HONDERD UUR - PALMAS BECK
- 28 mrt
- 10 minuten om te lezen

Dit verhaal verscheen in 2025 in de bundel Groen van Godijn Publishing, een van de drie Boek100 bundels die tegelijkertijd zijn uitgebracht. De bundel is te koop bij de uitgever zelf, maar ook te bestellen bij elke boekhandel.
Mijn boek Sterrenkind (Engelse versie: Star Child) is een rechtstreeks vervolg op dit verhaal.
De novelle Kind van de Rekening vertelt het verhaal van de andere kant: degene die verantwoordelijk zijn voor het uitroeien van Mercutio's familie. Zowel het boek als de novelle zijn bij Godijn Publishing of bij de boekhandel te bestellen.
Dag één, nul uur.
Start terugbrengprotocol. Iteratie vier.
Dag één, zes uur.
Mijn dromen hadden me niet verteld dat ik hier wakker zou worden. Ik hoor op de Nightstar te zijn, ik hoor wakker te worden in de ziekenboeg en daar te horen krijgen wat ik al weet: ze kunnen niets meer voor me doen. In mijn laatste droom zag ik mezelf op de brug van de Nightstar, doodsbleek, steunend op een stok, bebloede schouder, diepe groeven in mijn gezicht en ogen die grijs waren van pijn. Ik wist dat ik mijn laatste momenten zag. Mijn leven had daar moeten eindigen. Ik had niet verwacht hier wakker te worden, in dit kleine schip dat me lang geleden veilig wegvoerde van huis. Gewond en nog steeds in de stasiscapsule waar ik in werd gestopt, zodat ik de translatie van het slagveld naar de Nightstar zou overleven. Het patroon van die translatie moet zijn opgeslagen in de computer van dit schip en zo ben ik teruggebracht. Waarom? Pas toen de autodoc me verbonden had en ik me naar de cockpit had gesleept, kreeg ik een antwoord. Min of meer. Er stond een bericht klaar. Nog voordat ik de computer de opdracht gaf het af te spelen, wist ik al van wie het bericht moest zijn. Wie anders dan ikzelf? Of althans, mijn voorganger.
'Hallo, Mercutio. Wanneer je dit hoort ben ik dood. Jij bent de back-up. Of misschien een van de back-ups. Geen idee hoeveel pogingen me dit gaat kosten.'
Mijn eigen stem horen, verzwakt, nauwelijks verstaanbaar, brekend … Ik moest de opname onderbreken. Het … het is schokkend om mezelf zo te horen. Confronterend. Dus zo klink ik tegen het einde. Genadige sterren. Het duurde even voordat ik mezelf voldoende had herpakt om de rest van de boodschap te beluisteren. Ik hoorde mijn laatste verzoek: 'Ga terug naar huis.' Ze bedoelde niet de Nightstar. Ik heb de sterrenkaarten bekeken. Laatst bekende locatie van de Nightstar, locatie van dit schip, mijn thuisplaneet … Ik ga het niet redden. Terwijl de autodoc mijn wond verzorgde, maakte hij ook een schatting hoelang ik heb: honderd uur. Misschien iets langer als ik voorzichtig ben en goed voor mezelf zorg. De reis naar Evala duurt maanden. Mijn thuiswereld ligt ver buiten het gebied van het Concilium. Vier dagen. Honderd uur. Uren waarin ik weinig meer te doen heb dan in de cockpit zitten en kijken naar de sterren. Nadenken over alles wat ik heb achtergelaten. Nadenken over wat mijn opvolger, een van mijn opvolgers, thuis moet doen. Het bericht vertelde niet waarom ze wilde dat ik terugga. Lang geleden ben ik vertrokken – gevlucht is een beter woord – en heb nooit meer omgekeken. Iedereen die ik achterliet was dood. Dus waarom? Moet ik wraak nemen op degenen die mijn familie heeft vermoord? Is dat het? Een stervend persoon tegen degenen die het voor elkaar hebben gekregen om ons allemaal uit te roeien? Ik kan me niet voorstellen dat dat het is. Ik weet niet eens wie de daders zijn. Het heeft geen zin om het me af te vragen. Het is niet alsof ik er veel mee kan. Zoals gezegd, ik ben allang dood voordat we daar zelfs maar in de buurt komen. Ik ben moe. Nu al, en dat terwijl ik net uit stasis ben. Opstaan, douchen om alle troep die een stasiscapsule achterlaat achter op een lichaam weg te spoelen, aankleden, dat kostte me een hoop. Laat ik verstandig zijn en proberen wat te gaan slapen. Echte slaap, niet die geforceerde staat ver voorbij buiten bewustzijn die we stasis noemen.
