ONGEREMD - FINN AUDENAERT
- 13 apr
- 9 minuten om te lezen

Zelfs de rookdetector had het opgegeven. Marc schrok wakker van de plotse stilte. Al vier dagen klonk een hardnekkige piep in het hele huis, het teken dat de batterij van het rotding vervangen moest worden. De detector hing onbereikbaar hoog in de traphal, weliswaar naast zijn slaapkamerdeur die direct op de trap uitgaf, maar net buiten zijn bereik. Dat had je met professionals die wat kwamen installeren: ze zochten steevast de meest logische plek uit … logisch zolang het spul functioneerde. Marc had vanzelfsprekend een ladder, maar geen zin. Verder had hij ook wel wat hoogtevrees, maar dat durfde hij enkel op een goede dag aan zichzelf toe te geven. In elk geval, waarom nog tijd en energie stoppen in een huis dat niet meer als thuis voelde?
Het was een nijdig, snerpend geluid. Om de minuut verscheurde het als een jakhals de stilte. Toch was hij eraan gewend geraakt. Nu was het muisstil. Ongerust ging Marc rechtop zitten in bed. Dingen eindigden al even onaangekondigd als ze begonnen. Daar hield hij niet van. Marc was meer een planner.
Het was Karen geweest. Wat was er tenslotte niet haar schuld? Dat gekke mens had een manier gevonden om de piep de baas te worden. Eigenlijk moest hij blij zijn. Maar hij wilde zijn vrouw helemaal niet in de buurt van zijn slaapkamer. Oh boy. Nu zou hij nooit de slaap kunnen vatten. Met een pieptoon leerde je leven – ze zeiden dat van tinnitus ook, dacht hij – je sliep na een tijd door dat geluid heen. Het was zoals bij treinen die vlakbij passeerden (het huis waarin hij opgegroeid was) of klokken die onmogelijk vroeg luidden (de studentenwoning die hij met vier anderen gedeeld had). Je wende eraan, je filterde het geluid weg. Niet zo met Karen, zij liet zich niet wegfilteren. Zou ze thuis zijn vannacht? Het moest wel, hoe had ze anders de rookdetector ontmanteld?
Dit was geen uur voor moeilijke denkoefeningen. Marc wierp een blik op de klokradio. 4u44, het domste uur van de nacht, zonder meer. Dank u, Jay-Z! Die overjaarse rapper had een album dat zo heette. 4u44 was het exacte moment waarop die gozer wakker werd tussen zijn dure Gucci-lakens en zich schuldig voelde dat hij zijn vrouw bedrogen had. Zo'n waardeloze uitleg, elk excuus was tegenwoordig goed om als kapstok voor een album te dienen. Die Beyoncé van hem was al niet veel beter. Ze had een heleboel huilsongs uit de misère gepuurd. Marc grinnikte onwillekeurig, drukte op enkele knoppen van de klokradio, gewoon om wat geluiden te horen. Er weerklonk een streepje klassiek. Bah, bekentenissen! Zo’n Jay-Z was ook maar een burgermannetje dat waardig zijn oude dag tegemoet wilde gaan. Sprak over zijn ‘feels’ en ‘making amends’ en zo. Nooit ofte nimmer zou Marc zijn overspel opbiechten aan Karen. Aan dat soort trendy aardigheidjes deed hij niet mee. Op je zevenenveertigste veranderde je niet meer, oh nee. Die lullige het-spijt-me-zo-plaat had hij na twee luisterbeurten in de vuilnisbak gekeild. Sindsdien streamde hij muziek, gewoon uit balorigheid.
Karen was als Beyoncé, bedacht hij terwijl hij tevergeefs de jeuk in zijn haardos probeerde weg te krabben. Ze was minder mooi, natuurlijk – wie niet – maar ze had even grote … talenten. Toen ze elkaar leerden kennen, was Karen het mooiste meisje van het dorp geweest. Het was dan ook een dorp, niet eens een gemeente. Marc daarentegen, zo besefte hij maar al te goed, moest het van zijn gladpraterij en plannetjes hebben. Die had hij in de loop der jaren dan ook geperfectioneerd. Tss, Beyoncé, de liefdadigheidstrut. Zij was bedrogen, Karen ook. Niemand was veilig; dat deed Marc deugd.
