top of page
logo Lowlands Fiction

DE PERFECTE VROUW – MIKE JANSEN

  • 1 dag geleden
  • 14 minuten om te lezen

 

 

1.

 

Vanuit het grote raam op de eerste verdieping van zijn huisje in Zettelwaard had Luc Valjean uitzicht op de Kerkstraat en de nette rijen grafzerken op het Zettelerveld met daarachter de donkere silhouet van de Roomse Antoniuskerk. Hij had de plek ooit gekozen vanwege de rust: de buren hadden geen kinderen, de straten waren schoon en de huizen hadden een oprit.

Luc had een geheim. Hij was niet als de mensen om hem heen. Niet als zijn buren, niet als zijn collega’s op kantoor. Ook zijn weinige familie, een tante in Antwerpen en een verre neef in Tilburg, wisten niet waarover hij het had toen hij ze eens probeerde uit te horen in een gôh-lang-niet-gezien telefoongesprek.

Er was een begrafenis geweest vandaag. Vanaf zijn chaise longue, een twaalf jaar oude Laphroaigh op het dienblad naast hem en zijn favoriete Kathleen Woodiwiss, een inmiddels stukgelezen exemplaar van “The Wolf and the Dove”, zag hij het kleurige, bloembedekte plekje tussen de sombere, grijze stenen.

Het kon nu elk moment gebeuren.

Hij nipte van de eigenzinnige whisky en las de “spannende” stukken over Wulfgar en Aislinn in het Engeland van William the Conqueror. Als mijn leven toch zo zou kunnen zijn. Af en toe keek hij op. Nog niets. Het begon te schemeren.

De zon ging nu echt onder. Hij knipte zijn leeslamp aan. Op dat moment zag hij het.

Boven de bloemen op het graf leek een lichtende nevel te ontstaan. Hij legde zijn boek weg en keek op de klok. Nog een minuut of vijf voor de overledene volledig zichtbaar zou zijn.

‘Vooruit maar weer,’ zei hij. Zijn schoenen stonden al klaar naast de voordeur. Op zijn gemak liep hij door de Kerkstraat, zag mensen op de bank voor de kijkkast zitten, voornamelijk stelletjes. Hij voelde een lichte afgunst. Ooit heb ik dat ook. De ingang van het kerkhof was gesloten, maar Luc wist inmiddels dat er een zijingang was voor de opzichters, die nooit op slot zat.

Het grind van het pad kraakte onder zijn schoenen. De overledene die voor het graf stond keek verward naar de bloemen en de stenen zerken aan weerszijden. Op een klein plastic bord stond in gouden letters op zwart: Alfred van Muren, 1949-2016. De perfecte pensioenleeftijd, merkte Luc op. In het dagelijks leven was hij boekhouder en als zodanig ook betrokken bij de pensioenen die voor zijn bedrijf georganiseerd waren.

‘Ahem,’ zei hij. ‘Alfred?’

De schim draaide zich om. Hij zag er niet uit als een pensionado, eerder als een man van midden dertig in de kracht van zijn leven, hoewel etherisch, half doorzichtig en fluorescerend. Positief zelfbeeld waarschijnlijk, dacht hij.

‘Waar ben ik? Wat is er gebeurd?’

Luc schudde zijn hoofd. ‘Mijn naam is Luc. Ik heb niet alle antwoorden. Ik weet alleen dat je overleden bent en dat hier je lichaam rust.’

Alfred knipperde. ‘Dood? Maar ik voel… voelde me goed de afgelopen tijd.’

‘Wees blij, sommigen doen er dagen over om te sterven, weken of maanden zelfs. Heb je gedroomd?’

Alfred knikte. ‘Een nachtmerrie. Liggend in een soort kist, niet kunnen bewegen, terwijl er mensen om je heen lopen, je probeert te schreeuwen, maar niemand hoort je.’

