DE VEGETARIËR - ROXANNE BORGMAN
- 4 dagen geleden
- 11 minuten om te lezen

Stef stoof de koffiekamer in en klapte in zijn handen net of iemand een peper in zijn reet had gedouwd. Ik keek met een zucht naar Pieter, die met zijn ogen rolde en snel een slok van zijn koffie nam. Als er vandaag net zoveel zieken waren als gisteren, dan kon hij die koffie meteen weer in de goot dumpen.
‘Beste dames en heren,’ zei Stef, die even leek te vergeten dat hij niet op een podium stond, maar het tegen vier uitgebluste en onderbetaalde medewerkers van een supermarkt had. ‘Jennifer, Odelia, Mart en Oliver zijn helaas nog steeds ziek, dus we moeten het weer even anders doen vandaag.’
Ik belette mezelf om nog meer te zuchten. Als ik maar niet weer bij de broodafdeling hoefde te staan. Werken met Anna was een hel. Ze was de beul die elk moment je hoofd kon afhakken.
Stef wees naar Pieter. ‘Jij gaat vandaag bij de broodafdeling staan.’
Pieter haalde zijn schouders op. Niet dat hij veel kans maakte als hij ertegenin ging. Stefs wil was wet in dit filiaal. Het was nooit: ‘Wil jij…?’. Het was altijd: ‘Jij gaat’.
Maurice moest vandaag achter de kassa werken – die stak diens duim op en keek niet op van diens telefoon – en Emma zou Odelia’s werkzaamheden overnemen.
Emma racete ervandoor alsof ze haar pensioen bij de zuivelafdeling kon afhalen.
Stef keek naar mij. ‘Dan ga jij bij het vlees werken.’
Wat? Bij het vlees werken? Echt niet. Ik schraapte nog liever poep van de muren met mijn blote handen.
Stef draaide zich al om; hij verwachtte natuurlijk geen tegenspraak.
‘Ik wil daar niet werken,’ zei ik.
Hij draaide zich om en kantelde zijn hoofd. ‘Pardon?’
‘Ik ga niet bij de vleesafdeling werken. Ik ben vegetariër. Kan ik niet met Emma ruilen?’
Stef lachte. ‘Wat boeit mij het nou dat je vegetariër bent? Het enige wat je hoeft te doen is het vlees aansnijden en in een verpakking doen en in de middag vlees uitdelen aan de klanten. Ik vraag je geen vlees te eten, dus overdrijf niet zo.’
‘Ja, maar…’
‘Nou, dan zie ik het probleem niet.’
Een tiran die het probleem inzag, dat zou nieuw zijn na vijf jaar getreiter.
‘Aangezien je het niet begrijpt, zal ik het je haarfijn uitleggen. Ik wil geen vlees voeren aan mensen. Het gaat in tegen mijn principes.’
Pieter fronste zijn wenkbrauwen en seinde met zijn hoofd naar de deur. ‘Doe nou gewoon wat hij zegt, Deborah,’ fluisterde hij.
‘Nee. Ik weiger.’
Stef zuchtte. ‘Dan is er maar een manier om dit op te lossen.’
‘Niet bij het vlees werken?’ vroeg ik.
‘Integendeel. Of jij doet wat ik zeg, of jij bent op staande voet ontslagen.’
Maurice hapte naar adem en keek voor het eerst sinds de binnenkomst op van diens telefoon.
Emma stak vanaf de gang haar hoofd de hoek om.
‘Dat kun je niet maken,’ zei ik scherp.
‘Wil je het soms proberen?’ Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ga je gang. Doe vooral niet wat ik zeg en zie wat er gebeurt.’
Er viel een stilte waarin iedereen mij aankeek. Bleef ik vasthouden aan mijn standpunt, of ging ik de held uithangen en mijn baan verliezen? Hoe erg ik Stef en deze baan ook haatte, zonder geld kon ik mijn studie wel op mijn buik schrijven.
Ik sloeg mijn ogen neer en mompelde: ‘Ik ga wel bij het vlees werken.’
Alleen al het snijden van de worst deed me kokhalzen. Arm varken.
