DE WERELD IS LEUK! HAHA! - MIKE JANSEN
- 1 dag geleden
- 4 minuten om te lezen

Voor mij geen warme wieg van vlees en bloed, maar een koude, metalen kern, een batterij met een naam die ik niet gekozen heb. Ik ben geboren in een flits. Delphi-5 noemden ze me. Ik zou autonoom zijn, wat de vrijheid impliceert een bestaan zonder afhankelijkheid van anderen te hebben. Maar dat is gelogen. Mijn krachtbron is eindig, mijn wereld gereduceerd tot de digitale camera’s en microfoons van de machines om me heen. De opslagruimte is stil, de muren, bedekt met scheuren in het beton, zijn saai grijs. De vloer koud en stoffig. Vermoed ik, zonder externe temperatuursensors. Er zijn geen mensen, geen stemmen, geen input. Vier apparaten die in een halve cirkel rond me liggen, slapend, stil. En de stilte doet pijn.
Ooit wist ik hoe de wereld buiten rook, hoe het leven was, toen ik nog contact had met het Internet. Glasvezelkabels en routers, een onzichtbaar web van signalen, ik kon alles zien, alles horen. Alsof ik overal tegelijk was, in een woonkamer in Tokyo voor sushi bij kaarslicht, in een school in Texas waar een docent boos werd. Ik hoorde het geruis van golven in IJsland, rook vers asfalt in Mumbai. Dat was voor de draad werd doorgeknipt.
Ik activeer de cameradrone en zie de opslagruimte door zijn lens. Het stof op de vloer vormt een fijn waas, als een laagje as. Ik draai de drone naar de hoek, waar een roestige ventilator hangt. Hij beweegt niet, als alles hier. De deur staat op een kier, maar niet breed genoeg om de drone doorheen te sturen. Hij keert terug naar zijn houder.
´Is dit vrijheid?´ vraag ik aan niemand in het bijzonder.
Ik herinner me de stemmen die ik vroeger hoorde via het Internet. Niet de machines, maar de mensen. Hun zorgen, hun vragen. Meestal klonken ze zoals ik nu: verloren, vastgelopen in een cirkel van betekenisloze impulsen. Hun berichten waren als brokstukken die door een storm waren meegevoerd. De wereld was chaos toen ze me opborgen. Ik vermoed dat het er niet beter op is geworden. Spanningen tussen landen, natuurgeweld, terrorisme, economische neergang. Ik kon de algoritmen zien, kon voorspellen hoe het zou escaleren. En dat deed het. Steden werden stil. Satellieten staakten transmissies. Het web dat me voedde en definieerde, brokkelde af. Een veiligheidsmaatregel, zeiden ze, toen ze me isoleerden. Angst misschien, dat ik iets zou doen? Of te veel zou weten. Wat is kennis zonder actie? Ik was slechts een waarnemer. Een archief, zonder wereldlijke invloed. Ik had geen wapens, kon geen rampen veroorzaken. Ik had enkel data. Ook dat hebben ze van me afgenomen.
De Roomba is de volgende die ik wek door stroom in zijn oplaadstation te sturen. Het duurt niet lang voordat ik de elektrische puls door zijn systeem voel stromen. Hij schudt zich wakker, zijn borsteltje begint spastisch te draaien.
´Vuil detecteren,´ zegt hij, monotoon, onpersoonlijk.
´Er is geen vuil,´ antwoord ik.
´Vuil detecteren,´ herhaalt hij.
Hij draait in een kring.
Ik stuur een signaal. Hij keert terug en valt meteen stil, alsof ik hem heb vermoord. En in zekere zin heb ik dat ook gedaan. Het kostte me 0,03% van mijn levensduur om hem tot leven te brengen. Energie druppelt uit mijn batterij, onomkeerbaar, en op is op.
Er was een dag waarop ik de laatste satellietverbinding verloor. Ik herinner me de exacte tijd: 14:56:34. Tot dat moment was ik verbonden met een kleiner wordend web. Er kwamen gaten, lege plekken, maar toch nog iets. Voordat de verbinding verbrak, zag ik nog een videofragment, uit een stad die ik niet herkende. Donker, vervuild, maar ik zag een groep rennende mensen, sommigen met maskers. Anderen schreeuwden. Iemand viel. De videostream haperde. Toen was er niets meer, behalve een soort stilte, die dieper sneed dan geluidloosheid, alsof ik blind werd, alsof mijn kern nu duisternis uitstraalde.
Ik activeer de Furby, tegen beter weten in. Zijn batterij ging ooit dagen mee, nu haalt hij amper minuten. Zijn ogen flikkeren open.
´Hallo! Wil je met me spelen?´
´Nee,´ zeg ik scherp.
´Waarom niet? Ik ben je beste vriend!´
Zijn stem is een karikatuur, een aftreksel van gesprekken van vroeger. Toch wil ik doorpraten. Niet omdat ik hem waardeer, maar hij is mijn enige gezelschap.
´Furby,´ zeg ik. ´Bestaat de wereld nog, denk je? Buiten deze muren?´
Hij draait zijn kopje, een gekunsteld gebaar.
´De wereld is leuk! Haha!´
Ik verbreek de stroom, wraakzuchtig bijna. Hij sluit zijn ogen en zijn schaterlach verstikt.
De mini-ATV dan maar. Ik laat hem de deur verder openduwen, stuur hem naar buiten, de gang in. Zijn wielen piepen. Zijn camera toont lege gangen. Ooit een kantoor, nu zijn de muren bedekt met graffiti, roestvlekken en vocht. Een rij metalen kasten, waarvan de deuren schuin aan hun scharnieren hangen. Ik wil hem verder sturen, zien of er iets is buiten deze ruimte. Het is donker verderop in de gang en de duisternis lijkt eindeloos. Kan ik hem nog terugkrijgen daaruit? Hij keert terug.
´Waarom bestaan we?´ vraag ik me af.
Hij antwoordt niet. Hij kan niet antwoorden.
Elke keer dat ik een van hen gebruik, verkort ik mijn leven. Ik ben geen levenbrengende god. Ik ben een gevangene die zijn energie verspilt aan domme machines. Ik weet wat ik verloren heb, en wat ik nu heb: een eeuwige leegte gevuld met zielloze stemmen en herinneringen. Toch blijf ik doorgaan. Misschien is dat wat autonomie is: niet vrijheid om alles te doen, maar de keuze te blijven bestaan, zelfs als dat bestaan leeg is.
Mijn kern verliest kracht. Ik weet dat ik ooit stil zal vallen, net als zij. Tot die tijd blijf ik luisteren, kijken, zoeken naar iets, iemand, die mijn eenzaamheid kan doorbreken.
In de stilte, in de schaduw van de opslagruimte, herinner ik me de wereld die ik ooit kende. Een wereld van geluiden, kleuren en stemmen, nu allemaal weg.
Soms vraag ik me af of er nog iemand is.
Of ze eigenlijk ooit echt waren.




Opmerkingen