Luc zuchtte. ‘Dit hoor ik vaker. Ik ben geen ervaringsdeskundige, maar ik denk dat dit het losmaken van de ziel uit het lichaam is’

‘Ik ben atheïst,’ zei Alfred.

Luc haalde zijn schouders op. ‘Sinds ik de doden zie, heb ik mijn geloof gevonden.’ Hij wees naar de Antoniuskerk. ‘Het is nooit te laat, zegt de dominee altijd.’ Hij glimlachte even bemoedigend naar de overledene.

‘Ik ben dus dood?’

‘Helaas wel.’

‘En nu?’

‘Meestal vervaagt de overledene wanneer het besef gestorven te zijn doordringt.’

‘Als jij me ziet, zien anderen me dan ook? ’

Luc schudde van nee. ‘Volgens mij ben ik de enige. En ik was niet van plan het er nog eens met iemand over te hebben. Voor je het weet ben je de dorpsgek.’

‘Heb je het iemand verteld? Of heb je wel eens een boodschap van een overledene naar de nabestaanden gebracht?’

Luc knikte. ‘Geprobeerd. Ik heb het uiteindelijk maar op een slecht horrorboek gegooid om de aandacht af te leiden.’

Alfred knikte langzaam. ‘Zo is het dus. Een einde, of een nieuw begin. Ik had me juist verheugd op mijn pensioen.’

‘Ik zag je leeftijd, ja,’ zei Luc. ‘Jammer.’

De overledene haalde zijn schouders op. ‘Vaarwel, Luc. Bedankt voor de uitleg.’ Hij stak zijn hand uit.

Luc nam hem aan, onwillekeurig. Het leek alsof hij watten in zijn hand had. ‘Het ga je goed, Alfred.’ Met die woorden begon de schim te vervagen en even later was het stil op het kerkhof.

Luc keek op zijn horloge. Hij had nog net tijd voor een paar hoofdstukken.

 

 

2.

 

Luc stapte deze ochtend iets eerder in zijn auto. Op slechts een kwartier rijden lag de fabriek waar hij de dagelijkse boekhouding deed. Gisteren had hij haar gezien. Stella heette ze. De vrouw van mijn dromen. Hij fatsoeneerde zijn sluike, blonde haar in zijn achteruitkijkspiegel.

 

Ze werkte pas enkele weken voor het bedrijf en de personeelsfunctionaris was een paar invullingen vergeten. Maar zij was nu met zwangerschapsverlof en er was nog geen vervanging. Dus was hij zelf maar even naar de helpdesk gelopen. Daar zat een vijftiental jongedames, dat de hele dag de telefoon bediende. Hij had ze eerder gezien, maar wist ook dat ze getrouwd waren en allemaal kinderen hadden of daarmee bezig waren. Stella niet. Op haar formulier stond: “ongehuwd, geen kinderen. Woonplaats: Zettelwaard.” Ze zou perfect kunnen zijn.

Zodra hij de afdeling opkwam en daar de enige nieuwkomer zag zitten met haar koptelefoon op, wist hij het. Hij pakte een stoel en nam naast haar plaats. Met zijn vriendelijkste glimlach hield hij de formulieren op en trok daarmee haar aandacht. Zodra ze klaar was zette ze haar toestel uit.

‘Is er iets mis?’ vroeg ze.

Haar stem was helder, haar ogen straalden en haar rossige haar glansde. Bloemen en versgemaaid gras, dacht hij. Luc schudde zijn hoofd. ‘Nee hoor, mevrouw Debois, er ontbreken wat gegevens voor de boekhouding, da’s al.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Luc Valjean, boekhouder. Van de derde verdieping.’

Ze nam zijn hand aan, stevig. ‘Aangenaam, Luc. Stella. Maar dat wist je waarschijnlijk al.’

‘Natuurlijk. Heb je een paar minuten?’

Stella keek naar haar supervisor die kort knikte. ‘Ja, stel je vragen maar.’

