top of page
logo Lowlands Fiction

DE TAPIR AAS – DEJO

  • 28 mei
  • 7 minuten om te lezen

 

Hercusieus had de kaart nooit eerder gezien. Dat wist hij zeker. Drieënveertig jaar lang had hij geklaverjast. Eerst met zijn vader, later met zijn makker Vertonno, en soms, als het niet anders kon, met vreemden in het dorpscafé dat de klanten ‘De Geschonden Schoppen’ noemden, al stond er op de gevel iets heel anders.

 Hij kende elk gezicht van elke kaart. De boer met zijn scheve blik. De vrouw die altijd leek te glimlachen alsof ze een geheim wist. De heer die eruitzag als een mislukte notaris.

 Maar deze kaart was nieuw.

 Hij lag tussen de schoppen, alsof hij er altijd al was geweest. Hercusieus zat alleen aan de keukentafel, de rest van het spel uitgespreid over het gebloemde tafelkleed dat zijn vrouw Minerval ooit had geërfd van haar grootmoeder. Buiten viel de regen in verticale lijnen, precies zoals hij het leuk vond: voorspelbaar, rechtlijnig, zonder verrassingen.

 De tapir keek hem aan.

 Niet zomaar een tapir. Twee tapirs, met hun ruggen tegen elkaar, vormden het middelpunt van de kaart. De ene keek naar links, het verleden in, besefte Hercusieus plotseling. De andere naar rechts, de toekomst tegemoet. Hun slurfachtige neuzen leken te trillen, alsof ze iets besnuffelden dat voor mensen onzichtbaar bleef. De achtergrond was geen zwart of wit zoals bij gewone kaarten, maar een diepe, vloeiende tint die veranderde als hij zijn hoofd bewoog. Soms leek het blauw, dan weer okergeel, en bij het schemerlicht van de keukenlamp zelfs groenachtig.

 Hij had het kunstwerk gekregen van zijn dochter Fiorinde die het in opdracht had laten maken. De kunstenaar had er maanden aan gewerkt en het was een speciaal cadeau voor zijn vijftigste verjaardag. Een complete set kaarten, met tapirs in plaats van de gebruikelijke symbolen. Fiorinde wist hoe dol hij was op die dieren. Ooit, op een familie vakantie in een ver land, in een oude dierentuin, had een tapir zijn hand gelikt en haar vader was nooit meer dezelfde geweest.

 Maar de tapir-aas bestond niet. Of misschien bestond hij wél, maar dan alleen op plekken waar niemand durfde te kijken. Fiorinde had de kunstenaar iets toevertrouwd, iets over haar vader en zijn stille liefde voor tapirs. Ze had gezegd dat die beesten erin moesten, dat het schilderij zonder hen niet compleet zou zijn. Hoe en wat, dat mocht de kunstenaar zelf bepalen. Maar toen de kunstenaar zijn ideeën met haar deelde, had ze geaarzeld.

 ‘Een aas is heilig,’ zei ze, maar haar stem klonk anders dan ze bedoeld had. Alsof iemand anders door haar heen sprak. Alsof de woorden niet van haar waren.

 Ze wist nog steeds niet of de kunstenaar had geluisterd.

 Toch lag hij daar. De Tapir Aas.

 Hercusieus durfde hem niet aan te raken. Hij pakte zijn telefoon en belde Vertonno.

 Zijn vriend nam op met de fronsende stilte van iemand die net een zin van een taleninstituut aan het ontleden was. Vertonno was altijd bezig met zinnen ontleden. Het was zijn beroep en zijn vloek.

 ‘Er is een nieuwe kaart,’ zei Hercusieus.

 Aan de andere kant van de lijn viel een lange stilte. Hij hoorde Vertonno ademen, diep en langzaam, zoals hij altijd deed vlak voordat hij iets wijs ging zeggen.

 ‘Er zijn geen nieuwe kaarten,’ zei Vertonno uiteindelijk. ‘Het spel is vierendertig jaar geleden voltooid. De klaverjas is een gesloten systeem.’

 ‘Deze is er wel.’

