dingen verplaatsen, die bestaat ook niet?´

 Dat bracht Franklin tot zwijgen.

 Plots doofde het vuur in Harolds ogen. Hij legde zijn armen op het bureau en liet het hoofd erop zakken. Uit alles sprak dat hij met rust gelaten wilde worden.

 Franklin trok zachtjes de deur achter zich dicht.

 

Zonder Harold ditmaal, haalde Franklin de mezzotint uit de kluis. Hij ademde scherp in. De baby hing als een geknakt blad over de rand van de fontein. De vrouw lag met haar gezicht in het gras, haar vingers klauwden in de aarde. De vogel had een daling ingezet richting de fontein.

 Met trillende handen draaide Franklin de mezzotint om en liet hem met de afbeelding naar beneden op het bureau liggen.

 

De volgende dag zag Franklin het landhuis in het daglicht. De vrouw en de baby waren verdwenen. Op de fontein zat de vogel, de vleugels gevouwen, de kop geheven. Hij leek Franklin met een hooghartige blik recht aan te kijken.

 Hij vroeg zich af of het verhaal nu weer van voren af aan begon en besloot de mezzotint een paar dagen in de kluis te leggen zonder er naar te kijken.

 Op de derde dag haalde hij de gravure er weer uit. Er was niets veranderd.

 Harold had gelijk. Hij kreeg maar één kans.

 

Opmerkingen


bottom of page