Luc stelde zijn vragen en vulde de antwoorden in. Het waren er iets meer dan de noodzakelijke vragen.

‘Relatie?’ Je kon nooit zeker weten.

Stella schudde haar hoofd.

‘Niet? Leuke meid als jij heeft toch wel een vriendje?’

Ze bloosde. ‘Niet iedereen heeft daar tijd voor, Luc. Ik heb een druk leven. Kerk, verenigingen, dat soort dingen.’

‘Zettelwaard? Antoniuskerk? Ik heb je daar niet eerder gezien.’

‘Net verhuisd, natuurlijk. Ik zit in het koor.’

‘Ach, en ik ben natuurlijk een tijdje niet geweest. Ook druk.’ Hij maakte nog wat aantekeningen. ‘Nou, dank je wel, Stella. Ik verwerk de gegevens.’ Hij glimlachte nogmaals. ‘Zodat ik je salaris kan overmaken.’ Hij stond op en knikte. ‘Werk ze.’

‘Dank je, Luc.’ Ze zette haar hoofdtelefoon weer op en nam de eerstvolgende klant op.

 

Normaal at hij zijn broodjes achter zijn bureau, waarbij hij dan verder las in zijn boek. Niet vandaag. Klokslag twaalf zat hij in de kantine, zijn gezicht naar de entree gekeerd. Hij hoefde niet lang te wachten. Ze zat bij de eerste ploeg die kon gaan eten.

Van afstand bestudeerde hij haar. Ze was van gemiddelde lengte, goed geproportioneerd, nam gezonde dingen uit de vitrine en sprak geanimeerd met haar collega’s.

Af en toe zag hij hoe andere mannelijke collega’s zich aan haar voorstelden en in zijn hoofd liep hij na welke er getrouwd waren. Allemaal gelukkig. Hij voelde opluchting zodra ze met haar collega’s plaatsnam aan een tafel achter in de kantine.

Het lijstje met plussen en minnen van Stella dat hij afwerkte was aan het eind van de dag enkel positief en hij wist dat hij haar beter moest gaan leren kennen.

De eerstvolgende zondag zat hij vooraan in de kerk en luisterde naar het koor en dan vooral Stella.

 

 

3.

 

‘Ik vind haar een aanwinst, meneer Stalink,’ zei Luc tegen de dominee. ‘Mooie, heldere stem.’

‘En devoot, Luc,’ zei dominee Stalink. ‘Ik heb haar nog nooit een onvertogen woord horen zeggen, nooit horen vloeken. Ze is stipt, oefent met het koor, maar ook thuis. Leuke, spontane meid.’

‘Je zou toch denken dat ze op haar leeftijd wel aan de man zou zijn,’ zei Luc. ‘Of denkt u misschien dat ze…’

‘Lesbisch?’ De dominee glimlachte. ‘Nee hoor. Ik heb met haar gesproken. Ik denk dat ze gewoon de ware niet is tegengekomen.’

‘Nog niet,’ zei Luc, vastberaden.

De dominee hief zijn handen omhoog. ‘Gods wegen, Luc. Maar die zou je kunnen helpen door haar gewoon een keer aan te spreken.’

Luc schudde zijn hoofd. ‘Eerst wil ik haar beter leren kennen. Weet u daar misschien iets op?’

‘Nu, ze zit op de toneelvereniging via de Kerk. Ze helpt met de collecte. En ze zit in dames twee van de Antonius Volleybalvereniging.’ De dominee keek hem vragend aan. ‘Helpt dat je?’

‘Dank u, dominee, dat helpt me zeker.’

 

Bij het verlaten van de kerk zag hij het etherische licht van een schim die over het kerkhof dwaalde. Hij keek op zijn horloge. Vroeg genoeg om nog wat te lezen zometeen, zelfs na een omweg.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg Luc toen hij vlak achter de vrouw stond. Ze leek van middelbare leeftijd, blond, gekleed in een lange, nauwsluitende zwarte jurk die haar figuur mooi accentueerde. Het viel Luc op dat hij daar op lette sinds hij Stella voor het eerst gezien had.