Zie? Zelfzorg. Ik kan het.
Dag twee, drieëndertig uur. Sterven blijkt verdomd veel energie te kosten. Rustig slapen is er niet bij. Pijnstillers werken redelijk zolang ik stil blijf zitten. Zodra ik wegdommel en mijn schouder beweeg, schiet ik overeind van de pijn. Beroerde nacht dus. Douchen heb ik maar laten zitten. Uitkleden, me wassen en weer aankleden vereist meer energie dan ik kan opbrengen. Niet dat het nodig is, de autodoc heeft de wond weer schoongemaakt en vakkundig verbonden. Klink ik te rustig, overdreven kalm voor een stervende? Misschien wel. Ik kan, ik wil het nog niet onder ogen zien. Toch moet ik wel. Ik voel me nu al zoveel zwakker dan gisteren. Even opstaan om naar het toilet te gaan, een wandelingetje van niets in dit kleine schip, is slopend. Mijn ogen verraden me, zie ik wanneer ik een glimp opvang van mijn gezicht. Een lichte zweem van grijs – ook lopen is pijnlijk – maar het groen van angst overheerst. Ja, ik ben bang. Bang voor de pijn, voor de komende paar dagen, bang om te sterven. Bang en machteloos. Rusteloos ook. Ik kan niets anders doen dan wachten op het einde. Na maanden van dromen over onvermijdelijke gebeurtenissen, maanden van voorbereidingen, maanden van een merkwaardige, onafwendbare oorlog, heb ik plotseling niets meer te doen. Alleen maar tijd om na te denken. Mijn gedachten zijn als een vogel die plotseling is gevangen, wanhopig op zoek naar een uitweg. Een uitweg die er niet is.
Verdomme, ik wil niet dood!
De computer onderbreekt me. Tijd om te eten. Een onappetijtelijke drab, bleekwit van kleur, maar de computer verzekert me dat het alles bevat wat dit zwakke lichaam nodig heeft om iets langer te kunnen blijven leven. Ik hoef zelfs geen energie te besteden aan kauwen, het glijdt zo naar binnen. Het spul heeft een weeïg zoete smaak. Na twee happen heb ik er genoeg van en schuif het weg. In plaats daarvan bestel ik mijn favoriete ontbijt. Jammer dan als dit minder goed is voor me. Wat voor verschil maakt het of ik een paar uur korter of langer leef? Twee happen en ook dan heb ik geen trek meer. Nou ja, het was het proberen waard. In elk geval heeft het me tot rust gebracht. Ik kan me de energie niet veroorloven om hysterisch te doen. Alles kost energie en veel reserves heb ik niet. Ik vraag me af hoe het voor haar was. Mijn oorspronkelijke zelf, degene die wel op de Nightstar wakker is geworden. Uit stasis gehaald door Dink, ik weet dat zij het niet aan een ander had overgelaten. En daarna? Durfde ze het aan om me in mijn eigen kamer neer te leggen? Nee, dat denk ik niet. Ondanks dat de ziekenboeg al vol lag met gewonden, of misschien juist daardoor. De medische afdeling was al overwerkt en dus was er geen ruimte voor privileges. Wat een verschrikking moet dat voor haar zijn geweest. Daar te liggen, net zo machteloos als ik nu, maar omringd door de naakte gedachten van de andere gewonden, van stervenden, te weinig energie om ze buiten te sluiten … Ik denk dat ik dankbaar moet zijn dat ik dat niet hoef mee te maken. Ze had misschien nog wel meer tijd dan ik om dingen te overdenken, in een poging zich af te sluiten van die opdringerige gevoelens om haar heen. Na te denken over alles, niet alleen die laatste maanden. Er moet iets zijn gebeurd. Iets waardoor ze besloot om de ziekenboeg te verlaten en naar de dit schip te gaan. Ze heeft mijn laatste translatiepatroon teruggehaald en hier opgeslagen, ze heeft hier gezeten en haar bericht