top of page
logo Lowlands Fiction

SPELEVAREN OP DE SILLAS EN DE CELADON -ADA MARTENS

  • 6 mei
  • 21 minuten om te lezen

 


De Celadon bruist van leven. Alice, de Egel en de Flamingo kijken gebiologeerd naar de kolkende rivier. Dit is hun vaste plekje op waterdag, de eerste dag van het Wonderlandse weekend. Waar de vrienden zitten gaat de Celadon in trapjes naar beneden. De stroomversnellingen zijn indrukwekkend. Puntige rotsen steken boven het woeste water uit en geven het geheel een dramatische aanblik. Hoe groot is de kracht van water … Alice voelt zich klein in de aanwezigheid van zoveel natuurgeweld.

 ‘Wanneer gaan wij eens op de Celadon varen?’ vraagt de Egel. ‘Ik wil met teamcroquet op avontuur.’

 De Flamingo lacht. ‘Waarom varen als je vliegen kan?’

 Daarop inspecteert de Egel zijn bolle lijfje. ‘Nee, ik heb nog steeds geen vleugels.’

 ‘O ja, even vergeten. Alice, vaar jij graag?’ De Flamingo kijkt het meisje onderzoekend aan. ‘Je ziet er altijd zo droog uit, een beetje zoals de Egel spreekt.’

 De Egel steekt één stekel op; Alice steekt haar tong uit.

 ‘Is die droog dan?’ vraagt ze.

 ‘Ja, ik vaar graag. Jullie weten toch dat ik picknickte dicht bij een rivier toen het Witte Konijn me wenkte?’

 De Egel kucht. ‘Zoals wij het hebben gehoord, heb je hem achtervolgd. ´Stalking´ heet dat tegenwoordig. Ik wil er geen halszaak van maken, we zijn tenslotte vrienden, maar …’

 Alice heeft er geen idee van wat ze moet zeggen.

 ‘Eh, over dat varen. Ik heb al vaak geroeid, met mijn zus, maar niet op een rivier zo wild als deze.’

 ‘Da’s net goed. Samen kunnen we dat. Als we spelletjes croquet met de Hartenkoningin overleven, bedwingen we probleemloos de Celadon.’

 De Flamingo wrijft met een roze vleugel voorzichtig over zijn hoofd.

 ‘Kan je bij het volgende partijtje minder hard slaan, Alice? Ik heb nog hoofdpijn van gisteren.’

 Alice streelt zijn pluizige nek.

 ‘Ik zal mijn best doen. De Koningin zit me de hele tijd op de huid; ik moet wel doen alsof ik wil winnen.’

 ‘Een béétje doen alsof volstaat,’ zegt de Egel. ‘Ik verloor gisteren drie stekels. Zo gaat het snel met mijn oprukkende kaalheid.’

 ‘Het spijt me.’ Alice gaat staan. ‘Ik weet het met jullie goedgemaakt. We gaan bootje varen.’

 ‘Hoera!’

 De vrienden knuffelen Alice. Vooral de Egel is bijzonder tevreden.

 ‘Captain Cook van de Andere Kant, eat your heart out. Wij gaan nieuwe landen ontdekken.’

 ‘Goed idee,’ valt de Flamingo hem bij. ‘We moeten voorraad meenemen voor onze lange reis. Alice, zullen we lekkers halen voor onderweg?’

 ‘Topidee.’

 ‘Laat ons ook ballonnen meenemen,’ stelt de Egel voor.

 Alice is verbaasd.

 ‘Hoezo?’

 ‘Handig bij feestjes én bij noodgevallen.’

 Hopelijk blijft het bij feestjes, denkt Alice.

 Drie vrienden op een boot, het klinkt als een komische avonturenroman. En dat is het ook wel. De Duckworth —hun oceaanstomer, geleend van de Landschildpad, hebben ze naar een oude vriend van Alice omgedoopt— is volgeladen met flesjes prik, fruit, groenten, en natuurlijk koekjes.

 Op dit moment bevindt het drietal zich in rustig vaarwater. Ze zijn een heel eind stroomopwaarts vertrokken, in de buurt van de cottage van het Witte Konijn. Alice wilde bij hem gaan aankloppen en gedag zeggen, maar haar vrienden vonden dat geen goed idee.

 ‘Als het Witte Konijn met je wil praten, komt hij zelf wel langs,’ zei de Egel.

 Alice wilde er niet te lang bij stilstaan.

 ‘Kom, we gaan aan boord.’

 Het is aangenaam varen langs de prachtige landschappen links en rechts, of aan kook- en radboord, zoals de Egel ze noemt. Omdat de vrienden toch pas volgende week bij de Rode Koningin worden verwacht voor een nieuw spelletje croquet, bevaren ze eerst de Sillas, een kronkelende zijrivier van de Celadon. De Sillas stroomt dwars door Wonderland. Later zal het trio weer in de grote rivier terechtkomen, niet zo ver van de stroomversnellingen vandaan.

 ‘Aapjes, dansende Aapjes!’ De Egel springt op en neer op het dek. ‘Ik dacht dat ze een verzinsel waren.’