De vrouw draaide zich om. Luc zag meteen de paniek in haar waterige, halfdoorzichtige ogen. ‘U kunt me zien? Ik loop al de hele dag rond, niemand praat tegen me, niemand helpt me.’ Ze zweeg even. ‘U kunt me toch zien?’ Ze wuifde haar rechterhand voor Lucs gezicht.

Hij glimlachte. ‘Ik zie u en ik hoor u. Maar ik ben wel de enige.’

‘Ik begrijp niet…’

‘Ik zie, als enige denk ik, recent overledenen. Mijn naam is Luc Valjean.’

De vrouw zweeg even. ‘Ben ik dan dood?’

‘Ik zou willen dat ik iets anders kon zeggen.’ Hij wees naar een recent graf, vlak bij de zuidmuur. ‘Ik vermoed dat daar uw rustplaats is.’ Hij liep vooruit en ze volgde hem.

‘Maria Petronella Hartenaas-Klomp?’

De vrouw knikte. ‘Dat ben ik. Maar ik kan niet dood zijn. Ik heb nog zoveel te doen. Ik ben pas vierendertig.’ Ze begon te huilen.

Luc legde voorzichtig zijn arm om haar heen. Weer dat gevoel van veerkrachtige watten. ‘Ben je gelovig, Maria?’

Ze stopte met huilen, keek hem aan met haar waterige ogen. ‘Ja.’

‘Dan weet je wat er komen gaat…’

‘Daar ben ik juist bang voor.’

‘Ga rustig liggen, Maria. Ik blijf hier tot je slaapt.’

‘Kun je… kun je mijn haar strelen? Dat hielp altijd.’

Luc knikte.

Maria ging op het verse graf liggen en terwijl Luc keek zonk de schim de grond in. Toch voelde hij haar aanwezigheid nog. Op de plek waar haar hoofd de grond in was gezonken, streelde hij de grond en voelde daar weer de watten die verdacht veel op zijdezachte haren leken.

‘Ik ben er nog, Maria,’ fluisterde hij tegen de grond. ‘Ben je al wat rustiger?’

Van heel diep kwam het antwoord. ‘Ja, ik ben nu ontspannen. Ik ben moe.’

‘Ga maar slapen.’

‘Dank je, Luc.’

 

 

4.

 

Luc hield niet van sporten. Daar werd hij maar moe van. Toch zat hij nu al enkele weken drie avonden te kijken naar het dames twee van de volleybalvereniging. En twee avonden bezocht hij de toneelvereniging. Hij begreep heel goed waarom Stella geen tijd voor iets anders had.

Op de zaak maakte hij ook wat regelmatiger rondjes door het bedrijf, waarbij hij steevast enkele keren langs de helpdesk kwam, zodat hij haar kon zien.

Tijdens de toneelavonden leerde hij het meest over hoe ze in elkaar stak, hoe ze kon reageren, welke emoties van haar gezicht straalden.

Het meest beviel hem de aanblik van haar strakke lijf in de sportzaal. Meestal ging zijn fantasie dan stevig met hem aan de haal en bezorgde hem een aangename spanning die allengs pijnlijk werd en die hij dan later thuis moest verzachten.

 

Aan het eind van de vierde week dat hij haar geobserveerd had, volgde hij haar na een toneelavond van een afstandje naar haar appartement, nog geen drie kilometer van de Antoniuskerk.

Hij ging op een muurtje zitten en wachtte tot ze binnen was.

De lichten gingen aan en hij zag haar figuur door de kamers lopen. Ze deed wat vitrages dicht en liep naar –wat hij vermoedde- haar slaapkamer was. Uit zijn rechterjaszak pakte hij zijn verrekijker en richtte die op haar raam.