'Waarom zou je ooit vreemdgaan als er zo'n lekker ding als Karen naast je ligt?' had zijn drinkmaatje Jerry hem lang geleden gevraagd. Het was duidelijk: Jerry was toen nog maagd geweest, of toch minstens relatiemaagd, zoals ze dat in zijn vriendenkring noemden. Waarom bedrogen mannen vrouwen? En omgekeerd? Met hoe mooi of lelijk je lief was, had het alvast niets te maken. Ach ja, Jerry. Hij was op vakantie in Thailand, nu. Marc vernam liever geen details.
Hij geeuwde, hees zich uit bed, sleepte zich naar de deur en ontgrendelde die. De lange tocht naar beneden nam een aanvang. Het licht in de traphal werkte niet. Ook dat was geen verrassing. In het donker ging hij de eindeloze reeks trappen af.
Toen Karen en Marc het huis kochten, had hij de boel met grenzeloos enthousiasme verbouwd. Het had hem niet uitgemaakt dat de woning veel te groot was voor een man die alleen losse flodders schoot. Hij zou gelachen, gegierd, gebruld hebben met een weerbarstige rookmelder of enkele onnozele kapotte lampen toen. Dat waren niet eens echte klusjes! Dat was voordat Karen hun Mercedes AMG GT Black Series in de prak reed en de airbag haar kop om zeep hielp – enkel haar kop, jammer genoeg. ‘Onmogelijk,’ hadden ze bij Mercedes beweerd, ‘dat kan gewoonweg niet bij zo'n ongeval. De airbag beschermt je juist.’ Marcs verzekeraar was snel geplooid voor de autobouwer. Geen schadevergoeding dus voor die kapotte kop van zijn vrouw. Niet dat het Marc wat kon schelen. Daar ging het ook helemaal niet om.
Intussen had hij de benedenverdieping bereikt. Zijn linkervoet sliep wat. Toch minstens iets aan zijn ellendige lijf dat sliep. Hij was nog behoorlijk moe van de horizontale tango met Marieke eergisteren, gezellig tijdens de werklunch. En ook al sliep hij door dat aanhoudende gepiep heen, het had ongetwijfeld een invloed op de kwaliteit van zijn nachtrust.
Hij hobbelde de keuken in, opende de koelkast. Het lichtje binnenin knipperde aan en uit. Alles in deze woning liet het afweten. Hij zuchtte gelaten en haalde een pot pruimenjam uit de koelkast. De spots in de keuken durfde hij niet aan te steken. Hij opende op de tast een lage kast en haalde er een brood uit. O ja, een mes. Hij gaapte opnieuw. Marc vermoedde Karens aanwezigheid in de woonkamer, op de sofa. Hij rook haar, zotte Karen met haar suffe kop.
Voorzichtig sloot hij de deur tussen de keuken en de woonkamer, knipte toen pas de spots in de keuken aan – hé, die deden het nog! – en haalde zo stil mogelijk een mes uit de lade. Werktuiglijk smeerde hij een boterham en at die staande aan het aanrecht op. Zijn pyjamabroek zakte half over zijn kont naar beneden. Terwijl Karen zich vetmestte, was hij aan het lijnen om zijn kansen bij de vrouwtjes gaaf te houden.
Behalve vannacht dus. Marc was nog geen vier happen ver toen de deur werd geopend. Fok.
‘Je knoeide met de remmen, smeerlap!’ klonk het zonder inleiding. ‘Geef het toe, Marc.’
