DE ROUTE DIE NIEMAND ZAG - JOHANNA BREDEVELDT
- 5 apr
- 6 minuten om te lezen

Ik zal je een verhaal vertellen. Kom iets dichterbij, of nee, maakt niet uit, maar als je te ver zit hoor je alleen de woorden en dat is niet genoeg, want het zit niet in de woorden zelf, meer in wat er net langsheen schuift en blijft plakken zonder dat je het meteen doorhebt.
Ze zeggen hier nog steeds dat dit de mooiste dag van het jaar is, en als je het plein oploopt snap je waarom, althans, in het begin, want alles beweegt tegelijk, stemmen lopen door elkaar, iemand lacht te hard, er valt iets, een mandje, plastic eieren rollen over stenen en iemand roept dat het niks geeft. Mensen staan dicht op elkaar, jassen raken elkaar steeds, je voelt die lichte duw in je zij als iemand langs wil, koffie dampt en ruikt bitter en zoet tegelijk, en daaronder hangt iets vochtigs van gras dat nog niet droog is. Je schoenen zakken een beetje weg, niet veel, maar net genoeg dat je het voelt in je enkels, en iedereen kijkt naar voren, behalve of ik denk dat ik dat zag, iemand die er tussendoor beweegt zonder echt mee te doen, meer glijdt, alsof hij niet naar hetzelfde kijkt. Toen zag ik dat niet. Of ik lette er niet op, dat kan ook. Ik stond aan de rand, zoals altijd eigenlijk, handen diep in mijn jaszakken, vingers tegen de voering gedrukt omdat die kou daar blijft hangen, en ik keek gewoon, zonder iets te zoeken. Het begon klein. Of misschien was het er al en zag ik het pas later, dat kan ook, want er gebeurt genoeg tegelijk om iets te missen.
´Blijf een beetje hier,´ hoor je ergens, half lachend, maar er zit iets scherps onder.
´Niet het bos in, hoor je me?´
´Terugkomen als je mandje vol zit.´
Ze luisteren niet echt. Ze gaan al voordat het klaar is, voeten die loskomen van de grond, modder die opspat tegen hun benen, armen die takken wegduwen zonder te kijken waar ze grijpen. Ze bewegen door elkaar heen, botsen bijna, bukken plotseling, komen weer omhoog met iets in hun hand en rennen alweer verder alsof dat ene ei meteen weer niets is. De eieren liggen overal. Al, overal ja, maar het klopt net niet, of nee, dat dacht ik pas later, toen ik al te lang stond te kijken. Ze zijn te fel voor dit licht, dat viel me op, alsof ze niet horen bij hoe de lucht eruitziet op dat moment, en ze glanzen nog, terwijl sommige al half onder bladeren liggen die koud en nat aanvoelen als je ze optilt. Andere zitten tegen wortels gedrukt of verstopt in gras dat langs je benen schuurt en soms blijft hangen aan je broek. En toch zat er iets op. Ik zag het niet meteen, of misschien wel maar ik negeerde het eerst. Een teken. Op elk ei. Dun, niet strak, een lijn die een beetje trilt alsof de hand die het maakte even stilhing, of aarzelde, of gewoon moe was. Het is geen sticker, dat zie je meteen, en ook geen stempel want het is nergens precies hetzelfde. Ik bleef kijken. Te lang misschien. Misschien daarom dat het me opviel, of nee, dat klinkt alsof het een keuze was, maar dat was het niet helemaal. Eerst dacht ik nog dat het erbij hoorde, dat iemand iets nieuws had bedacht, iets kleins waar kinderen later over zouden praten, maar mijn blik bleef daar niet hangen. Die schoof. Naar de kinderen. En daar, ergens daar, zat iets wat niet klopte, niet groot, eerder iets dat net naast het zicht valt, in hoe ze draaien, hoe ze stoppen en weer doorgaan zonder echt te zoeken. Ze liepen anders. Niet meteen, niet allemaal tegelijk, maar het verschoof. Ze bewogen niet meer zomaar, niet zoals in het begin toen alles alle kanten op ging. Hun stappen begonnen zich te trekken, langzaam, bijna onzichtbaar eerst, weg van het midden waar iedereen stond, langs de huizen waar ramen openstaan en stemmen naar buiten lekken, verder richting de rand waar het stiller wordt. Ze volgden iets. Denk ik. Of, nee, hun lichamen deden dat gewoon, zonder dat ze het doorhadden. Voeten kwamen neer op plekken die… ja, die al eerder gekozen leken, alsof iemand daar al had gestaan. Eerst nog dichtbij. Dan verder. Het zat goed in elkaar. Te goed. Er was een meisje, ik hoorde haar naam ergens, scherp geroepen, alsof iemand haar al kwijt was voordat hij het doorhad. Lotte. Ze viel niet op zoals de rest, niet door snelheid of lawaai, maar doordat ze bleef hangen, haar hoofd draaide vaker, haar hand schoof takjes opzij en bleef daar even, alsof ze voelde in