top of page
logo Lowlands Fiction

CARLOS EN DE KAART – FINN AUDENAERT

  • 17 apr
  • 11 minuten om te lezen

‘Égalité: bez buldirabiz!’ (‘Gelijkheid: wij kunnen dat!’) 

 

nationaal motto van Bruatië, trots lid van de Frans-Russische federatie

 

‘De kaart is wel degelijk het gebied.’ 

 

Albrecht Korzabska (2012-2131), hoofdaandeelhouder van LLCI, Bruatisch staatsbedrijf met

winstoogmerk

 

In de boomgaard woekerde een schroothoop van verroeste voertuigen. Carlos opende moeizaam het portier. Zijn arm deed verdomd pijn. Het bloed drupte over zijn afhangende hand op het dak. Hoezo, op het dak? Langzaam liet hij zijn blik langs de vormeloze metalen hoop naar beneden glijden. Het duurde een hele tijd voordat hij erin slaagde om te focussen op wat hij zag. Onder hem bevonden zich twee autowrakken. Zelf zat hij ook in een ingedeukte auto. De rechterzijde van de motorkap was helemaal verfrommeld. Dat moest een grote klap geweest zijn. Het waren Ladas Samara Nouvelles, stuk voor stuk. Die autospiegels zag hij dagelijks; hij herkende ze blindelings. Hoe belandde een redelijk iemand als hijzelf, een deugdelijk vakbondsman zelfs, in een wankele toren van tot schroot herleide auto’s? De initialen LLCI dwarrelden door zijn hoofd. Iets met Lenin. Maar niet zoals vroeger, vóór de Frans-Russische federatie. Nee, anders … Beter? Het zweet parelde op zijn voorhoofd; denken vergde een enorme inspanning. Lenin Lada Capitalist Inc. Dat was het. Werkte hij voor dat bedrijf? Verder kwam Carlos voorlopig niet. Hij moest hier weg. Op de begane grond kon hij dit zonderlinge voorval wellicht beter analyseren.

  In zijn haast om de situatie onder controle te krijgen, zwaaide hij een been uit de auto en verloor daarbij bijna zijn evenwicht. Met zijn ongeschonden hand grabbelde hij achter zich naar het hoofdeind van de autostoel. Oef, beet. Carlos’ borstkas ging snel op en neer. Zijn door de mangel gehaalde arm schrijnde nog steeds. Nu pas voelde hij hoe moe hij was. Hoelang was hij buiten westen geweest? En vooral, hoe in hemelsnaam was hij op dit autokerkhof terechtgekomen?

  Hij speurde de omgeving af en zag tot zijn stomme verbazing dat op het terrein uitsluitend Ladas Samara Nouvelles gestapeld stonden, in hoopjes van drie, vier, soms vijf exemplaren. De haren op zijn armen gingen rechtop staan: in elke auto zat een chauffeur. Collega’s? Niemand bewoog. Dit moest een nachtmerrie zijn, het kon niet anders. Kort daarna verloor Carlos het bewustzijn.

  Een pijnscheut trok door zijn lijf. Hij werd wakker en greep naar zijn arm. Tot zijn ontzetting hing hij half uit de auto. Enkel de gordel verhinderde zijn val. Vooral niets overhaast doen, flitste het door zijn hoofd. Hij ging weer op de autostoel zitten en tastte in zijn broekzak. Godzijdank zat zijn smartphone waar hij hoorde te zitten. Carlos’ vreugde was echter van korte duur. Hij had geen bereik. Op het schermpje stonden louter symbolen die hij niet herkende.

  Daar zat hij dan, verslagen. Carlos zuchtte diep. Weer was er tijd verstreken – hoeveel? Ach, hier raakte hij nooit meer weg. Waarom zou hij zelfs maar proberen om de Lada te verlaten? Hij staarde apathisch naar het stuur. De felle witte kleur van de leeggelopen airbag deed pijn aan zijn ogen. Airbags … die hadden ze willen afschaffen. Langzaam kwamen de herinneringen terug.

  ‘Tovarisches, geen airbags tegen meerprijs in deze concurrentiële markt, geen airbags tout court. Kameraden voeren verstandig handel.’

