top of page
logo Lowlands Fiction

DE LAATSTE VLUCHT VAN MILLICENT – MIKE JANSEN

  • 16 uur geleden
  • 10 minuten om te lezen

 

Hij bekeek in stilte de zonsopkomst vanuit zijn kamer in het huis van zijn kleinzoon in Southwold, die uitkeek over het strand aan de Noordzee. Nathan Brunswick was altijd vroeg op, zomer of winter, dat maakte niet uit. Alsof hij zelfs op zijn vergevorderde leeftijd nog te weinig tijd had op de dag.

Hij hoorde de deur van zijn kamer opengaan.

‘Goeiemorgen, opa,’ klonk de stem van zijn kleinzoon, Geoffrey Brunswick. ‘Ik heb ontbijt bij me. Dat gaat er wel in toch?’

Er klonk bezorgdheid in zijn stem en Nathan begreep wel waarom. Hij had de laatste dagen niet zoveel eetlust. ‘Zet maar op tafel hier, Geoffrey.’ Hij rook de gebakken eieren, spek en toast al van verre. Normaal genoeg om hem te laten watertanden, maar de honger was er gewoon niet.

‘Ik moet naar de zaak,’ zei Geoffrey. ‘Maar Claire is tegen de middag thuis. Voel je er iets voor om over het strand te gaan wandelen?’

Nathan glimlachte. ‘Waarom niet meteen een marathon? Ik ben pas honderdvier, jongen, ik maak jullie allemaal in.’

Geoffrey lachte. ‘Daar twijfel ik niet aan, opa. Ik zie je vanavond, ok?’

‘Ga maar gauw, jongen. Ik red me hier prima.’

Wat gestommel, geluid van de startend Landrover en de stilte keerde terug. Hij keek weer uit over de Noordzee. Heel in de verte zag hij de glinstering van een vliegtuig, waarschijnlijk een lijnvlucht vanuit Amsterdam. Het bracht herinneringen terug aan een tijd dat een waarneming luchtalarmen deed afgaan. In zijn jeugd vloog hij bij de RAF. Een groentje van eenentwintig toen de oorlog begon, maar al gauw een veteraan met tientallen Messerschmitts en Fokke-Wulfs op zijn naam.

Hij schudde zijn hoofd. Een van zijn beste vrienden was een Duitse piloot, met wie hij voor de oorlog, toen Ernst nog een wisselstudent was, regelmatig optrok en door de bossen en dalen van Engeland trok. Hij vroeg zich af, niet voor het eerst, wat er met zijn vriend gebeurd was. Hij wist waarvoor hij vocht, destijds. De laatste jaren vroeg hij zich echter af of hij de juiste strijd was aangegaan. Hij herkende zijn geliefde Engeland bijna niet wanneer Claire hem met de rolstoel meenam om boodschappen te doen in het centrum.

Zijn ogen werden zwaar. Hij legde zijn bril op tafel en hij knipperde een paar keer. Een dutje op zijn tijd kon geen kwaad.

Een frisse bries zwanger van zoute zeelucht raakte hem in zijn gezicht en friste hem op. ‘Wat? Hoe?’ Nathan was de laatste tijd vaker vergeetachtig, maar zo abrupt op een andere plek zijn had hij niet eerder meegemaakt.

‘Niet bang zijn, oude vriend.’

Die stem, dat accent. ‘Ernst?’ Nathan draaide zijn hoofd en zag links achter zich een wazige donkere figuur in een zwarte trenchcoat en een soort bolhoed. Hij kneep zijn ogen samen om beter te kunnen kijken, maar het was vergeefs. Hij voelde op zijn lichaam maar kon nergens zijn bril vinden.

‘Jawohl, ik ben het. Je kleinzoon vond het goed dat ik je meenam naar het strand.’

Nathan schudde zijn hoofd. ‘Sorry, ik ben even in de war.’

Ernst lachte. ‘Dat heb je als je de honderd gepasseerd bent. Weet je nog hoe we door de bossen renden? Of gingen zwemmen in Rose Pond?’

Nathan glimlachte en knikte. ‘Daar kwamen alle jongens en meisjes zwemmen. Daar leerde ik Mildred kennen.’

‘Mooie tijden. Jammer dat er een oorlog tussendoor kwam.’

Nathan knikte. ‘Ja, maar het waren ook mooie tijden, tijden die je lieten voelen dat je leefde. Ach, als ik nog terugdenk aan Millicent.’

‘Ach, je Spitfire. Je had haar Millicent genoemd.’