 En inderdaad, Alice ziet Groene Meerkatten behendig een foxtrot dansen op de doorbuigende takken van zingende kinabomen. Hoe lukt het hen om hun evenwicht te bewaren? Het is een fantastisch gezicht. Als de dieren de boot in het oog krijgen, gillen ze zo hard dat Alice het jolige lied van het kinabomenkoor nauwelijks nog hoort. De Meerkatten gooien massaal zaden naar de Duckworth.

 ‘Dank je,’ roept Alice, terwijl ze salvo na salvo aan kinazaden ontwijkt. ‘Die zijn eetbaar, toch?’ vraagt ze haar vrienden.

 ‘Geen idee. Ik weet ook niet of de Aapjes jou horen. Zal ik er eens heen vliegen?’

 De Flamingo wacht Alice’ antwoord niet af. Hij spreidt zijn vleugels en verlaat de Duckworth. Een tijd lang vliegt hij van boom tot boom om de gulle aapjes te bedanken.

 ‘Eigenlijk, feitelijk, om heel eerlijk te zijn: ik durf die zaden niet te eten,’ bekent de Egel stilletjes, als zijn vriend is teruggekeerd.

 ‘Wij eten ze wel op, dan kan jij spruitjes en schorseneren eten,’ zegt de Flamingo snel.

 De Egel kijkt een beetje beteuterd.

 ‘Spruitjes? Schorseneren? Hebben we die ook meegenomen? Goed dan —als jij het zegt.’

 De kinabomen zetten “What a Wonderful World”, of daar klinkt het toch naar, in als de Duckworth de bocht in gaat. Alice neuriet een stukje mee.

 

Het gezelschap bevindt zich diep in Wonderland. De vrienden zien exotische plekken waar ze enkel over hebben gehoord. Zo zijn er de enorme bananenplanten waarop mauve bloemen prijken.

 ‘Zeker twaalf meter hoog,’ schat de Flamingo, na een zwierige vlucht over de plantage.

 ´Musa ingens x Malva sylvestris´ leest Alice op een groot lindehouten bord langs de oever.

 Volgens de Egel gaat het om een bizarre kruising van plantensoorten. Alice vindt de combinatie van geel en mauve fraai.

 De boot legt aan. De vrienden gaan van boord en plukken heel wat vruchten van de kleurrijke planten. Tot ieders vreugde smaken de bananen heerlijk, zelfs beter dan de koekjes —om nog maar van de spruitjes en schorseneren te zwijgen.

 Daarnaast laten vooral de Bakerse Wolkenvelden een grote indruk achter. Op de oever aan kookboord bevinden zich uitgestrekte velden. Laag boven het ruw beemdgras drijven wolken in allerlei gekke tinten zoals browaais, cartoen en herbeks. Soms doen de wolken haasje over. Het beweeglijke landschap is een lust voor het oog. Alice besluit ook hier het anker uit te gooien, zo kan het drietal wat langer van het bonte spektakel genieten.

 ‘Tijd voor onze picknick.’

 ‘Wat zullen we ontdekken aan het einde van de Celadon?’ vraagt de Flamingo zich af.

 ‘Als we dat eens wisten.’

 Alice eet een handjevol kinazaden en trekt een vies gezicht. De Egel houdt het bij één spruitje.

 ‘Vlieg er eens heen op verkenning en breng ons een blaadje mee,’ oppert Alice, voor ze een banaan in haar mond stopt. Aan de kinazaden waagt ze zich voorlopig niet meer.

 ‘Dat is wel erg bijbels, Alice, zoals in dat grappige boek van je, met de cijfers tussen de zinnen,’ zegt de Egel. Hij kijkt de Flamingo vragend aan. ‘Ik weet niet of het in Wonderland zo werkt. Wat pluk je normaal als je een onbekende plek bezoekt?’

 Daar moet zijn gevederde vriend even over nadenken. Alice en de Egel wachten geduldig.

 ‘Goh, mijn laatste expeditie dateert alweer van mijn jonge jaren. Met mijn zusjes vloog ik toen naar Alkebulan. Mama wilde een baobabboom in ons nest, als kamerplant. Ze zag het soms nogal groot. Dat was een leuke uitstap. Gelukkig waren we met zijn vijven, want die boom was best zwaar. Flamingo’s zijn natuurlijk krachtpatsers, zoals wijd en zijd bekend is.’

 Hij kucht nadrukkelijk en klopt zich met de vleugel op de borst.

 Alice ziet het zó voor zich: een dikke boom in een klein moddernest op de grond.

 ‘Viel de boom niet om?’

 ‘Meermaals, ja,’ geeft de Flamingo toe. ‘Maar mama was gehecht geraakt aan Bao, zoals ze hem noemde. Uiteindelijk legden we hem op zijn zij, naast ons nest. Mama was heel blij; ze had een mooi uitzicht op haar allerschattigste plantje. Ons geluk bleef echter niet duren. Bao belemmerde ons zicht, we zagen roofdieren niet rondsluipen. Ik verloor mijn vier zusjes achtereenvolgens aan een wolf, een vos, een beer en een das.’

 Even is het stil aan boord. Alice durft niet te vragen of die dieren in elkaars buurt leven in Wonderland. Dat moet haast wel. En hoe is het Mama Flamingo verder vergaan? Gestorven van verdriet? Waarschijnlijk is het beter om er later naar te polsen …

 ‘Wil je wat kinazaad? Of een flesje prik?’ vraagt de Egel. Zijn stem klinkt dun.