  Dat was het devies van het management geweest. Besparen op de kleintjes, en een vleugje Russisch en Frans toevoegen aan de lingua franca, om de boel chic en patriottisch te laten klinken. Zo deden ze dat in Bruatië, waar de franc-roebel het alfa en omega was.

  Als er jobs in zijn geliefde Faumerije voorhanden waren geweest, had Carlos niet getwijfeld. De economie van zijn thuisland was ingestort na de oneerlijke handelsverdragen met de grote buur in de federatie. Carlos spuwde op het stuur. Het speeksel gleed naar beneden, even traag maar onvermijdelijk als de neergang van Faumerije. O, wat haatte hij het om, net zoals zoveel landgenoten, net als heel wat collega’s bij LLCI, uitgebuit te worden door die arrogante Bruatiërs.

  Zonder zich er echt van bewust te zijn, balde Carlos zijn handen tot vuisten, wat meteen pijn deed. Hij opende zijn linkerhand: een en al bloed. Dit keer voelde de pijn anders. Hij verwelkomde het gevoel. Nee, hij mocht vooral niet opgeven. Hij moest uitzoeken waarom zijn collega’s – dat het om vrienden op de werkvloer ging, daar werd hij almaar zekerder van – en hijzelf hier waren beland.

  Op het moment dat hij de gordel wilde losmaken, werd zijn aandacht opnieuw getrokken door de airbag. Het wit van de vormeloze zak leek nu roodachtig. Hoe vreemd. Carlos keek door de voorruit omhoog. De lucht was bruinrood. Was dat daarnet ook al zo? Hij pijnigde zijn hersenen. Helaas, zijn geheugen liet hem alweer in de steek. Misschien ging het gewoon om avondrood. Hij boog naar voren en bestudeerde de lucht. Zijn nek deed al gauw pijn. Nee, voor een zonsondergang leek de kleur te intens … te dreigend. Zijn adem stokte. Hij ontwaarde duistere slierten aan de hemel. Smog, dat moest haast wel! Meer donkergroen dan grijs. Indien het werkelijk om rookmist ging, dan was er veel meer luchtvervuiling in het spel dan hij gewend was. Op zoek naar een verklaring gingen zijn gedachten plots alle kanten op. Even meende hij zelfs dat hij zich niet meer op de Aarde bevond. Was hij op Mars beland? Een rode hemel, een groene aurora … Als een mens drie Ladas Samara Nouvelles hoog zat, leek elk antwoord plausibel.

  Hij schudde het hoofd. Langzaamaan begreep hij dat het enkel de schok was, de schok van de botsing. De groene gloed rondom Mars kon je enkel vanuit de ruimte zien, toch? Niet vanop Mars zelf. Beelden van een documentaire die hij ooit had gezien, flitsten door zijn hoofd. Raar hoe het geheugen werkte. De avond viel; de zon ging stilaan onder – meer was er niet aan de hand. Hij moest zich concentreren op wat er eerder was gebeurd, daar lag de sleutel. De weg die hij met de auto had afgelegd, herinnerde hij zich nog vaag. Hij was met zijn stokoude bedrijfswagen gecrasht, zoveel was duidelijk. Die auto’s waren ruim twee decennia geleden Nouvelles geweest. Had zijn auto het simpelweg begeven onderweg? Carlos haalde enkele malen diep adem en inspecteerde zijn gekwetste arm, die in een rare hoek in zijn schoot lag, naast de nutteloze smartphone. Gebroken, ongetwijfeld. Al dat nadenken had hem in elk geval van de pijn afgeleid.

  ‘Wees kritisch voor kameraden en sta paraat voor vrienden.’ Die vakbondsleuze, waaraan het management van LLCI een hartgrondige hekel had, klonk in Carlos’ hoofd, eerst nog stil, dan steeds luider. Hij moest denken als een afgevaardigde van de grootste vakbond van de auto-industrie. De enige vakbond, verbeterde hij zichzelf. De ontbonden vakbond, corrigeerde hij zichzelf nogmaals.

  ‘Wees kritisch,’ zei hij luidop. Zijn stem weergalmde op de stalen karkassen. Carlos vermande zich en maakte zijn gordel los, schoof op naar de rand van de auto en tastte met zijn voet het autodak onder zich af. Het leek stabiel, maar er stak net een wind op. Papieren vlogen uit de wagen langs hem heen. Bijna verloor hij zijn evenwicht.