 ‘Heb je gedronken?’

 Hercusieus keek naar het glas rode wijn naast zijn elleboog. Het was zijn derde. Of vierde. Het was moeilijk tellen als de tapirs je aankeken.

 ‘Niet meer dan normaal.’

 ‘Jouw normaal is het coma van een ander,’ zei Vertonno. Maar er zat iets in zijn stem wat geen spot was. Iets dat klonk als de bereidheid om te geloven. Vertonno was filosoof. Filosofen geloven graag in dingen die niet bestaan, zolang ze er maar een mooie theorie over kunnen bedenken.

 ‘Draai hem om,’ zei Vertonno plotseling.

 ‘Wat?’

 ‘De kaart. Draai hem om. Misschien staat er iets op de achterkant.’

 Hercusieus aarzelde. Zijn vingers, die duizenden keren kaarten hadden geschud en gedeeld en geslagen, trilden toen hij de Tapir Aas oppakte. De kaart voelde warmer dan hij mocht zijn. Warmer dan een stukje karton uit een doosje kón zijn.

 Hij draaide hem om.

 En de wereld veranderde.

 De tapirs waren weg.

 In hun plaats dansten twee zwanen, hun halzen verstrengeld in een beweging die Hercusieus ergens van kende. De zwanendans, schoot het door hem heen. Uit het Zwanenmeer. Hij had het ooit gezien met Minerval, in een tijd dat ze nog naar van alles gingen. Tussen de zwanen in zwommen twee jongen, hun dons nog grijs en pluizig.

 Boven de zwanen zweefden zeven bruine bonen. Ze bewogen langzaam van links naar rechts, alsof ze door een onzichtbare wind werden voortgedreven.

 Zeven bruine bonen.

 Hercusieus telde ze nog een keer. Zeven. Precies het aantal kleinkinderen dat hij had. Hoe wist de kaart dat? Hoe kon een stukje karton weten dat er zeven levens waren die uit de zijne waren voortgekomen, zeven takken aan de stam van zijn bestaan?

 Hij dacht aan Bartje. Aan dat boek dat hij als jongen had gelezen, over die jongen uit Drenthe die niet voor bruine bonen bad. Hij had het nooit begrepen, dat verhaal. Bruine bonen waren toch lekker en gezond? Zijn moeder maakte er soep van, met rookworst en prei. Maar Bartje weigerde.

 Ik bid niet voor bruine bonen, zei hij, en het hele dorp was geschokt.

 Waarom dacht hij hieraan? Waarom nu?

 De bruine bonen op de kaart begonnen te draaien. Ze vormden een cirkel boven het huis dat onder hen was verschenen, een huis met luiken en een rieten dak, precies zoals dat ene huis in Frankrijk. De Dordogne. De zomers van zijn jeugd. De zon die altijd scheen en de lucht die kraakhelder blauw was, zo blauw dat het pijn deed aan zijn ogen.

 En toen, tussen de bonen door, dook een hond op. Niet zomaar een hond. De hond van de buren, bespikkeld met groene en blauwe stippen, alsof iemand de sterrenhemel van Vincent van Gogh had gevangen en op zijn vacht had uitgestrooid. Naast hem lag een kat, eveneens bespikkeld, lichtgroen en lichtblauw. Hercusieus herkende zijn eigen werk. De penselen waarmee hij, de jongen van toen, die stippen had geschilderd, stonden nog altijd in een pot op de vensterbank. Stoffig en zwijgend. Een stille getuige. De straf die hij had gekregen was allang vergeten; alleen de stippen waren gebleven.

 Hij rook de lavendel ineens, alsof er een veld naast zijn keuken was opengebloeid. Hoorde het zachte geritsel van de luiken in de wind, het geluid van zijn vader die beneden koffie zette en zijn moeder die riep dat hij zijn tanden moest poetsen.

 Tranen prikten achter zijn ogen.

 Hij was daar geweest. Hij was daar, in dat huis, en hij zocht op het kleine strand naar bruine steentjes. Gladde, ronde steentjes die de rivier had afgeslepen. Hij verzamelde ze in een jampotje en nam ze mee naar huis, waar ze jaren op zijn kamer hadden gestaan tot zijn moeder ze weggooide omdat ze er niets meer aan vond.