 ‘Nee, dank je.’ De Flamingo pinkt een traan weg. ‘In elk geval, een baobab dus. Die zal ik nu niet meebrengen van de monding van de Celadon.’

 ‘Als daar al zulke bomen staan,’ vult Alice aan.

 ‘Precies.’

 ‘Misschien is het beter,’ besluit de Egel, ‘om rustig verder de Sillas te bevaren, dan de stroomversnellingen van de Celadon te bedwingen en met zijn drietjes te ontdekken wat ons aan de monding wacht.’ Hij wrijft over zijn buik en voegt eraan toe: ‘En misschien is het ook beter dat ik geen spruitjes en schorseneren meer eet.’

 ‘Wat heb jij altijd goede ideeën,’ zegt Alice.

 Ook de Flamingo stemt ermee in.

 ‘Natuurlijk kan je net als wij bananen eten. En nog bedankt voor je medeleven.’

 Alice wrijft haar vrienden liefdevol over de arm.

 Wat goed dat ze altijd voor elkaar opkomen.

 Even later worden de kinazaden in het water gestrooid, als een afscheid van deze betekenisvolle episode.

 

De drie vrienden voelen zich intussen wereldreizigers, zoveel hebben ze al gezien. Onderweg hebben ze kennisgemaakt met heel wat boeiende Wonderlanders. De Sillas hebben ze achter zich gelaten, ze bevaren inmiddels de veel bredere Celadon. Dat moet ook wel, want de tijd vliegt voorbij. Over twee dagen wordt het groepje alweer voor een spelletje croquet in het Hartenpaleis verwacht.

 Het is stil aan boord van de Duckworth; zo meteen komt de boot in de eerste stroomversnelling terecht. Alice heeft een band van bananenschillen om haar heupen gevlochten. Ze hoopt maar dat dit kunstige werkje haar boven water houdt als de boot omkiept. Ze noemen de Duckworth wel hun oceaanstomer, toch is het maar een gewoon bootje. Hopelijk gaat alles goed. Alice kijkt een beetje bezorgd.

 De Egel heeft op de kale plekken tussen zijn stekels ballonnen gehangen. Rieten pijpjes verbinden die met zijn mond. Als hij hard in de pijpjes blaast, worden de ballonnen groter en komt hij enkele centimeters van de grond. Of dat zegt hij toch. Alice merkt dat hij zich afzet met zijn pootjes telkens hij toont hoe hij gaat ´zweven´.

 Kan een ballon niet enkel vliegen dankzij halium, of hoe heet dat gas?

 Ze hoopt dat haar kleine vriend zich met de ballonnen in veiligheid kan brengen indien nodig. De Flamingo kan natuurlijk niet beide vrienden samen van het schip plukken en veilig op het land zetten. Hij is niet meer zo sterk als in zijn jonge jaren.

 ‘Heb je voor je ballonnensysteem geen tweede adem nodig?’ vraagt de Flamingo. ‘Je kan toch niet ademen en blazen tegelijk?’

 ‘Ik moet enkel blazen tot ik de oever bereik,’ antwoordt zijn vriend. ‘Dat duurt niet lang.’

 Alice fronst de wenkbrauwen. Ze kan niet nalaten om te vragen:

 ‘Maar hoe stuur je richting de oever?’

 ‘Ha, dat is eenvoudiger dan je denkt. Als …’

 KRAK.

 De boeg van de Duckworth botst tegen een rots vlak voor de stroomversnellingen.

 ‘We moeten sturen in plaats van te praten,’ roept de Egel.

 Hij rolt achterover; zijn stekels doorprikken direct zijn ballonnen.

 ‘Help, help, ik verdrink.’

 ‘Zo ver is het nog niet,’ zegt Alice, die zich naar het rad rept en bijstuurt.

 De boot klieft gevaarlijk snel naar een volgende rots, maar Alice is er net op tijd bij. Met korte schokken gaat het naar beneden, steeds maar naar beneden. Het water spat op. De Flamingo krijgt een golf over zich heen en is kletsnat.

 Als het drietal de stroomversnellingen achter zich laat, meet het de schade op. Alice hangt overboord en kijkt naar de boeg.

 ‘Er zit een gat ter grootte van een ruigpoothoender in,’ stelt ze vast.

 Het gat zit gelukkig boven de waterlijn, maar ook niet erg ver ervandaan.

 ‘Hadden we maar Ruigje meegenomen. Hij zou er precies in hebben gepast,’ bedenkt de Flamingo.

 Ruigje is reservespeler bij teamcroquet. Hij is niet zo’n waterrat en is lekker thuisgebleven.

 ‘Vrienden zijn er om plezier mee te maken, niet om te gebruiken.’ De Egel kijkt een beetje boos. ‘Hoe zou jij je voelen als je op reis wordt meegenomen enkel omdat je kan vliegen, twijgjes en blaadjes kan halen en opvarenden kan redden bij een schipbreuk?’

 ‘O,’ zegt de Flamingo. ‘Bedoel je dat …’

 ‘Nee, helemaal niet, ik ben net erg blij met je gezelschap, en je bent fijn zoals je bent —daar gaat het precies om.’

 De Flamingo slaat een vleugel om de Egel, en doet alsof diens stekels hem niet prikken.