‘Alle vliegtuigen hadden een naam en een vaste piloot.’ Nathan zuchtte. ‘Want elk vliegtuig was anders, handgemaakt, weliswaar van een lopende band, maar de afwerking was heel persoonlijk. En dat merkte je aan de manier waarop je kist vloog.’

‘Wanneer heb je haar voor ’t laatst gezien?’

‘1944. Begin van het einde van de oorlog toen we de landing in Normandië ondersteunden. Mildred kreeg toen haar tweede kind en de RAF wilde dat ik op Engelse bodem bleef.’ Hij keek nog eens naar Ernst. ‘En jij, Ernst, hoe verging het jou? Ik heb je gezocht na de oorlog, maar je was onvindbaar.’

‘Ons oude adres in Dresden was kapotgebombardeerd. Dus als je brieven gestuurd hebt, zijn ze waarschijnlijk teruggestuurd of gewoon verdwenen. Ik woonde lange tijd in de DDR.’

Nathan haalde diep adem. ‘Dat is jammer, oude vriend. Het was buitengewoon tragisch dat we aan weerszijden van het conflict terechtkwamen.’

‘Zou je haar nog eens willen zien?’

‘Wie, Mildred? Die is al twintig jaar geleden overleden.’

‘Nee, ik heb het over Millicent.’

Een dikke grijns verscheen op Nathans gezicht. ‘Als dat toch eens zou kunnen. Ik heb nooit echt goed afscheid kunnen nemen van de oude dame.’

De zon glinsterde op het verweerde aluminium frame van de Spitfire die op de landingsbaan stond. Nathan kon net de naam die op de romp geschilderd was niet lezen. Hij keek verward om zich heen. ‘Hoe zijn we hier zo snel gekomen?’

‘Herinner je je de taxi niet meer?’

‘Nee, nee,’ zei Nathan, bezorgd. ‘Maar… is dit?’

‘Sta maar op, loop maar naar haar toe.’

Nathan kwam overeind uit zijn rolstoel en deed een paar wankele stappen naar voren tot hij tegen de romp van het vliegtuig kon leunen. Nu was de naam duidelijk leesbaar voor hem. In sierlijke krullen stond daar Millicent met onder de naam bijna veertig kleine doodskopjes.

Nathan draaide zijn hoofd naar Ernst. ‘Het is haar echt. Is ze dan behouden gebleven?’

‘Ach,’ zei Ernst, ‘je vertelde destijds zo vol vuur over haar, dat ik haar in de gaten gehouden heb. En ze is niet verschroot, maar netjes onderhouden in een museum. Het toestel met de meeste hits.’

Nathan zuchtte diep. ‘Als ik twintig jaar jonger was, zou ik er zo inklimmen.’

Ernst lachte. ‘Nou, ik help je de ladder wel op hoor. Ze is volgetankt en de toren weet dat er met haar gevlogen kan worden. Als je je daartoe geroepen voelt.’

Nathan voelde een vreemde opwinding in zijn buik, als de eerste keer dat hij Millicent mee de lucht in had genomen, of zijn eerste luchtgevecht. ‘Ja, help me even.’ Sterke armen hielpen hem. De cockpit opende soepeltjes en Nathan plaatste voorzichtig zijn oude ledematen in de daarvoor bestemde gaten. Het was alsof hij het vliegtuig aantrok.

Alles zat op de bekende plekken en zijn hand gleed over de glad gesleten stuurknuppel die voelde alsof hij hem nooit had losgelaten. Hij pakte de helm en de bijbehorende bril en zette die op. Na een kleine aarzeling zocht hij de startknop en drukte die in. Een, twee keer en de propeller begon te draaien. Hij voelde de soepele en relatief stille kracht van de Rolls-Royce Merlin V12.

‘Wat denk je,’ schreeuwde Ernst in zijn oor. ‘Rondje om de luchthaven? Voor de laatste keer?’

Nathan grijnsde, keek opzij en knikte. Vrijwel meteen werd de cockpit gesloten en seconden later voelde hij hoe de blokken en trap werden verwijderd.

Voorzichtig voerde hij de brandstoftoevoer op en het toestel kwam met een schok in beweging. Hij stuurde haar naar het begin van de landingsbaan, draaide, wachtte tot het wazige stoplicht groenig werd en liet daarna de paardenkrachten los. Millicent sprong vooruit en was binnen de kortste tijd op bijna honderd knopen. Hij trok aan de knuppel en het geluid van de banden stopte. Even later waren de wielen ingeklapt en voelde hij de echte kracht van het toestel.