  ‘Sta paraat,’ klonk het in zijn hoofd. Uiterst voorzichtig ging hij op het dak staan. De wind blies door zijn rosse krullen, stierf dan weg. Carlos rustte even, draaide zich om en liet zijn been zakken tot het half openhangende portier van de middelste auto. Zijn voet voelde iets zachts. Hij schrok, roetsjte uit en belandde meters verder op de grond. Alles werd zwart.

  Toen Carlos bij bewustzijn kwam, voor de derde keer al vandaag, was de zon bijna onder. Boven de einder hing nog één boze donkerpaarse streep. Hij gaapte naar de hemel. Het was volle maan, maar slechts drie vierde van wat hij zag, had de vertrouwde geelwitte tint. Het laatste kwart was glinsterend zilvergrijs en deed daadwerkelijk aan metaal denken. Zag hij … lijnen in dat deel? Wat was hier aan de hand? De sterren fonkelden wel als vanouds.

  Zijn hele lijf deed nu pijn, zo fel dat hij bijna de breuk in zijn arm vergat. In het maanlicht zag hij hoe uit het portier van de tweede Lada een lijkbleke hand stak. Carlos huiverde. Hij was uitgegleden over het stoffelijk overschot van een lotgenoot.

  Een rat kwam vanonder een autowrak geslopen en keek hem brutaal aan. Carlos staarde het dier in de buitenproportioneel grote ogen. Het beest ontblootte zijn tanden, rende op hem af en trok aan zijn aan flarden gescheurde mouw. Met veel moeite sloeg Carlos het rotdier met zijn goede arm van zich af. Het maakte een ongewoon hoog geluid en schoot weg onder een auto.

  Een eerste regendruppel viel. Carlos ging tegen een Lada zitten. Diens bovenbuur helde een beetje over, maar gelukkig niet te veel. Enkel Carlos’ benen en voeten werden nat. Wacht eens even … Toen had het ook geregend! Hij was met hoge vaart op de Б-36 naar de landsgrens met Bruatië gereden, toen hij plots slipte. Zo hard had het toch niet geregend? Hij herinnerde zich een violette straal, gevolgd door een vangrail, die geheel en al uit slap rubber bleek te bestaan. Een reusachtige beuk voorbij de vangrail was het laatste beeld.

  Carlos trok zijn benen in en ondersteunde zijn gehavende arm met zijn rechterhand. Het was alsof duizenden naaldjes in zijn arm prikten. Een bliksemflits verlichtte het desolate landschap en zette alles in scherper contrast. Wat verder op het autokerkhof zag hij een eenzame appelboom, die omsingeld werd door, hoe kon het ook anders, verroeste auto’s van Frans-Russische makelij. Sommige motorkappen stonden omhoog. Met hun gapende muilen leken de auto’s de appelboom uit te lachen. Misschien lachten ze ook Carlos uit, zonder hem een blik waardig te gunnen.

  Toen de regen ophield, strompelde Carlos naar de boom. Pijn vergezelde hem als een buur die te lang op bezoek is. Het moest al diep in de nacht zijn. Het beeld van de appels had hem hongerig gemaakt. Hij durfde er niet aan te denken wanneer hij voor het laatst had gegeten.

  ‘Ken je een beuk hier in de buurt?’ ondervroeg Carlos de grillig gevormde appelaar. Hij kreeg geen antwoord. Zijn maag protesteerde hevig bij de aanblik van de appels. Ze fluoresceerden. Toch maar niet eten, dan. De rubberen vangrail zag hij niet. Nee, die was elders.

  Carlos kreeg een verbeten trek om de mond. Een vakbondsafgevaardigde liet zich nooit in de war brengen, door afleiding noch pijn. De presentjes die het management van LLCI de arbeiders regelmatig gaf, niet meer dan prullaria, hadden hem nooit van zijn doel afgebracht: gelijke rechten voor alle werknemers. Nee, een vakbondsman redeneerde zonder uitzondering logisch, dat wist iedereen. Hij somde fluisterend op: ‘De weg, de straal, de vangrail, de boom.’ Maar niet deze boom.