 ‘Ik denk dat ik je begrijp, goede vriend.’

 ‘Dat is allemaal eersteklas,’ zegt Alice, ‘ik houd ook erg veel van jullie, maar hoe moet het verder met onze reis?’

 ‘Tja, het gat is wel te groot om veilig de Celadon mee af te varen.’ De Egel kijkt ernstig. ‘Misschien moet ik toch maar even vooruit vliegen?’

 ‘Nee, dat vind ik valsspelen. Samen uit, samen thuis.’

 De Flamingo begrijpt Alice wel.

 ‘Hoe moet het verder?’

 De vrienden besluiten van boord te gaan en in een weide vol landnarwallen uit te rusten. De logge dieren staren hen eerst aan, maar richten na een tijdje hun aandacht weer op de Japanse wolmispels —geïmporteerd van de Andere Kant, weet de Egel— wier verschrompelde gele vruchten ze met hun lange slagtand neerhalen en opeten.

 Het wordt stilaan donker. Bij het avondmaal wordt niet veel gezegd.

 

Als Alice wakker wordt, ziet ze een bekend gezicht. Het Witte Konijn! Of droomt ze nog? Ze droomt heel vaak van dat knappe Konijn … Maar nee, hij is het echt, want hij spreekt.

 ‘Te laat, te laat,’ zegt hij.

 Zijn klokje zwiert over en weer voor Alice’ ogen; ze valt bijna opnieuw in slaap.

 ‘Nee, wakker worden, zoals je vrienden. De Koningin verwacht jullie voor een partijtje croquet. Het is hoger dan dringend.’

 Het Witte Konijn staat geen seconde stil. Hij hopt almaar op en neer in de weide. De landnarwallen gaan wat verderop staan. De Flamingo verschijnt ook in beeld boven Alice. Het meisje knippert met haar ogen. Haar vriend ziet er bezorgd uit.

 ‘We hebben de tijd uit het oog verloren,’ zegt hij. ‘We zijn al langer onderweg dan we dachten.’

 Alice begrijpt er niets van. Ze gaat rechtop zitten, trekt haar schoenen aan, schikt haar haar en vraagt:

 ‘Hoe kan dat?’

 De Egel komt vanachter de poten van het Konijn tevoorschijn en vertelt Alice een beetje aarzelend:

 ‘Ze zeggen dat op de Sillas de tijd anders verloopt dan in de rest van Wonderland. Eh, ik hoorde het net.’

 Zijn stem gaat vreemd omhoog.

 ‘Hoezo, “ze zeggen”?’ Alice voelt nattigheid. ‘Het klinkt alsof jij dat maar al te goed wist. Vond je het niet nodig om ons in te lichten?’

 De Egel bloost en zegt:

 ‘We hadden zoveel plezier op de Sillas. De aapjes met hun kinazaden. De holenberen met hun tapijtenverkoop. De tapirs met hun borduurwerk. Ik wil ook wel eens een weekje geen croquet hoeven te spelen.’

 Ja, Alice herinnert het zich nog allemaal, en de boottocht was inderdaad leuker dan leuk, maar nu zitten ze met zijn drietjes in nesten.

 ‘Is de Koningin boos?’ vraagt ze het Witte Konijn.

 ‘Hare Majesteit is altijd boos, dat betaamt de adel. Gelukkig wisten de tapirs me te vertellen op welke plek jullie waren. Te laat, weliswaar, maar niet veel te laat.’

 Het Konijn pauzeert even en bekijkt Alice van top tot teen. Dan schudt hij zijn kop en kijkt sip.

 ‘In alle eerlijkheid, ik praat liever met je vrienden dan met jou,’ zegt hij afgemeten.

 Hij wendt zich van haar af. Alice’ gezicht betrekt.

 ‘Ze heeft ons verteld dat jij haar wenkte, toen bij de konijnenpijp,’ komt de Flamingo haar te hulp. ‘Het moet één groot misverstand zijn.’

 Het Witte Konijn stampt een-twee-drie-vier-vijf-zes keer de grond aan met zijn rechterpoot.

 ‘Kan zijn, kan zijn. Mijn linkeroor durft al eens een knikje te maken. Maar om mij daarom dat hele eind te achtervolgen?’

 ‘Het spijt me zo.’

 Alice barst in tranen uit.

 ‘Ik wenste dat ik nooit naar Wonderland was gekomen. Jij wil me hier niet. Niemand wil me hier.’

 Alle mooie momenten van de voorbije dagen is Alice op slag vergeten.

 De Egel legt zijn pootje om haar duim.

 ‘Ach lieverd, toch geen waterlanders. Ik hou enkel van rivierwater.’

 Hij knipoogt naar haar, maar Alice blijft huilen …

 

‘Je moet heuvelmeewaarts spelen, niet zijwaarts of averrechts. Wat een knoeier ben je toch. Je kop eraf!’

 De gevreesde woorden van de Hartenkoningin schallen door de golvende paleistuin. Onmiddellijk stormen enkele Kaarten, het zwaard in aanslag, het heuveltje op. Ze gaan recht op de Fret af. Tot haar afgrijzen ziet Alice hoe het arme dier krijsend wordt afgevoerd.