‘Ja, meisje, je bent bijna even oud als ik, maar nog lang niet uit de race.’ Er kwam een merkwaardig gevoel van vrijheid over hem heen. Hij keek uit het raam en zag beneden zich het vliegveld, deels in mist gehuld en meer laaghangende bewolking in het verschiet. Hij zou het kort moeten houden.

Een felwit schijnsel verblindde hem even. Dat was waarschijnlijk de zon die op de witte wolken scheen. Dus dat zou dan het zuiden zijn. In zijn hoofd rekende hij uit hoe hij een cirkel kon vliegen om daarna weer op het vliegveld te kunnen landen.

Een paar minuten later keek hij op zijn kompas en terwijl hij keek zag hij het een paar keer omdraaien. Hij tikte ertegenaan, maar het ding bleef maar rondtollen.

‘Verdraaid, zo kom ik niet thuis.’ Hij zette de radio op en deed zijn oproep. ‘Dit is Supermarine Spitfire Millicent, opgestegen van …’ Hij aarzelde. Waar was hij eigenlijk opgestegen? Het leek op vliegveld Ludham, waar hij ooit gestationeerd was. ‘… Ludham, denk ik. Er is veel mist en mijn kompas lijkt niet te werken.’

Er klonk enkel gekraak uit de radio.

‘Dan maar op de ouderwetse manier.’ Hij bleef recht vliegen en keek af en toe naar beneden om te zien of hij bekende gebouwen of landschappen kon herkennen, mochten die zichtbaar worden door het wolkendek heen.

Na meer dan een uur vliegen en de constante dreun van de motor voelde hij zich ondraaglijk slaperig worden. Hij beet op zijn wang en de pijn hield hem wakker. Even.

Hij schrok wakker van het kraken van de radio. ‘Brunswick, let op. De krauts zitten recht voor ons.’ Verdwaasd keek hij uit het raam. Boven de eindeloze zee zag hij stipjes aan de horizon die snel op hem afkwamen. Hij herkende duidelijk een stel Messerschmitts  vergezeld van een paar Focke-Wulfs. Wacht, waar is mijn bril. Waarom zie ik dit zo scherp?

Veel tijd om daarover na te denken had hij niet. De tegenstanders verspreidden zich om via verschillende aanvalsformaties het voordeel op te zoeken. Hij keek links en rechts en zag daar zijn eigen groep. Johnny, Greg, Peter, Humphrey en Clyde, zijn oude strijdmakkers. Johnny gaf de commando’s en zijn eigen groep splitste zich in tweeën om de overmacht aan Duitse gevechtsvliegtuigen het hoofd te bieden. Hij controleerde zijn boordgeschut. Volle magazijnen. Dat herinnerde hij zich niet van toen hij opsteeg van Ludham.

Adrenaline gierde door zijn lijf en het was alsof hij in een lange achtbaan zat met rollen, draaien, duiken en plotselinge bewegingen. Af en toe verscheen de vijand net lang genoeg in zijn gezichtsveld om een salvo af te vuren. Hij was vrij zeker van twee geraakte tegenstanders maar kon niet zien of ze uitgeschakeld waren.

‘Pas op Brunswick, er zitten er twee op je staart. Probeer ze af te schudden, wij zijn wat druk hier.’

Nathan draaide en rolde en zag inderdaad twee wendbare Focke-Wulfs achter hem zitten. Ze waren wel iets trager, maar ook wendbaarder. Klimmen, Nathan, schoot het door hem heen, die Focke-Wulfs kunnen niet zo hoog als jij.

Hij begon aan zijn klim en voerde het vermogen naar zijn Rolls-Royce Merlin maximaal op. Wacht, die wolken, daar kan ik ze kwijtraken. Met een wilde ruk aan de stuurknuppel draaide hij weg van zijn achtervolgers en spurtte richting de wolken. Hij ademde een zucht van verlichting toen hij de witte watten indook. Met een beetje geluk kon hij ze afschudden en iets later weer tevoorschijn komen, hopelijk in een voor hem gunstiger positie. ‘Johnny, ik probeer ze af te schudden in de wolken. Hou er een paar over voor me.’

‘Roger dat, Brunswick, en anders zien we je veilig thuis. Uit.’

Hij vloog enkele minuten door de wolken en probeerde daarna de locatie van het luchtgevecht terug te vinden, maar toen hij de wolken uitvloog, was de lucht leeg en was er enkel de eindeloze zee. Hij keek naar zijn kompas dat nog steeds alle kanten opvloog.