  Misschien vond hij het antwoord in zijn auto? Hij kreunde toen hij zag hoe hoog de toren van Ladas Samara Nouvelles was. Een vette rat kwam naar de boom getrippeld. Nijdig trok Carlos met zijn goede arm een appel van een tak en gooide het lichtgevende ding naar de rat. Zijn hand leek wel in brand te staan, zo warm was de appel. Tot zijn verbazing trof hij het doel. De vrucht maakte een sissend geluid toen zij de logge rat raakte. Een kleine overwinning. Op de rug van het dier verscheen een glimmende groene streep. Het beest ging er piepend vandoor.

  Carlos draaide zich om, vatte moed en stapte stram over het zompige terrein terug naar de toren van schroot waarin hij was ontwaakt. In een kleine plas vlak voor de laagste Lada dreef een geplastificeerd document dat het maanlicht weerkaatste. Hij bukte zich en raapte het blad op. ´DE KORTSTE ROUTE NAAR HET FIERE BRUAPOLIS [CARLOS]´ stond in hoofdletters bovenaan het document. Er stond een dik kruis op de Б-36, net voorbij de landsgrens. Carlos kneep zijn ogen tot spleetjes. Hoe langer hij naar de enigmatische kaart met zijn naam erop keek, hoe meer details hij opmerkte.

  Op de achtergrond hoorde hij geritsel, maar daar kon hij zich op dit moment niet mee bezighouden. Hij hield de kaart dichter bij zijn neus. Naast het kruis zag hij de boom. Hij bracht de kaart nog dichter naar zijn gezicht. Tussen de boom en het kruis zag hij de vangrail. Die was gedeukt. Zijn ogen waren nog slechts centimeters van het blad verwijderd. De boom was geknakt. Mijn God, dacht hij, iemand heeft op deze kaart aangeduid waar ik ben gecrasht. Of waar ik zou crashen.

  Een grote onrust overviel hem. Het geluid achter hem zwol aan. Iets bewoog zich over de grond. Hij bande het lawaai uit zijn gedachten. Hij had een verklaring nodig, anders zou hij gek worden. Wat had dit alles te betekenen? Had hij zelf het kruis gezet? Hadden anderen het getekend? Hij hield de kaart wat verder van zich af. Met lichte paniek speurde hij het document af, op zoek naar meer aanwijzingen. Als uit het niets verscheen een pijl op het blad. Violet, zag hij dat goed? De kleur leek de zwart-wit-werking van de maan gewoon te ontkennen. Nu hij erbij stilstond, lichtten niet heel wat kleuren vreemd op vannacht? De pijl wees van het kruis naar een punt ten noordoosten van de hoofdstad, diep in het door Carlos zo gehate Bruatië. Het was een plek in een afgelegen gebied, waar zo te zien steden noch dorpen lagen. De kaart trok hem als het ware naar zich toe, nu. Hij zag aan de pijlpunt stapels auto’s en een eenzame boom tevoorschijn komen.

  ‘O!’ Carlos slaakte een kreet en liet de kaart vallen. Hij keek naar beneden. Ratten krioelden om en over zijn laarzen en knaagden de boel stuk. Eén rat, groter dan de andere, vrat op zijn dooie gemak het geplastificeerde document op. Naarmate het dier het blad verzwolg, werden zijn blinkende oogjes groter en groter.

  Carlos voelde kleine maar venijnige tanden in zijn vlees dringen. Hij probeerde het ongedierte van zich af te trappen, maar ze waren met te veel. Zijn onstuimige bewegingen brachten hem uit evenwicht; voor hij het wist, zat hij op de grond. De ratten lanceerden een aanval op zijn vingers, handen en armen.

  Met de helse pijn kwam het besef. Hij had zich naar de hoofdstad van dat kapitalistische zwijnenhol gespoed om te demonstreren tegen de sluiting van de autofabriek, die zogezegd verlies leed. Een rat knaagde zijn duim af; Carlos gilde het uit.