plaats van keek. Ze bukte waar anderen doorliepen, haalde dingen uit plekken die, ik had ze zelf niet gezien. En zo ging ze verder. Ik merkte dat eigenlijk pas toen ze er al bijna was, toen het eigenlijk al te laat was om nog te doen alsof het niet gebeurde. Niemand hield haar tegen. Ik zag het niet. Geen arm, geen stem die haar echt terughaalde, geen voetstappen achter haar. Iedereen keek ergens anders. Dat gaat snel. Te snel. Iemand denkt dat iemand anders kijkt en dan, niemand. Er trok iets door mijn lichaam, niet echt een gedachte, meer iets fysieks, mijn adem die hoger kwam, mijn schouders die zich vastzetten zonder dat ik ze aanspande. De eieren lagen niet zomaar, dat werd ineens duidelijk, niet omdat iemand het zei, maar omdat het niet meer anders kon als je bleef kijken. Ze vormden, iets. Geen lijn, niet echt, meer een richting die steeds duidelijker werd als je hem bleef volgen, alsof je achteraf ziet waar je al liep. Niet terug. Verder. Het bos in. Ik begon te lopen. Ik denk dat ik dat gewoon deed zonder erover na te denken, mijn voeten zo neerzettend dat ze zo min mogelijk geluid maakten, maar je hoort het toch, dat droge breken onder je zool. Rennen kwam niet eens in me op. Of misschien wel, maar het voelde verkeerd. Ik hield mijn tempo laag, voelde mijn adem tegen mijn ribben, hoorde hoe het geluid achter me wegviel en voor me, dunner werd, ja, dat is het woord. En daar lag dat ei. Ik wist niet meteen wat er anders aan was, alleen dat het niet klopte met de rest, de kleur was minder fel, de glans weg, en dat teken erop was groter, slordiger, alsof er minder moeite was gedaan om het netjes te houden. Ik keek eroverheen. Bleef hangen. En toen, pas toen, zag ik wat erachter lag. Het gras was plat. Niet gewoon plat, maar langer, alsof er iets had gelegen, of iemand, en de lucht daar voelde… stil, ja, maar anders stil dan normaal, alsof het geluid er niet doorheen kwam. Te stil. Mijn lichaam reageerde voordat ik iets kon denken, mijn handen sloten zich, mijn rug trok strak, mijn adem bleef ergens halverwege hangen. Ik zei haar naam niet. Mijn keel voelde droog, alsof ik dat wel wilde maar het niet lukte. Ik keek verder. En toen zag ik het mandje. Scheef. Half in het gras gedrukt. De rand vuil. Eieren eromheen, sommige kapot, verf die uitloopt en in het natte gras trekt en aan mijn schoenen blijft plakken als ik dichterbij kom. En toen, het ging niet netjes, iets brak open. Mijn adem schoot omhoog, te snel, borst strak, handen die niet stil bleven, vingers die zich aanspanden zonder dat ik ze kon stoppen. Nee, nee dit, dit ligt hier niet, te ver, te stil, dit is niet net, Mijn hoofd ging alle kanten op tegelijk, beelden die over elkaar heen vielen zonder volgorde, stukken die niet pasten maar wel bleven. Iemand was hier. Niet net. Niet vandaag. Ik voelde mijn kaken op elkaar drukken tot het pijn deed en ik merkte het pas toen ik ze probeerde los te krijgen.
Het duurde, ik weet niet hoe lang, voordat mijn adem weer iets zakte, maar de plek veranderde niet, de lucht bleef zwaar, alsof hij daar bleef hangen. Wat daar lag voelde oud. Niet oud in tijd, maar in hoe het daar lag. Ik keek terug, richting het plein, maar zag alleen bomen, geen beweging, geen kleur die daar nog bij hoorde. En ergens schoof er iets, niet helder, meer alsof het al die tijd al zo lag. De paashaas staat daar elk jaar, midden op het plein, groot pak, zachte stof die langs mensen schuurt, een masker dat alles hetzelfde maakt als je ernaar kijkt. Mensen tikken hem aan, lachen, zetten hun kinderen naast hem.
´Leuk dat je dit doet.´
Dat zeggen ze. Altijd. Ik zie hem staan. Hij beweegt niet. Hij zoekt niet. Hij staat daar gewoon. En kijkt.
Sindsdien, ja, dat is een groot woord misschien, maar het voelt anders, het plein, hoe je voeten neerkomt, hoe geluid net iets langer blijft hangen voordat het wegzakt. De eieren liggen er nog, kinderen rennen nog, alles gebeurt nog. Alleen mensen, ze draaien sneller. Blijven langer kijken. Alsof ze weten dat er iets kan liggen wat je mist als je te snel bent.
Dus als je ooit een ei vindt dat niet klopt, waar iets op staat dat je niet herkent, en je vingers voelen dat het anders is, ruwer, alsof het er al langer ligt dan het zou moeten, laat het. Niet oppakken. Niet volgen. Gewoon laten. Sommige dingen, … die liggen daar niet voor niets.




Opmerkingen