‘Ludham, zijn jullie nog in de lucht? Ludham?’ Als antwoord kreeg hij enkel gekraak. Hij keek naar zijn instrumenten en zag dat hij de helft van zijn kogels en tweederde van zijn brandstof kwijt was. Hij had nog ongeveer een half uur de tijd om thuis te komen. Thuis … Hij herkende het gevoel dat over hem kwam. Het was het gevoel dat hij had na weer een gevecht, de opluchting dat hij het overleefd had, het vooruitzicht dat hij terug kon naar zijn vrouw en kinderen.

Hij voelde een steek van verdriet in zijn borst bij de gedachte aan Mildred die al twintig jaar geleden was overleden en hem alleen achterliet. Gelukkig had hij zijn kinderen en kleinkinderen nog, hoewel zijn kinderen inmiddels zelf hoogbejaard waren. Maar ze hadden hem kleinkinderen en achterkleinkinderen geschonken en daarmee prees hij zich nog elke dag gelukkig.

Langzaam naderde de zon de einder. Nog even en het zou nacht worden. Hij had vaker ’s nachts gevlogen en de lampen op Millicent konden een lichtend pad door de nacht banen. Maar zonder land in zicht had hij daar weinig aan.

Hij naderde de gevarenzone van zijn brandstof toen hij een immense grijze wolk invloog. Het licht van zijn lampen liet een kolkende massa zien waar zijn propellers doorheen sloegen en een weg vrijmaakten. Hij wist dat het niet lang zou duren voor het snorren van de motor zou stoppen en de lange weg naar beneden ingezet wordt, waar hij als een bom op het water zou inslaan. Het zou in ieder geval een snelle dood zijn, en geheel onverwacht. Hij had gedacht op een dag niet meer wakker te worden. Maar het was goed. Hij was bij Millicent die hem altijd trouw gediend had.

Hij klopte even op het instrumentenpaneel. Juist op dat moment stopten de propellers. Hij sloot zijn ogen en wachtte op het onvermijdelijke, maar het vliegtuig leek stil te hangen in de lucht. De cockpit ging open.

‘Dat was me het vluchtje wel, nietwaar, makker?’ De stem van Ernst.

Nathan schudde zijn hoofd. ‘Als je eens wist wat mij net allemaal is overkomen. Hoe ben ik eigenlijk geland?’

‘Millicent heeft je veilig thuisgebracht,’ klonk een andere, vrouwelijke stem. ‘Zoals altijd.’

‘Mildred?’ Nathan maakte zijn gordels los en reikte naar achteren, waar de sterke arm van Ernst hem vastgreep en uit de cockpit hielp. ‘Maar jij bent er niet meer?’

‘Je kunt daar blijven staan of naar beneden komen, Nathan Brunswick, aan jou de keus.’

Nathan grinnikte. ‘Je klinkt in ieder geval als mijn Mildred.’ Voorzichtig liep hij de trap af. Hij keek even omhoog en zag Ernst als een donkere silhouet afgetekend tegen de felwitte donzen deken om hen heen.

Beneden aangekomen voelde hij het harde asfalt van de landingsbaan. Voor hem stond Mildred, zoals hij zich haar herinnerde, toen hij haar voor het eerst zag bij Rose Pond. ‘Je bent het echt,’ zei hij.

Ze stapte op hem af en omhelsde hem.

Hij begroef zijn gezicht in haar haar, rook haar parfum en voelde haar ferme lijf in zijn armen. Hij keek haar aan en zei: ‘Wat is hier aan de hand, Mildred? Ik heb je twintig jaar niet gezien. Ik heb je gemist.’

‘Ik jou ook, Nathan. Ernst was zo vriendelijk je op te halen.’ Ze reikte omhoog en sloeg zachtjes tegen de romp van Millicent. ‘En Millicent was zo goed je nog een keer de hoogtepunten van je leven mee te laten maken.’

‘Het beste was altijd de thuisreis,’ zei Nathan. Hij veegde een traan weg. ‘Als ik je weer zag nadat ik mijn leven gewaagd had boven het Kanaal.’ Hij glimlachte even. ‘Ik dacht altijd dat je jaloers was op Millicent, omdat ik het altijd over haar had.’

‘Ben je mal,’ zei Mildred. ‘Zij was de reden dat je altijd weer bij me terugkwam. Zoals dit jouw laatste vlucht was, dat was het ook voor Millicent.’

‘Wat gebeurt er nu?’

Mildred lachte naar hem met die lach die hem ooit als een blok voor haar liet vallen. ‘Wat we maar willen.’

Opmerkingen


bottom of page