  Verlies? Het woord galmde door zijn hoofd. Hij had beter geweten. Zoals het een doortastende vakbondsman betaamt, had Carlos zich na de werkuren toegang verschaft tot de kantoren van het management. Na lang zoeken had hij veelzeggende tabellen gevonden. Ze vergeleken de werkingskosten van de LLCI-fabriek waar hij aan de slag was met de vooropgestelde kosten in een goedkopere fabriek, ergens in een godvergeten regio buiten de Frans-Russische federatie. Als klap op de vuurpijl had hij een lijst met vervalste verliescijfers, bedoeld voor het personeel, ontdekt. Tijdens de demonstratie zou hij zijn collega’s over het schandalige bedrog inlichten.

  Skrrrrt. Skrrrrrrrrrrrt. De huid van zijn polsen werd tergend traag in reepjes gescheurd. Carlos hield het nauwelijks meer uit. De ratten overdekten zijn lichaam. Alleen zijn hoofd was vrij. Hij werd een krioelende massa, waarin het onderscheid tussen mens en dier almaar slonk. Denken, hij moest denken … Hij moest het zich allemaal herinneren. Was zijn inbraak gefilmd? Hadden de hoge omes nadien maatregelen getroffen?

  De ratten likten met hun schurende tongen gulzig het bloed van zijn armen. Een exemplaar lichtte groen op; dat moest het dier zijn dat hij met de hete appel had geraakt. Carlos schudde hevig met zijn hoofd en armen. Het deed vreselijk veel pijn en haalde bovendien niets uit. De groene rat klauwde zich dieper in zijn rafelende vlees.

  ‘Aaaaaargh!’

  Niet opgeven. Hij moest de brandende pijn als een wapen gebruiken dat hem scherp hield. Aan die schamele gedachte hield hij zich vast. In het ongenadige maanlicht zag hij lik na groene lik tekens op zijn onderarm verschijnen, kleine maar herkenbare letters omringd door merkwaardige symbolen. Hij deed zijn uiterste best om tussen de lillende rattenlijven door de oplichtende tekst te ontcijferen. Beetje bij beetje kon hij lezen wat er stond: ´了宀ⵉ Geregistreerd en afgekeurd vanwege dienstweigering en spionage. ሯবㆫ Op plek X verplaatsen in twee dimensies. Lenin Lada Capitalist Inc. Time Division. ⵢꛂ𐒓´ Nieuwe stroompjes bloed overdekten de tekens een na een. De uitzinnige ratten tastten toe.

  Kon het waar zijn? Hij had met behulp van de kaart de kortste weg naar de hoofdstad genomen, of dat was toch de bedoeling geweest. De route had hem niet naar de demonstratie gebracht, maar naar dit autokerkhof, ergens in een toekomst waar donkergroene smog en een opgelapte maan misschien nog de minst onrustbarende elementen waren. Bovendien was hij naar een verlaten streek gestuurd, waar hij niemand kon inlichten over de wantoestanden bij LLCI. Bestond het bedrijf in deze tijd nog wel?

  Een rat verhief zich boven zijn wanstaltige soortgenoten, maakte een geluid dat een onmogelijke plek had gevonden tussen piepen en schateren, en waagde de sprong van Carlos’ borstkas naar zijn gezicht. Het glibberige beest baande zich een weg door zijn mond. Nee, niet in hem – alles, behalve dat! Tranen rolden van Carlos’ wangen.

  Toen zijn tong aan stukken werd gescheurd en de rat zich een weg naar zijn keel vrat, kon Carlos niet eens schreeuwen. In zijn laatste ogenblikken herinnerde hij zich hoe het wellicht allemaal was begonnen. Het management had als nieuwjaarsgeschenk fraaie landkaarten aan de arbeiders verstrekt. Dat was nog voor er problemen waren in de fabriek. Maar maakte ´voor´ of ´na´ uit voor een bedrijf als LLCI, in de verre toekomst misschien een machtige multinational met een tijdreisafdeling? Eenieder had een gepersonaliseerde kaart gekregen. Het bloed vloeide in grote gulpen uit Carlos’ mond toen hij zijn naam in zakelijke hoofdletters en tussen kille vierkante haakjes voor zijn geestesoog zag. De kaart! Hij verloor voor de laatste keer het bewustzijn.

 

voor Frank R.

 

Opmerkingen


bottom of page