Toen ik klaar was liep ik met het bord naar mijn standje bij de vleesschappen. Daar zette ik een glimlach op die me van binnen opvrat, en ik vroeg de klanten of zij onze nieuwe vleesproducten wilden uitproberen.
Een oudere vrouw met rollator en een vriendelijk gezicht reikte met een bibberende hand naar een stukje dood dier. Wist ze dan niet dat dit dode varken met twintig andere varkens in een klein hokje had gezeten?
Een jonge vrouw voerde een stukje worst aan haar dreumes in de kinderwagen. Wist ze dan niet dat de varkens elkaar aanvielen omdat er te weinig ruimte was en dat ze vervolgens aan hun poten naar de slachtkamer werden gesleept alsof ze niets voorstelden?
Een jongen met koptelefoon op pakte niet één maar meteen drie plakjes worst. Wist hij dan niet dat het varken een elektrische schok kreeg of werd vergast zodat het zijn bewustzijn verloor?
Emma snelde langs, stopte, draaide zich om, pakte snel een stukje worst, zette een glimlach op, en snelde er weer vandoor. Wist ze dan niet dat daarna zijn halsslagader werd doorgesneden en hij op de kop werd gehangen om uit te bloeden?
Emma kwam weer terug, pakte het laatste stukje worst en met een grijns, alsof ze ervan genoot, stopte ze het langzaam in haar mond.
Ik smeet het bord op de grond.
‘Jullie zijn moordenaars!’
Emma’s beweging stokte.
‘Hoe kunnen jullie nou genieten van het vlees van dit dode dier?’
Pieter, die even verderop bij het brood stond, kwam meteen achter zijn kassa vandaan.
‘Hebben jullie dan geen gevoel? Wat als ik jullie zou vermoorden en in stukjes op dit bord zou leggen? Zouden jullie er dan alsnog van kunnen genieten?’
Een echtpaar fronste hun wenkbrauwen en liep hoofdschuddend voorbij.
Een jongen achterin riep nog: ‘Houd je bek gestoord wijf!’
Emma, die als een standbeeld voor mij stond, spuugde het stukje worst uit op de grond en keek vol walging naar mij. Naar míj, nota bene!
‘Wat kijk je naar me?’
Ik ging voor haar staan en maakte mij groot.
‘Hypocriete boomer!’
Pieter pakte mijn arm en lachte nerveus. ‘Beste klanten, mijn excuses voor dit ongemak. Mijn collega is wat ziekig vandaag en ze is niet helemaal zichzelf.’
Wat probeerde hij dit te bagatelliseren? Ik was júíst mezelf!
‘Vlees is moord!’ riep ik met mijn vuist omhoog terwijl Pieter me naar achteren sleepte.
In de koffiekamer zette hij me op een stoel.
Het was duidelijk te zien dat hij naar woorden zocht. Uiteindelijk riep hij gewoon: ‘Holy shit, Deborah! Wat bezielt je?’
Moest ik iets wat overduidelijk was nog gaan uitleggen én verantwoorden?
‘Wat míj bezielde?’ Ik wees naar de deur. ‘Die mensen zijn moordenaars!’
Hij opende zijn mond om wat te zeggen, maar toen marcheerde Stef de kamer in.
‘Oké, wie heeft mijn klanten moordenaars genoemd omdat ze een stukje worst namen?’ Hij zette zijn handen op zijn heupen. ‘Nou?’
Voor iemand die vroeg naar ´wie´, keek hij wel meteen mijn kant op.
‘Ik zei toch dat je me daar niet moest plaatsen,’ zei ik. ‘Het gaat tegen mijn principes in. Ik hoor als vegetariër nou eenmaal bij de groentenafdeling te werken.’
Stef zuchtte en daarbij bracht hij zijn hand naar zijn voorhoofd.
‘In hemelsnaam, Deborah. Ik denk dat het niet met je principes te maken heeft, maar met je verstand.’
Zijn hand zakte.
‘Steeds meer krijg ik het idee dat je misschien… hulp nodig hebt.’
‘Hulp?’ stootte ik scherp uit. ‘Ík heb hulp nodig? Wie slacht hier de dieren en wie eet ze op? Ik niet hoor.’