voor mij ingesproken. Daarna moet ze naar de brug van de Nightstar zijn gegaan om daar te sterven. Dat laatste weet ik zeker, want dat heb ik gedroomd. Lang niet al mijn dromen zijn voorspellend. Maar in de loop der jaren heb ik er genoeg gehad om ze te herkennen. Nog voordat we verschenen op dat verdomde slagveld wist ik al dat ik daar gewond zou raken, dat ik zou sterven. Niets aan te doen. Wat ik droom staat vast. De sterren weten dat ik vaak genoeg heb geprobeerd om dingen te veranderen en dat me dat nooit is gelukt. Het is een van de talenten die in mijn familie zit. Mijn ouders hadden over hun eigen dood gedroomd. En over die van mijn broer en van mijn zus. Maar in geen van hun dromen zagen ze mij. Zich vastklampend aan de hoop dat dat betekende dat ik het kon overleven, hebben ze voor een uitweg gezorgd. Een ontsnappingsmogelijkheid. Een schip dat een jong, getraumatiseerd kind wegvoerde van haar wereld en alles wat ze tot dan toe had gekend. Het enige ruimteschip van Evala. Wat heeft mijn eerste versie in sterresnaam gezien of gevoeld, in die laatste uren, dat ze dit alles in gang heeft gezet en mij smeekte om terug te gaan? De computer weet van niets. Afgezien van het bericht dat ze heeft ingesproken, heeft ze geen opnamen gemaakt. Als er al beelden bestaan van wat er op de Nightstar is gebeurd, dan heeft deze computer daar geen kopie van. En ik kan moeilijk een bericht terugsturen naar de Nightstar zelf. Ik ben dood, mijn lichaam is conform mijn laatste wensen in dit schip gelegd en gelanceerd. Wat moet ik zeggen? 'Hoi Dink, ik ben er weer, maar niet voor lang?' Ik ben bang dat dit een van de raadsels is die ik ook niet op kan lossen voordat ik sterf.
Zo veel vragen. Zo weinig antwoorden. Zo weinig tijd.
Dag drie, zestig uur. Het gaat … niet goed. Pijnstillers werken niet goed meer. Ik kan nauwelijks nog overeind komen. Autodoc heeft me opnieuw verbonden en volgestopt met … met geen idee wat. In elk geval genoeg om me wat extra energie te geven. Nu ben ik net over de helft van wat de ’doc als schatting had gegeven. De prognose is vandaag niet bijgesteld. Nog een uur of veertig, met een marge van een paar uur. Genadige sterren, hoeveel erger kan het worden? Dat is een vraag die ik eigenlijk niet wil stellen. Ik kom er vanzelf achter. Ik heb in elk geval wat geslapen. Hoewel ik het gevoel heb dat het dichter bij bewusteloosheid was, heb ik in elk geval lang genoeg echte slaap gehad om te dromen. Het lijkt op een voorspellende droom. Vreemd. Wat valt er voor mij nog te voorspellen? In mijn droom was ik terug op Evala. Ik herkende zelfs de plaats, een grote open ruimte in het midden van de hoofdstad, plein en park tegelijk: het Hart. Een aantal van de gebouwen die er omheen staan herken ik niet, ze lijken nieuw te zijn. Het is druk. Een enorme menigte staat te kijken. Naar mij. Naar het schip waarmee ik ben geland? Niet het schip waarmee ik nu reis, verrassend genoeg. De menigte wordt op afstand gehouden door rijen geüniformeerde mensen. Voor me, niet ver van me vandaan, staan vijf personen op een rij. Ik ken ze niet. Hoewel … een van hen komt me vaag bekend voor, hoewel ik zeker weet dat ik haar nog nooit heb gezien. Misschien familie van iemand die ik heb gekend? Wat me meer schokt, meer dan alles wat ik om me heen zie, is wat ik van haar voel: helemaal niets. Er staat een muur om haar gedachten. Ze is een actieve telepaat, net als ik. Met dat besef word ik wakker.