De hoge stem van gekke Karen wende nooit. Ze kwam uit de woonkamer op hem afgebeend. Shit, hij had beter moeten weten dan de spots aan te knippen – in de keukendeur zat een kleine glaspartij – maar de honger had hem roekeloos gemaakt. Marc slikte met moeite de hap door, staarde haar met grote ogen aan. Ze had dikwijls de politie gebeld de voorbije maanden. Marc had met de autoremmen gerommeld! Marc had giftig spul in haar soep gedaan! Marc had de dorpel aan de voordeur met zeep ingesmeerd! Kortom, Marc stond haar naar het leven. Ontelbare keren was de arm der wet komen aanbellen. Tot ook de agenten wisten: die vrouw spoort niet.
‘Zeg dan wat, moordenaar!’ kraste ze.
Marc schudde zijn hoofd en zette een stap achteruit. Karens haar was vet en plakkerig, zag hij tot zijn ongenoegen. Haar nachthemd had gele vlekken. Ze kon zich toch minstens verzorgen. Ze bleef tenslotte zijn vrouw. Wat dachten ze in het dorp wel niet over hem, dat hij lijdzaam bij zo’n scharminkel bleef.
Sinds het auto-ongeval sliep Karen op de sofa, zo ver mogelijk van hem vandaan. Erg vond Marc dat niet. Ze mocht gerust uit zijn buurt blijven. Het slagersmes op de salontafel, daar was hij minder fan van. ‘Dat is mijn bescherming tegen inbrekers en vooral tegen jou, klootzak!’ had ze hem meermaals gezegd. Dat de rookmelder het begaf en om de zoveel weken die nijdige waarschuwingspiep gaf, vond ze geen probleem, had ze hem ooit toegesist. Het was beter om wakker te blijven 's nachts dan met je eigen slagersmes de keel overgesneden te worden. Zo gek als een achterdeur. Met die vrouw viel niet te praten. Anderzijds, volgens die logica had Karen niets met de afwezige piep te maken.
Marc voelde hoofdpijn opkomen. Hij masseerde ostentatief zijn slapen.
In het zwakke licht van de straatlantaarn zag hij het slagersmes op de salontafel glimmen. Hij moest kiezen tussen razende honger en veeg lijfsbehoud. Zijn grommende maag won deze ronde. Hij waagde nog een hap en mompelde wat, een broodkruimel in zijn ene mondhoek. Het klonk als: 'Morwen vroew op. Waan werken.'
Het was te veel gevraagd om zelfs maar te durven denken dat Karen op zo’n praktische opmerking zou ingaan. Ze prikte een vinger in zijn borstkas.
‘Mijn man, de moo-hoo-hoordenaar!’
Voor variatie was je bij zijn echtgenote aan het verkeerde adres. Marc grijnsde haar toe. Het moest een glimlach voorstellen. Zo rond 5u02 was dat veel gevraagd van zijn mimiek.
Het was beter om weer de rust van de slaapkamer op te zoeken, besloot Marc. Vanavond had hij gewoon pech gehad. Zijn halve trouwboek was thuisgebleven. Karen kwam en ging zoals het haar uitkwam. Dag of nacht, dat maakte haar niet uit. Ze zwierf vaak door de wijk, een stapeltje fotokopieën onder de arm. Daarop stond Marcs foto – ze had er natuurlijk eentje gekozen waar hij erg verfomfaaid leek – gevolgd door een hoop beschuldigingen. Marc kende de blaadjes maar al te goed. Karen kwam ze ‘s nachts soms onder zijn slaapkamerdeur stoppen. Brrrr. Hij overwoog al een tijdje om een tweede grendel aan de deur boven te bevestigen. Verder dan erover peinzen kwam hij niet, de energie voor dat soort zaken ontbrak hem.
Hij stopte met lichte tegenzin het brood terug in de kast. Zijn maag protesteerde.
‘We praten er morgen over, schat.'
‘Ik haal mijn beenhouwersmes, hoor!' riep ze.
Dat had ze gelukkig nog nooit gedaan. Het was altijd roerloos op het tafeltje blijven liggen. Maar op een dag zou het anders zijn, vermoedde hij.
Marc knikte haar toe en zei: ‘Probeer ook nog wat te slapen.’