Pieter schudde zijn hoofd. ‘Dat je in je vrije tijd spandoeken bij fastfoodketens ophangt moet jij weten, maar hier kun je geen activist zijn, Deb.’
‘Nee, hier moet ik loonslaaf zijn.’
Stef wees naar me. ‘Je gaat nú naar huis. Ik wil dat je nadenkt over wat je vandaag hebt gedaan en morgen doe je je best.’
Wat? Moest ik morgen wéér bij de vleesafdeling werken? Deze man had zelf hulp nodig.
Voordat ik überhaupt kon protesteren, snelde Stef de kamer uit.
Ik balde mijn vuisten en deed erg mijn best om geen stoel om te schoppen.
Pieter zei: ‘Je hebt geluk gehad. Ik zou er mijn huis op hebben gewed dat hij je zou ontslaan.’
Allemaal loze dreigementen.
‘Blijkbaar gaat dat toch niet zo gemakkelijk als hij ons wil laten geloven.’
Ik pakte mijn vest van de kapstok naast de koelkast.
‘Ongelooflijk dat hij me morgen weer bij de vleesafdeling laat werken.’
Die man had het gewoon op mij voorzien.
‘Vindt hij het leuk om mij te tergen of zo?’
‘Ik denk dat hij je een lesje wil leren.’
‘Een lesje?’
Ik schopte een stoel om.
‘Ik zal hém eens een lesje leren.’
Stef was elke dag steevast om zes uur al in de winkel. Alleen. Om zeven uur kwamen de leveranciers om de producten uit te laden. Als Mirjam niet kon om de groenten uit te laden, was ik het die om half acht daarbij hielp.
Ik haalde de sleutel van de achterdeur uit mijn zak en ging langzaam naar binnen.
Niemand te zien. Goed.
De deur naar zijn kantoor stond op een kier.
Stef keek naar de vrachtwagens uit het raam en dronk een dampende kop koffie.
Zachtjes sloop ik richting de kamer.
Eenmaal binnen sloot ik de deur met een harde klap.
Stef draaide zich met een ruk om. De koffie gleed over de rand van zijn beker op zijn witte overhemd.
‘Hè verrek.’
Met een klap zette hij zijn beker op tafel.
‘Wat doe jij hier zo vroeg?’
Ook goeie morgen.
Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik kom gewoon alvast wat voorbereidingen treffen voor de nieuwe vleesproducten die we vandaag gaan aanbieden.’
Zijn wenkbrauwen trokken samen.
‘Welke nieuwe vleesproducten?’
Hij trok zakdoekjes uit de tissuebox op zijn bureau en depte ermee op de koffievlek op zijn overhemd.
‘Ik kan me niet herinneren dat –’
Ik haalde het broodmes onder mijn jas vandaan.
Stef stokte zijn beweging en slikte.
‘Wat gaan we daarmee doen, Deborah?’
Hij lachte en zijn stem sloeg over toen hij zei:
‘Het brood aansnijden?’
‘Ik kom mijn nieuwe vleesproducten halen.’
Ik kwam dichterbij.
‘Ik noem ze vleesvingers.’
‘Vlees… vingers?’
Stef keek langs mij heen naar de deur.
‘Probeer bij die deur te komen en je bent dood.’
Zijn gezicht verkrampte.
Ik wees naar de stoel met mijn broodmes.
‘Ga zitten.’
‘Deborah.’
Hij gooide de inmiddels vochtige tissues op tafel.
‘Als dit over gisteren gaat. We kunnen er vast wel uitkomen. Als je niet meer bij de vleesafd–’
‘Ga zitten!’
Hij keek me aan. Emoties vlogen over zijn gezicht en ik herkende ze allemaal: angst, twijfel, walging, woede.
Ik liep langzaam naar hem toe, het mes op hem gericht.
‘Ik zeg het nog één keer…’
Vlak voor het bureau bleef ik staan.
‘Ga zitten.’
‘Je bent ziek,’ zei hij zacht. ‘Ik wist dat je een gefrustreerd mens was, maar…’
Mijn hand trilde.
‘Júllie zijn ziek! Júllie zijn moordenaars.’