Het kan niet, dat is mijn eerste gedachte. Telepathie, dromen … die talenten waren uniek voor mijn familie. Het was een van de dingen waarin we anders waren. Een van de redenen, vermoed ik, waarom ze zijn vermoord. Later, lang nadat ik was gevlucht, heb ik geprobeerd om uit te zoeken wat er was gebeurd. Wie de daders waren, de opdrachtgevers. Ik heb het antwoord nooit gevonden, uiteraard, en het leek niet relevant. Ik was niet van plan om ooit nog terug te gaan. Het is een los eind in mijn verhaal, een raadsel zonder antwoord.
Heeft zij dit ook gedroomd? Is dit waarom ze wilde dat ik terugging?
Genadige sterren, Mercutio, je had wel wat duidelijker mogen zijn.
Dag … vier? Geen idee hoeveel uur. Veel tijd is er niet over. De autodoc doet zijn best om me te stabiliseren. Of me in elk geval nog iets langer in leven te houden. Maar het kost moeite. Ik heb het koud. Het duurt niet lang meer … Aan de ene kant wil ik opgeven. Loslaten. Weg van de pijn, van de verlammende zwakheid. Maar ik ben nog niet klaar. Ik voel het. Er is iets wat ik moet doen. Ik voel de nabijheid van anderen om me heen. Geesten uit het verleden. De vrienden die ik heb achtergelaten op de Nightstar. Dink en de anderen. Maar ook mijn ouders, mijn familie. Ze zijn vlakbij. Zo dichtbij … Bijna. Nog even wachten. Ik kom zo. Maar eerst … Ik weet nu wat ik moet doen. Ik had al gezegd dat ik het niet ga halen, naar Evala. Het is te ver. Wat als er wat gebeurt onderweg? Met mij, met de andere back-ups, met het schip? Dus doe ik het enige wat ik nog kan doen. Een noodmaatregel voor het geval dat geen van ons het haalt. Een laatste bericht wat verstuurd kan worden in geval van nood. Ik hoef geen antwoord op mijn vragen meer. Wie mijn familie heeft gedood is niet relevant. Er is nog maar een ding wat ik wil bereiken. Iets wat mijn thuiswereld net zo hard nodig heeft als elke andere wereld die ik sinds mijn vertrek heb gezien. Een gemeenschap.
'Computer, neem het volgende bericht op. Audio en visueel. Ik wil dat ze me kunnen zien. Voeg mijn medische geschiedenis, de blauwdrukken van dit schip en de sterrenkaarten toe aan het bericht. Wis daarna alles wat ik de afgelopen dagen heb gelogd. Zo belangrijk is dat ook weer niet. Begin opname. Bewoners van Evala, ik ben Mercutio Sheringham. De laatste van mijn familie. Ik ben onderweg naar huis. Als jullie mijn familie ooit als een bedreiging hebben gezien, mij ook als een dreiging beschouwen, dan kan ik je geruststellen. Als je dit bericht ontvangt, dan heb ik het niet gehaald. De bestanden die zijn bijgevoegd bevestigen dat ik ben wie ik zeg te zijn. Er zijn dingen die jullie moeten weten. Het belangrijkste is dit: jullie zijn niet alleen. Er zijn zo veel meer werelden waar leven is. Waar wezens wonen zoals jullie. Maak gebruik van de kennis die ik heb meegestuurd. Bouw schepen. Ga op ontdekkingstocht. Gebruik de kaarten. Vind het Concilium en maak contact. Eén enkele wereld is te kwetsbaar. Geloof me, ik weet waarover ik spreek. Ik geef jullie de sleutel naar de sterren. Beschouw het als een laatste geschenk. Van mijn familie, aan jullie allemaal. Vaarwel.'
Dag één, nul uur. Start terugbrengprotocol. Iteratie vijf.




Opmerkingen