Op de trap naar boven probeerde hij te bedenken wat er verkeerd gegaan was met de autoremmen indertijd. Ze hadden inderdaad niet gefunctioneerd, maar op het verkeerde moment. Hij was een testrit gaan doen na zijn crea-uurtje met de auto in de anonimiteit van zijn garagebox – van slimheid had niemand Marc ooit beschuldigd, de rapportcommentaren in zijn jeugd luidden steevast ‘eerst denken, dan doen, Marcske’ – en toen was hij op een kruispunt, vlak bij huis, bijna gebotst met een vrachtwagen. De remmen hadden prima niet-gewerkt. Hij was er zo van geschrokken dat hij ze toch een beetje had bijgeregeld. Het mocht ook allemaal niet te veel opvallen. Twee uren later was Karen, de Karen die hij zo beu was, de vervallen Beyoncé, de – ach wat maakt het ook uit – zijn Karen dus, wel ze was boodschappen gaan doen. Reed ze pardoes vol tegen een boom aan. Het verkeerskundig onderzoek had niets bijzonders uitgewezen. De airbag had perfect gewerkt – Marc volgde hierbij de mening van de expert niet – de remmen ook. Karen had er stomweg niet aan gedacht te remmen. Ja, de airbag, daar was hij wat aan vergeten te doen. Hij zou ook niet geweten hebben hoe hij zoiets ongemerkt had moeten regelen, begreep hij achteraf. Nu zat hij met een nog irritantere versie van zijn echtgenote opgescheept.
Misschien lag het aan het slaapmiddel dat hij dagelijks in Karens chocolademelk had gemengd, dacht Marc halfweg de trap, terwijl de rookmelder zomaar het lawaai hervatte, ongenadig maar bijzonder welgekomen vier meter boven zijn hoofd. PIEP. Misschien was Karen beginnen te soezen in de auto. Normaal kon ze zo'n dosis heus wel aan. Hij gaf haar die portie om haar gezeur net wat dragelijker te maken. God, hij miste de quasi zorgeloze tijd van voor het ongeval! Had hij maar geweten dat hij alles veel erger zou maken.
Marc vergrendelde de slaapkamerdeur en ging op bed liggen. PIEP. De wachtlijsten in de psychiatrische ziekenhuizen waren lang. Enkel bij accuut gevaar voor zichzelf of de omgeving kon een patiënt opgenomen worden. Een prozaïsch slagersmes op de salontafel volstond tegenwoordig niet meer. In wat voor land leven wij, vroeg Marc zich af, en hij sloeg met zijn vuist hulpeloos op zijn matras, wanneer zieke mensen niet op de juiste plek terecht konden.
Ba-dang-a-lang-a-lang! Hij hoorde een hels lawaai beneden. Marc kende het geluid maar al te goed. Karen ging uitzinnig met haar klauwen door de besteklade. Ze haalde alle messen eruit, legde ze van ongevaarlijk naar gevaarlijk, deed vervolgens hetzelfde met de vorken en zelfs de lepels. Stopte daarna de hele boel weer met veel lawaai in de lade. Soms liet ze alles ook liggen op het aanrecht, als een opgestoken middelvinger. Compleet geschift, dat mens.
De PIEP van het rookalarm klonk geruststellend, drukte even het geraas beneden weg. Marcs gedachten dwaalden af naar de nieuwe overbuurvrouw. Hij stak zijn hand in zijn pyamabroek. Vijfentwintig of zo was ze, echt een knap ding. Bailey heette ze. Niet dat haar naam van belang was. Hij had in elk geval oprechte interesse in haar. Helaas was het moeilijk om vrouwen te verleiden met zo'n gekkin die je voortdurend op de huid zat. Soep mocht hij niet meer maken. Karen at alleen buitenshuis. Misschien moest Marc het nog eens met een ingezeepte dorpel proberen. Vloeibare zeep was zo doorschijnend, de dag van vandaag. Je zag nauwelijks nog wat. Ooit moest het toch lukken. Zelfs al belandde ze maar voor vier maanden in het hospitaal. Ja, voor dat klusje kon hij de moed nog net opbrengen.
Met dat plan viel Marc in een vredige slaap.




Opmerkingen