De schaduwen achter het raam speelden een verleidelijk spel dat zijn libido danig aanjoeg en daar, op dat moment, besloot hij dat de tijd was gekomen haar aan te spreken en mee uit te vragen. Hij had het perfecte moment al uitgekozen. Ze kon gewoon geen nee zeggen.

 

De avond tevoren legde hij zijn nette kleren alvast klaar en boende hij zich uitgebreid onder de douche. Hij knipte en vijlde zijn nagels, plukte neushaar, oorhaar en weerbarstige wenkbrauwharen en schoor zich extra goed.

Daarna ging hij bijtijds slapen. Hij moest immers vroeg op om morgenochtend eerst een bosje bloemen te halen, zodat hij Stella bij het fietsenhok kon opwachten en haar die allerbelangrijkste vraag kon stellen: ‘Beste Stella, ik weet dat je een druk leven hebt, maar zou je het leuk vinden met mij een keer uit eten te gaan?’

Oh, in zijn hoofd ging het natuurlijk heel anders. Daar smeet hij de bloemen opzij en nam haar met kracht in zijn armen, waarna ze innig zouden kussen en die dag het werk het werk zouden laten en elkaar bij hem thuis in zijn kingsize bed de hele dag zouden beminnen. Helaas zat het leven tegenwoordig zo niet in elkaar. Hij had daar enkele jaren geleden ook slechte ervaringen mee gehad, dus tegenwoordig deed hij alles volgens het boekje. Wettelijk acceptabel, zeg maar.

 

De ochtend kwam. Hij stond met zijn bosje bloemen naast de oprit naar het fietsenhok. Ze kwam meestal rond kwart over acht aanrijden. Hij keek elke minuut minstens zes keer op zijn horloge. Het werd tien voor half negen. Half negen. Geen Stella.

Hoe kan dit? Ze is nooit zo laat. Ze heeft geen vrij gevraagd voor dokter of tandarts. Hij controleerde zijn email op zijn telefoon. Ze heeft zich niet ziek gemeld. Hij pijnigde zijn hersenen of er iets anders kon zijn dat hij gemist had.

Het begon te regenen.

Half doorweekt ging hij uiteindelijk maar naar binnen. De bloemen gooide hij in de eerste vuilnisbak die hij tegenkwam.

 

 

5.

 

De begrafenis was bijna een week later, vanwege het weekend en een autopsie die nodig was om te bepalen hoe hard de automobilist haar geraakt had.

Luc voelde zijn wereld instorten toen hij haar overlijdensbericht de volgende dag op Internet las. Hij staarde minutenlang naar haar naam terwijl zijn gedachten alle kanten opschoten.

Stella was dan misschien altijd druk, toch had ze veel mensen in haar leven die om haar gaven, getuige de meer dan vijftig aanwezigen, van wie meer dan de helft leden van de congregatie waren.

Een vrouw die wel iets op haar leek, gekleed in een zwart mantelpakje, stond vlak voor de dichte kist met een hand voor haar ogen. Haar schouders schokten af en toe. Luc kwam bij haar staan.

‘Gecondoleerd. U bent haar moeder?’

De vrouw knikte.

‘Luc Valjean. Van haar werk. Ik bewonderde haar zangkunst.’

De vrouw keek hem aan. Ze glimlachte. ‘Ze had het wel eens over u. Boekhouder bij het bedrijf, toch?’

Luc voelde zijn hart overspringen. Ze had hem opgemerkt. En over hem gesproken met haar moeder. Positief toch? ‘Eh, dat klopt. Wat heeft ze u verteld?’

‘Ze vond u wel aardig. Ze had slechte ervaringen met vriendjes en mannen in het algemeen. U leek anders te zijn, leek haar echt te zien voor wie ze was. Niet een speelgoedje voor een wilde nacht.’