 Bruine steentjes. Bruine bonen. De echo van het een in het ander.

 Hercusieus besefte dat hij huilde. De kaart trilde in zijn handen, of trilden zijn handen? Het was alsof de tijd was opengebroken en alle versies van hemzelf, de jongen op het strand, de vader met jonge kinderen, de man die hij nu was, door elkaar liepen in één groot, kleurrijk moment.

 Aan de onderkant van de kaart rolden twee witte linten uit. Zo wit als pasgevallen sneeuw. Ze bewogen niet, lagen stil tegen de achtergrond, maar Hercusieus wist wat ze betekenden. Hij wist het zonder dat iemand het hem vertelde.

 Zijn levensbanden. Nog helemaal leeg. Zijn toekomst, nog ongeschreven.

 Aan een nieuw hoofdstuk moest nog worden gewerkt.

 Hij dacht aan Minerval. Aan hoe ze hem elke ochtend een zoen gaf voordat ze naar haar werk ging, aan hoe ze samen naar de markt liepen op zaterdag, aan hoe ze naast hem in bed lag en ademde als een tevreden kat. Zij was zijn tapir. Zijn stille, trouwe tapir die met hem meeliep door de jaren.

 Maar er was meer. De linten waren niet alleen voor haar. Ze waren voor alles wat nog komen moest. De reizen die ze nooit hadden gemaakt. De boeken die hij nog moest lezen. De wedstrijden die hij nog zou winnen met Vertonno, of verliezen.

 Het ging niet om winnen of verliezen, besefte hij plotseling. Het ging om de slagen. De kleine avonturen.

 Hij legde de kaart op tafel, tussen de anderen in. De schoppenboer keek hem aan met zijn scheve blik. De vrouw glimlachte. De heer fronste als een mislukte notaris.

 Maar de Tapir Aas overstemde ze allemaal. Hij lag daar alsof hij er altijd was geweest en er altijd zou zijn. Een stille gids naar het verleden, de toekomst en alles wat nog kwam.

 

De volgende ochtend belde Vertonno terug.

 ‘Ik heb er de hele nacht over nagedacht,’ zei hij. Zijn stem klonk schor, alsof hij niet had geslapen. ‘Over wat je zei. Over die kaart.’

 Hercusieus zat aan de keukentafel met een kop koffie. De Tapir Aas lag nog precies waar hij hem gisteren had neergelegd. In het ochtendlicht zag hij er anders uit. Gewoner. Bijna alsof het gewoon een kaart was.

 ‘En?’ zei Hercusieus.

 ‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei Vertonno. ‘Er zijn nieuwe kaarten. Er zijn altijd nieuwe kaarten. Het spel is nooit af als wij blijven spelen.’

 Hercusieus glimlachte. Buiten scheen de zon. De lucht was kraakhelder blauw, precies zoals in Frankrijk, precies zoals in zijn herinnering.

 ‘Kom je vanmiddag spelen?’ vroeg hij.

 ‘Ik ben er om twee uur,’ zei Vertonno. ‘En Hercusieus?’

 ‘Ja?’

 ‘Ik bid ook niet voor bruine bonen.’

 Ze lachten allebei. Hercusieus verbrak de verbinding en keek naar de kaart op tafel. De tapirs stonden er weer op, met hun ruggen tegen elkaar. De ene keek naar links. De andere naar rechts.

 Maar heel even, heel even maar, dacht hij dat de linker tapir knipperde.

 Hij schonk nog een kop koffie in, schoof de kaarten bij elkaar, en wachtte op zijn vriend. Buiten zongen de vogels. Binnen zweefden zeven bruine bonen door de keuken, maar Hercusieus deed alsof hij het niet zag.

 Sommige dingen hoef je niet te begrijpen. Sommige dingen hoef je alleen maar toe te laten.

 De Tapir Aas lag tussen de schoppen, en voortaan was geen spel meer gewoon.

 

Opmerkingen


bottom of page