 Er valt niet aan te ontsnappen; het wekelijkse spelletje croquet bij de Hartenkoningin verloopt zoals altijd. Er staan almaar minder spelers in de tuin.

 Al snikkend maakt Alice er het beste van, vooral onder aanmoediging van de Egel en de Flamingo.

 ‘We willen toch niet dood,’ fluistert de ene.

 ‘Er is nog zoveel om voor te leven,’ mompelt de andere.

 ‘Boehoehoe, het Witte Konijn houdt niet van me.’

 Alice tikt de Flamingo ondanks haar eerdere belofte hard, veel harder dan anders zelfs, tegen de Egel, die opwaarts aan het rollen gaat. Hop, hij gaat alweer een poortje door.

 ‘Nog twee poortjes,’ kreunt de ene.

 ‘Bijna gedaan,’ steunt de andere.

 Door haar tranen heen ziet Alice dat ze het best goed doet vandaag. De Olifant en de Bij, die het meisje al eens door elkaar durft te halen, liggen hopeloos achterop. De Eekhoorn en de Gans, net als de Fret vaste juryleden bij de vele processen die de Koningin aanspant tegen Vijanden Van De Staat, doen het wat beter. Vooral de Eekhoorn zit Alice op de hielen. Iedereen zorgt er natuurlijk voor dat de Koningin aan de winnende hand blijft —ze zijn wel gek in Wonderland, maar niet zó gek.

 Als de Koningin haar Egel tegen de eindpaal tikt en victorie kraait, moet teamcroquet nog één poortje door. Alice concentreert zich zo goed en zo kwaad als het gaat op haar slag wanneer ze een bekend gestampvoet hoort. Het Witte Konijn maakt naast de Koningin zijn opwachting aan de eindstreep. Alice is door zijn plotse verschijning zo van streek dat ze met een enorme klap de Flamingo tegen de Egel slaat. Haar ongelukkige kleine vriend zoeft door het laatste poortje, kaatst tegen de eindpaal en knalt ten slotte tegen het hoofd van het Witte Konijn.

 Even blijft het Konijn nog staan, dan valt hij om. Het ongelukkige dier blijft roerloos in het kortgeknipte gras liggen.

 De Koningin vindt het allemaal hoogst vermakelijk.

 ‘Je kop erop,’ roept ze Alice toe. ‘Drie koppen zelfs. Zal ik die van je Egel en je Flamingo eraf laten slaan en op je schouders laten vastmaken?’

 Deze boude uitspraak schokt Alice in die mate dat ze stopt met huilen.

 De Egel rekt zich uit en de Flamingo schudt zijn vleugels flink los.

 ‘Goed gespeeld,’ zegt de ene.

 ‘Vooral erg hard,’ zegt de andere.

 Het Witte Konijn draait zich op zijn zij en gaat rechtop zitten. Hij krabt zich in de pels.

 De Koningin heeft net het Oranje-Fuchsia Lintje der Overlevers op Alice’ jurk gespeld als het Konijn zegt:

 ‘Nu weet ik het weer.’

 Hij richt zich tot Alice, die haar vrienden het lintje van dichtbij toont.

 ‘Je volgde me de konijnenpijp in, ik gleed uit in de mulle aarde, en viel even flauw, zoals daarnet. Toen ik bijkwam, zag ik jou achter mij opdoemen en schrok me een hoedje. Daarom had ik zo’n angst voor je.’

 Alice herinnert het zich niet. Is hij flauwgevallen? Zij vond het hol donker, dat weet ze nog, en was vooral blij dat ze het Witte Konijn terugvond. Het verklaart wel waarom hij uit haar buurt blijft sinds ze in Wonderland is.

 ‘Ik wilde je zeker geen angst aanjagen,’ zegt ze met trillende stem.

 De Eekhoorn tikt met zijn Egel de eindpaal aan en schreeuwt:

 ‘Derdes, altijd weer Derdes! Waarom nooit eens Tweedes, of zelfs eens Eerst-’

 Hij houdt zich net op tijd in.

 ‘Uwe Majesteit, gefeliciteerd met alweer een overwinning zonder weerga.’

 Hij buigt; zijn snoet raakt het gras.

 ‘Straks, straks. Ik heb nog wel een troostlintje voor je.’

 De Koningin wuift hem weg.

 ‘Ik ben net getuige van een tranerige soapscène. Als ik het goed begrijp, Konijn, hebben die meid en jij wat we hier in Wonderland een Moeilijke Verhouding noemen. Daar ben ik dol op.’

 Voor een keertje ziet Alice in de ogen van de Hartenkoningin geen woede, maar zachtheid.

 ‘Weet je, mijn man en ik hebben ook onze uitdagingen. Hij is soms veel te braaf.’

 Ze brengt haar hand naar haar voorhoofd en zucht.

 ‘Dat gemis praten we regelmatig onder het genot van een goed glas bloedrode wijn uit. Urenlang zitten we tegenover elkaar in onze lederen stoelen dicht bij het haardvuur, dat een heerlijke etensgeur verspreidt. De discrete Hartenboer braadt de laatst aangekomen deelnemer van de croquetwedstrijd langzaam aan het spit en schenkt ons af en toe wijn bij.’

 Ze tuurt over het speelveld.

 ‘Over eten gesproken, hopelijk verliest de Olifant vandaag het pleit, en niet de Bij; van liefdesgeschiedenissen krijg ik trek.’