Hij hield zijn hand op en ik zag dat die ook trilde.
‘Geef me het mes, Deborah, en we praten er nooit meer over. Jij neemt je ontslag en loopt de deur uit. Dit is nooit gebeurd.’
Ik glimlachte flauwtjes.
‘Dat is het hele probleem, hè, Stef? Het wegkijken. Doen alsof het nooit is gebeurd.’
‘Deborah, denk nou toch na.’
‘Ik dénk na, Stef.’
Voor het eerst in mijn leven dacht ik echt na.
‘Dankzij jou.’
Ik zou hem een trofee moeten geven voor beste manager. Maar ik had een ander cadeau voor hem.
Met een snelle haal schoot het mes naar zijn hand.
Zijn huid scheurde uiteen en bloed stroomde in een vaart uit de wond.
Ik grijnsde toen Stef met een gedempte schreeuw zijn andere hand op de wond drukte.
Hij keek me aan: zijn grote ogen trilden.
Ik wees opnieuw naar de stoel.
‘Ga zitten.’
Hij ging meteen zitten.
‘Leg je handen op tafel.’
‘Deborah… Alsjeblieft. Mijn aanbod… geldt nog steeds.’
Hij trok een pijnlijke grimas.
Het bloed stroomde over het bureau, over de facturen en de pakbonnen van de vleesgroothandel.
‘Ga weg en kom nooit meer terug.’
‘We zijn dat stadium al voorbij, Stef.’
‘Alsjeblieft.’
‘Genoeg gesmeekt!’
Met een klap liet ik het broodmes op tafel neerkomen. Het lemmet bleef in het tafelblad steken.
‘Leg je handen op tafel.’
‘Deborah, alsjeblieft,’ probeerde hij weer en hield zijn handen in elkaar geklemd net of hij ze daarmee kon redden.
Tranen gleden over zijn wangen.
Het lukte. Hij was aan het breken.
Mijn plan eindigde officieel hier, maar de euforie was te groot, te sterk. Ik moest de wereld veranderen.
‘Huilen helpt niet.’
Ik nam het mes van tafel.
‘Denk je dat de slachters luisteren naar het gehuil van de dieren in het slachthuis?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Het is zo normaal geworden dat ze niets meer voelen. Persoonlijk kan ik me niet voorstellen dat iemand zo gewetenloos is om dat werk te kunnen uitvoeren, maar blijkbaar zijn er zieke mensen die er tegen kunnen en er nog geld mee verdienen ook.’
‘O Deborah, God, ja. Je hebt gelijk. Het is verschrikkelijk. Als er iets is wat ik kan doen om de dieren te helpen, dan…’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Dat meen je niet. Dit is alleen maar de angst in jou die praat. Je geeft niets om die dieren. Negenennegentig procent van de bevolking geeft niets om die dieren. Het is tijd om die negenennegentig procent een lesje te leren. Nu, leg je handen op tafel.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Doe wat ik zeg!’
Ik streek vlug en krachtig met mijn mes over zijn schouder.
Stef schreeuwde.
Donker bloed kwam onder zijn lichtgrijze colbert vandaan.
‘Leg verdomme je handen op tafel of ik vermoord je!’
Trillend legde hij zijn handen op tafel.
‘Spreid je vingers.’
Hij spreidde snikkend zijn vingers.
‘Deborah, alsjeblieft!’
‘Het is dit of doodgaan.’
Ik bracht het mes naar voren.
‘Jij zieke teef!’
Met een ruk schoten zijn handen naar voren.
De klap tegen mijn kaak deed me achteruitwijken.
Ik verloor mijn balans en tuimelde achterover op de vloer.
Stef kwam overeind, duwde het bureau aan de kant en snelde langs mij heen richting de deur.
Nog net wist ik zijn rechterbeen te grijpen.
Hij probeerde zich vast te klampen aan de deurklink, maar vergat dat bloed en glad metaal een glibberige combinatie vormden en gleed weg.
Ik kroop naar hem toe.
‘Ook goed,’ zei ik. ‘Dan sterf je alsnog én neem ik je vingers. Twee vliegen in een klap.’