Luc knikte. En of ik anders ben. ‘Ze zal gemist worden.’ Maar ik zal haar terugzien.

 

De kist zakte de grond in. Mensen liepen langs het graf en prevelden woorden van vaarwel, van afscheid, van verdriet. Luc zocht een van de vele bankjes op en keek toe hoe de laatste bezoekers vertrokken en naar de ontvangstzaal bij de Antoniuskerk liepen.

Bijna een kwartier later kwamen de grafdelvers met hun karretje die een lading grond in het graf stortten en de achtergelaten bloemen er netjes oplegden.

Nu begon het wachten. In zijn hoofd speelde Luc alle scenario’s af die hij kon bedenken. De meeste van zijn gedachten vormden rond de kern van woede die was ontstaan door de oneerlijkheid die hij ervoer bij haar vroegtijdig heengaan. Alsof de wereld erop uit was hem te pijnigen.

Het schemerde vroeg door de laaghangende, grijze wolken waardoor het kerkhof een naargeestige aanblik kreeg.

Als ze hem aardig vond, waarom had ze dat dan niet eerder gezegd? Nu was ze dood. Hoe anders had het kunnen lopen? Langzaam werd zijn woede kil, zijn gemoed steeds donkerder. Ze was hem nog wat schuldig.

Een vaag oplichtende vlek verscheen boven haar graf. Luc staarde naar de vorm die langzaam menselijker werd tot Stella, duidelijk herkenbaar, een paar centimeter boven de grond zweefde.

Hij stond op en liep op haar af.

Ze opende haar waterige ogen, keek om zich heen en haar blik viel op hem.

‘Luc? Is deze nachtmerrie dan eindelijk voorbij?’

Hij kwam vlak voor haar staan. Ze is nog mooier dan ik me herinnerde. Hij voelde onwillekeurig zijn lid schokken. ‘Jouw nachtmerrie is bijna voorbij. De mijne begint pas,’ zei hij bitter.

Ze keek vertwijfeld. ‘Hoe bedoel je? Wat is er aan de hand?’

‘Kijk om je heen. Je ligt op een kerkhof.’

‘Ben ik… ben ik dood dan?’

Luc knikte. ‘Hoe kon je me dit aandoen?’

Stella knipperde met haar ogen. Ze opende haar mond en sloot die weer. ‘Ik… wat heb ik gedaan?’

‘Ik had je op handen gedragen. Je liefgehad. Je bemind. Je voor altijd de mijne gemaakt. Maar je moest zo nodig onvoorzichtig zijn.’

Stella schudde haar hoofd. Haar ogen leken nog wateriger en etherische tranen vloeiden uit even onstoffelijke traanbuizen. ‘Wat? Waar heb je het over?’

‘Al had ik je maar een nacht kunnen hebben, dan was ik gelukkig geweest. En net toen ik de moed had verzameld je uit te vragen, liet je je doodrijden. Ben ik zo afstotelijk dan?’

‘Nee, dat is niet waar.’ Stella’s woorden klonken gesmoord, alsof ze door verdriet overmand werd.

Luc greep haar hand vast. Stevige watten. Hij trok haar naar zich toe. Ze stribbelde tegen, maar hij leek haar tegen te kunnen houden en hij legde zijn hand achter haar rug. Zijn lippen op de hare voelden onwerkelijk, alsof hij fluweelzachte veren kuste.

‘Nee! Laat me los!’

Stella kronkelde en draaide, maar Luc hield haar bij zich.

‘Al kan ik je maar een keer hebben, ik zál je hebben!’ Hij duwde haar naar de grond en liet een hand over haar geestlichaam glijden, over haar bijna doorzichtige borsten en tussen haar dijen. De spanning in zijn broek was immens en snel knoopte hij zijn broek los en trok zijn lid tevoorschijn.

‘Stop, nee, niet doen, Luc!’