 Hoe antwoord je op zo’n verklaring?

 Alice doet er maar het zwijgen toe. Ze werpt een snelle blik op het Witte Konijn, dat haar minder nors dan anders aankijkt.

 Nu tikt ook de Gans de eindpaal met haar Egel aan. Het opgerolde beestje ketst af en landt op de rechtervoet van de Koningin. Ze loopt rood aan en tast naar haar voet.

 ‘Auw. Je kop eraf, domme Gans. Of wacht, ik laat je opsluiten en bewaar je voor het diner. Wie weet eindigt de Bij als laatste straks. We willen niet verhongeren. Dat kan ik mijn volk niet aandoen.’

 De Kaarten, die nooit ver van de zijde van Koningin wijken, nemen de Gans stevig bij de vleugels. Haar Flamingo kiest vliegensvlug de vlucht vooruit, haar Egel trekt een sprintje naar het struikgewas aan de overzijde.

 ‘Maar dus, de liefde,’ herneemt de Koningin haar gesprek met Alice, die de Kaarten ontzet nakijkt. ‘Wij moeten maar eens een openhartige babbel over je trubbels hebben.’

 

‘Als ik het goed begrijp,’ zegt de Koningin, terwijl ze haar vork met daarop een goed doorbakken stukje Olifantenpoot de lucht in steekt, ‘voel je iets voor het Witte Konijn, maar is hij erg afstandelijk. Weet je, je speelt elke week een behoorlijk partijtje croquet. Op een laattijdige aankomst na,’ ze kijkt Alice doordringend aan, ‘heb ik niet over je te klagen. Ware sportvrouwen zoals wij begrijpen elkaar. Je sprak daarnet over je tocht op de Sillas en de Celadon?’

 Alice glimlacht.

 ‘Dat was een mooie week.’

 De Flamingo en de Egel flankeren haar aan de met gerechten overladen feestdis. Naast gebakken Verliezersolifant is er ook gepocheerde Hoogverraderszalm, geflambeerde Oplichterswezel en nog zoveel meer. De Egel zit op een hoge kinderstoel, hij kijkt strak naar de tafel.

 Alice streelt zijn wangetje en fluistert:

 ‘Je hoeft het niet te eten als je niet wil. Er is ook fruit.’

 De spruitjes die de Oplichterswezel omkransen, laat ze wijselijk achterwege.

 De Gans staat in een donkere hoek van de met kaarsen verlichte eetzaal, met haar rug naar de anderen gekeerd; ze is niet op de borden geëindigd —vandaag toch niet. Als het meezit, mag ze straks aan tafel komen en een toetje eten. Alice voelt medelijden voor haar, maar het had natuurlijk erger kunnen aflopen.

 Als om dat te bevestigen, zoemt de Bij om de kop van de Gans:

 ‘Wat een geluk hebben we vandaag gehad! Geliek, gelak, geloek, geluk!’

 ‘Als ik nu jou en je vrienden eens een weekje met Snowdrop, mijn koninklijk jacht, de Celadon laat afvaren?’ doet de Koningin een aanbod. ‘Jullie komen vanzelf bij de monding uit. Niemand van ons is er ooit geweest. De gekste verhalen doen over die magische plek de ronde. Ik zou er natuurlijk zelf heen willen, maar ik heb het te druk met het besturen van Wonderland. Mijn onderdanen kunnen jammer genoeg niet zonder mij.’

 Ze trekt een gezicht dat het midden houdt tussen ernst en droefheid.

 Een Ruitenkaart schenkt haar roemer bij, maar morst een beetje wijn.

 ‘Je kop eraf,’ zegt de Koningin nonchalant. ‘Of nee, Kaarten, pook het vuur met hem op. Ik vind het nogal frisjes hier.’

 Haar man, die zich zoals steeds afzijdig houdt, schudt het hoofd. Alice ziet het, maar zegt er niets van.

 Geen relatie is perfect …

 Terwijl de Ruitenkaart door zijn collega’s zonder dralen in het haardvuur wordt geworpen en het op een schreeuwen zet, ontvouwt de Koningin de rest van haar plan.

 ‘Neem het Witte Konijn mee en verover hem zoals alleen een echte vrouw dat kan.’

 Ze wijst naar het Konijn, dat nietsvermoedend aan de andere kant van de tafel een babbeltje slaat met de Eekhoorn.

 ‘Volgens mij gaat hij om op reis. Wil je je vrienden ook mee, of heb je er liever geen pottenkijkers bij?’

 Ze geeft Alice een knipoog. De Egel en de Flamingo spitsen hun oren.

 Alice hoeft er niet lang over na te denken.

 ‘Hartelijk dank, Uwe Majesteit. Ik aanvaard uw gulle aanbod. De Egel en de Flamingo gaan met me mee op de Snowdrop. En het Witte Konijn ook, natuurlijk.’

 Laatstgenoemde hoort aan de overkant van de tafel zijn naam.

 ‘De Snowdrop op? Die blitse witte boot? Leuk, ik houd van reizen.’

 Dat zit alvast goed. Alice voelt een warme gloed in haar buik. Zou het echt iets worden tussen het Witte Konijn en haar? Ze had alvast niet gedacht dat het partijtje croquet deze week zo goed zou aflopen. Voor haar toch.