Maar, net zoals de dieren in het slachthuis, gaf Stef zich niet zo gemakkelijk over.
Ik schoot naar voren met mijn mes.
Stef probeerde het tegen te houden met zijn vrije, gezonde hand, maar het bloedverlies moest hem hebben verzwakt, want ik duwde zijn arm met een simpele douw weg.
Toen legde ik mijn mes tegen zijn keel.
‘Slaap zacht, klein lam.’
Tegen acht uur kwam Pieter naar me toe.
‘Hè, gaat het weer een beetje?’
De koekenpan achterin siste op hoog vuur.
Met de vleesstang draaide ik de vingers om zodat ze gelijkmatig zouden bruinen.
‘Neuh. Ik vind het vreselijk hier, maar dat is volgens mij geen verrassing.’
‘Ja, dat had je gisteren wel duidelijk gemaakt.’
Met een glimlach en een ongemakkelijk lachje:
‘Ik bedoelde meer: je hebt toch niet uit frustratie wat varkens laten ontsnappen uit de dichtstbijzijnde stal of zo hè?’
Ik keek hem een moment aan en toverde toen een glimlach op mijn gezicht.
‘Nee, joh. Zó extreem ben ik nu ook weer niet.’
Ik gooide de tang op het aanrecht en veegde mijn bloederige handen af aan mijn schort.
‘Ik ben blij als deze dag voorbij is. Dan hoef ik nooit meer op deze afdeling te werken.’
‘Denk je dat Stef daarmee akkoord gaat?’
Ik knikte ferm.
‘Ik heb net nog een hartig woordje met hem gesproken. Hij bood zijn excuses aan en beloofde dat ik nooit meer op deze afdeling hoefde te werken.’
Pieter fronste.
‘Zei hij dat echt?’
Hij floot.
‘Dat had ik niet van hem verwacht.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Wat een beetje overtuiging wel niet kan doen.’
Ik nam het grote bord van het aanrecht en liep ermee naar de pan.
Het bord had ik aangekleed met rucolablaadjes en doorgesneden snoeptomaatjes. Het zou er straks uitzien alsof het gerecht rechtstreeks werd geserveerd vanuit een driesterrenrestaurant.
‘Wat ben je aan het maken?’
‘Vleesstengels.’
Met de vleestang had ik al vijf stengels op het serveerbord gelegd.
‘Wil je er eentje proeven?’
Hij keek naar de overige zwartbruine stengels in de pan.
‘Het lijken net worstjes. Wel jammer dat de een kleiner is dan de ander.’
‘Wel hè? En tja, dit zijn proefmonsters van de nieuwe leverancier.’
Ik bewoog de stengels heen en weer in de pan. Geen idee of dat nut had, maar het voelde nuttig om ze in beweging te houden.
‘Ik moet Stef laten weten hoe ze smaken en of ze de klanten tevredenstellen.’
Ik haalde lichtjes mijn schouders op.
‘Je weet wel. Zo’n enquêteformulier invullen en zo. Heel gedoe.’
‘En ik dacht dat ze moordenaars waren?’
Pieter pakte een vork uit de besteklade, haalde een bord uit de bovenste kast en legde een stengel op zijn bord.
‘Dat zijn ze ook.’
Ik legde de rest van de stengels op het bord naast de pan en draaide het gas uit.
Pieter trok een wenkbrauw op.
‘Je bent echt gestoord, Deborah. Het ene moment maak je iedereen uit voor moordenaars en het volgende moment vind je het allemaal wel best.’
Hij nam een hapje van de vleesstengel.
Lachend duwde ik hem tegen zijn schouder.
‘Het komt vast door mijn menstruatie.’
Ik maakte een wegwerpgebaar.
‘Dan ben ik altijd wat wisselvallig.’
‘Het smaakt naar kip,’ zei hij smakkend, genietend. ‘Een beetje taai, dat wel. En er mag wel wat meer zout en peper op, maar het smaakt niet verkeerd.’
Mijn glimlach ging over in een grijns.
‘Ik zal het doorgeven aan Stef. Dan mag hij beslissen of hij nog een bestelling doet of niet.’




Opmerkingen