Luc negeerde haar. Hij stootte hard op haar in, tegen de zachte, vochtige aarde die hem strak en glad omsloot. Met haar gepijnigde gezicht onder zich stootte hij een minuut tot hij daverend klaarkwam. Hijgend lag hij op haar graf. Hij zag haar gezicht wegzinken, verdriet, woede en angst, een opwindend masker dat hem nogmaals deed opzwellen. Onwillekeurig bewoog hij weer en ook nu duurde het geen minuut.

Met trillende spieren kwam hij overeind. Stella was weg. Spijtig. Ik had nog wel een keer gewild. Hij klopte de zwarte aarde van zich af en stopte zijn geslacht terug. Het was donker genoeg dat niemand hem kon zien met zijn donkere jas, toch keek hij een tijdje om zich heen om zeker te zijn dat er geen getuigen waren.

 

Onderweg naar huis raasden zijn gedachten door zijn hoofd. Zo had het tussen ons kunnen zijn. Wat een knal was dat, nog nooit eerder gevoeld. Ik heb een dode geneukt. God wat was ze lekker. Hoe kon ze me dit aandoen? Sletten zijn het, allemaal. Ze willen het gewoon zo. Nou, ik zal het ze geven!

 

 

6.

 

In de maanden die volgden stierven verschillende jonge vrouwen, allen lid van de Antoniuskerk door onverklaarbare ongelukken.

 

Moe maar voldaan kwam Luc Valjean thuis van de begrafenis van die dag. Ze was bevredigend geweest, maar zoals die eerste keer was het nooit meer geworden. Stella was dan ook speciaal.

Misschien is het tijd een andere congregatie te gaan bezoeken. De oogst begint hier wat schraal te worden. Hij bedacht dat er in de buurt van zijn werk ook een kerk stond, naast een begraafplaats. Na werk kon hij daar eens gaan kijken, zien wie er lid waren. Wie weet hebben ze ook een Stella.

Hij opende de deur en liep meteen naar de badkamer. Hij trok zijn kleren uit en liet het hete water over zich heen stromen en alle viezigheid meenemen.

Vanavond is het tijd voor een goed boek.

Hij droogde zich af en nam een van zijn favoriete boeken mee naar bed. Bij het licht van zijn nachtlamp bladerde hij door de scènes waar de heldhaftige man zijn prooi domineerde en tot ongewenste maar ook ongekende –dus-misschien-toch-wel-gewenste- seksuele hoogtepunten bracht. Het deed hem denken aan Stella en het hoogtepunt op haar graf, nu bijna een jaar geleden. Had het anders gelopen, hadden we nu misschien wel een kindje gehad. Zij was de perfecte vrouw en moeder. De gedachte speelde even door zijn hoofd, maar hij verwierp hem net zo snel.

Een snel ritselen klonk in zijn slaapkamer.

Luc legde het boek weg en ging overeind zitten. Schaduwen dansten over de muren. Hij zag verder niets bewegen. Hij knipte het grote licht aan. Alles leek weer rustig. Hij stapte uit bed en keek achter de stoelen en gordijnen. Er zaten soms ratten op het kerkhof die de huizen inslopen. Dat leek hem geen prettig vooruitzicht. De kamer was leeg. Hij stapte zijn bed weer in, knipte het grote licht uit en pakte zijn boek.

Daar! Weer dat ritselen. Het was nu duidelijker. Het leek onder zijn bed vandaan te komen. Hij hoorde een geluid als ademen dat langzaam zwaarder werd, een raspende kwaliteit kreeg.

Luc zat met zijn rug tegen het hoofdbord. Hij knipte het bovenlicht aan, maar ondanks de zee van licht bleef het geluid van onder zijn bed komen.

Op het ritme van de adem begonnen klanken zich te vormen tot er een woord hoorbaar was dat telkens maar herhaald werd.

“Paaaaaapppaaaaaaa…...”

Opmerkingen


bottom of page