 Alice is er tot nog toe gelukkig in geslaagd om net als haar twee vrienden geen stukje Olifantenvlees te eten. Ook de andere warme gerechten heeft ze niet aangeraakt. Dat soort gruwelijkheden laat ze aan de hofhouding over.

 De Koningin is een complexe vrouw: nu eens wreed, dan weer mild.

 Is ze niet een beetje als elke vrouw?

 Terwijl Alice nadenkt over de aard van het beestje, heft de Eekhoorn een lied aan. Bijna dondert hij van zijn stoel. Tussen de strofen door hikt hij.

 

‘Ik werd weer een keertje Derdes

dus breng ik een lied te Berdes.

Concullega Alice gaat varen

Wijlen de Olifant zit op de blaren.

 

Het was me het dagje wel,

ik redde alvast mijn vel.

Zeven dagen zal ik wachten

op Alice’ vele reisklachten.

 

Hoe een nare Borogove uit Tulsey Wood

de Egel van ‘t dek graait en Alice groet.

Hoe de Flamingo de engerd achternazit,

in ‘t zwerk verdwaalt en om thuiskomst bidt.

 

Hoe Alice op de knie gaat voor het Konijn,

zijn beslist “nee” doet haar zielsveel pijn.

Bovendien blijkt Celadons monding

niets meer dan een saai onding.

 

Met plezier wacht ik aldus een week

op een Alice helemaal van streek.

Speelt ze daarna weer tegen mij,

Tweedes worden maakt me blij.’

 

Hij boert luid, buigt naar alle kanten en gaat met enige moeite zitten. Niemand applaudisseert.

 Wat een vilein lied!

 Zo kent Alice de Eekhoorn niet. Het zal wel de drank zijn die spreekt …

 De Koningin moet er in elk geval om lachen.

 ‘Ik houd wel van slechte verliezers. Alice, ik denk niet dat jullie vaart zo’n vaart zal lopen. Vertrek morgenvroeg en breng verslag uit als we onze volgende croquetwedstrijd spelen.’

 Daar gaat Alice graag mee akkoord. De eekhoorn keurt ze geen blik meer waardig.

 

Na een bijzondere reis zijn Alice en haar vrienden weer in de paleistuin. De Koningin, die voor de gelegenheid een wit tropenpak inclusief helm draagt, alsof ze mee met hen op expeditie was, wil alles horen over de trip naar de monding van de Celadon. Ook enkele Kaarten en de Eekhoorn, die ooit eens een keertje niet Derdes wil zijn, luisteren mee. Allen zitten ze om Alice en haar vrienden heen in het gras.

 De Koningin kan vanzelfsprekend niet zomaar tussen haar onderdanen gaan zitten, dat begrijpt iedereen. Zij zit op een fraai vormgegeven stoel van mahoniehout, ingelegd met ivoor.

 Alice vraagt zich af of dit het laatste is wat van de Olifant rest.

 Al gauw neemt haar enthousiasme over de reis het over.

 ‘Het was fabelachtig, fabuleus, fameus, fantastisch en zelfs geweldig.’

 Alice komt woorden tekort om de boottocht te beschrijven.

 De Egel zit op haar schouder en zegt droogjes:

 ‘Het was kortom majestueus.’

 De Koningin trekt een wenkbrauw op en negeert hem.

 ‘Vertel me alles, kind.’

 ‘Hoe verder we de Celadon afvoeren, hoe meer magische wezens we zagen. Leperkoenen kwamen uit het hoge gras tevoorschijn aan de brede Dinah-bocht.’

 Alice toont hoe klein de mannetjes zijn.

 ‘Ze wierpen hun rode pinnemutsen de lucht in toen we langsvoeren. In lompen geklede Boemannen beperkten zich tot ‘Bah! Bah!’-geroep toen we onder de takken van de platanen voeren en hun modderhutten voorbij gleden.’

 Ze beweegt traag haar schouders naar voren en achteren, net zoals de Boemannen doen wanneer ze gevaar zien.

 Alice geniet er volop van om haar avonturen met de Koningin te delen; het is alsof ze alles opnieuw beleeft.

 ‘Vertel haar over de monding,’ fluistert de Flamingo.

 ‘De Celadon mondt uit in een groot, met waterriet omrand meer,’ gaat Alice verder. ‘We zagen er allerlei dieren zwemmen die voor zover wij wisten nog geen naam hadden. Dus benoemden we ze. De ongrijpbare Stukadoorsteur; de Boterbaars, die gulzig de stukjes brood at die we haar toewierpen; de Grendelgrondel, die hevig zijn territorium bewaakte; en nog zoveel meer Vissen.’

 ‘Er zat ook een grote Bultbuik in het meer. Hij spoot het water metershoog de lucht in.’

 De Flamingo praat nu ook volop mee.

 ‘En de tempel, Alice, vertel haar over de tempel.’

 De Hartenkoningin neemt haar tropenhelm af en waait er zich koelte mee toe.

 ‘Zo spannend. Wat gebeurde daar?’

 ‘Juist ja, de tempel, Uwe Hoogheid.’

 Alice’ ogen blinken als ze vertelt wat ze met haar vrienden vlak bij het meer beleefde.

 ‘We zagen een koningsblauwe saffieren tempel aan de verste oever. We meerden de Snowdrop aan en gingen de trap op. Priesteressen gehuld in groene sari’s verwelkomden ons aan de metershoge ingang en legden bloemenkransen om onze nek. Ze speelden voor ons wervelende muziek op gamba’s en cornetto’s. We vertelden hen over hun Koningin, want u regeert natuurlijk heel Wonderland.’

 ‘Dat spreekt voor zich.’

 De Koningin glimlacht flauwtjes.

 De Egel zegt:

 ‘Nou, van u hadden ze dus nog nooit ge-’

 ‘Ze scandeerden meteen uw naam en deelden met ons de verhalen die ze aan elkaar vertellen over uw oneindige goedheid,’ onderbreekt Alice hem.

 Een leugentje om bestwil moet kunnen.

 Ze wenkt het Witte Konijn, dat zich op de achtergrond heeft gehouden. De priesteressen hebben alle bezoekers hetzelfde geschenk gegeven, en eentje extra voor de Koningin.

 Het Witte Konijn knielt voor de Koningin en opent een doosje. Er prijkt een gouden ring in, afgewerkt met een grote saffier.

 De priesteressen hebben aan de vrienden verteld dat de saffier een heilzame werking heeft. Wie hem draagt, voelt zich vredig. Alice heeft het zelf ondervonden. Iedereen was al vrolijk op weg naar de tempel, maar voelde zich nog een stuk beter bij de terugvaart.

 ‘Ik heb mooiere ringen,’ zegt de Koningin, ‘maar ik zal mij verwaardigen het geschenk van mijn verre onderdanen te dragen.’

 Ze schuift de ring om haar vinger.

 Als ze zich niet zo kalm voelden, zouden de drie vrienden zeker schrikken. De Koningin straalt. Ze ziet er erg ontspannen uit. Nooit eerder in de geschiedenis van Wonderland is dit voorgevallen. De Kaarten kijken elkaar aan en mompelen. De bek van de Eekhoorn zakt open.

 De Koningin lijkt niets van de opwinding te merken. Ze heeft nog één vraag.

 ‘En, Alice, hoe zit het met jou en onze witte vriend hier?’

 Het Konijn antwoordt in haar plaats.

 ‘Zoals ik nu voor u kniel, knielde ik na het tempelbezoek voor Alice. Wij zijn op reis nader tot elkaar gekomen.’

 Hij toont haar een van zijn voorpoten, waaraan een ring met saffier prijkt.

 Alice komt dichterbij, streelt het Konijn liefdevol over de schouders en toont ook haar hand aan de Koningin. De saffier schittert.

 ‘Voor ons zijn het verlovingsringen. Komt u naar de bruiloft?’

 ‘Grandioos.’

 De Koningin steekt op haar beurt haar hand uit, maar niet naar de verloofden. Ze reikt opzij, naar haar man. Net zoals het Witte Konijn heeft hij zich in de luwte opgehouden. Hij komt naar voren en streelt de hand van zijn echtgenote.

 ‘Natuurlijk komen we,’ vervolgt de Koningin. ‘Zullen we een partijtje croquet spelen? Zeg, schat, er liggen toch hamers en ballen in het oude prieeltje?’

 De Koning schraapt zijn keel. Hij is het niet gewoon het woord te krijgen.

 ‘Ik geloof van wel, lieveling. Kaarten, haal het sportmateriaal.’

 De Flamingo en de Egel kijken elkaar grijnzend aan.

 ‘Geen hoofdpijn meer,’ zegt de ene.

 ‘Geen stekels kwijt,’ zegt de andere.

 Alice is blij voor haar vrienden, ze heeft er nog altijd spijt van dat ze bij de vorige wedstrijd zo hard sloeg.

 Maar ja, de pijn van onbeantwoorde liefde … Daar heeft ze gelukkig geen last meer van.

 ‘En, liefste, nu ik toch je aandacht heb,’ oppert de Koning, ‘ik geloof dat we beter geen deelnemers meer serveren na de wedstrijd; mijn maag verdraagt dat taaie atletenvlees slecht.’

 ‘Prima,’ zegt de Koningin, die een gelukzalige glimlach op het gezicht heeft, ‘we zorgen wel voor extra toetjes.’

 Ze heft haar hand en bewondert de saffier.

 ‘Wat een prachtige en deugddoende edelsteen.’

 Voor het eerst in tijden wordt het een leuke wedstrijd. teamcroquet doet erg zijn best, maar aan het eind komt de Eekhoorn als winnaar uit de bus. De Koningin stond bijna de hele wedstrijd op winst —en dat terwijl iedereen volop zijn eigen kans ging— maar Alice vermoedt dat Hare Hoogheid de eeuwige Derdes op het nippertje heeft laten winnen.

 Aan de feestdis sluit de winnaar de dag af:

 

‘Alice en het Witte Konijn,

wat is het fijn verloofd te zijn.

De Flamingo en de Egel,

dolle pret is nu de regel.

 

Eindelijk ben ik Eerstes,

dat pleziert mij ten zeerstes.

Dank u, o lieve Koningin.

Voorwaar, dit is een nieuw begin.’ Koop de bundel waarin dit verhaal staat hier

 

Opmerkingen


bottom of page