HET TANKSTATION OP KEPLER 62 - CHARLES VAN WETTUM
- 6 uur geleden
- 10 minuten om te lezen

Dit is het openingsverhaal van de bundel ‘Anderen’ – meer info op www.wettum.org/anderen
Als ebook bij www.kobo.com/nl/nl/ebook/anderen
Paperback bij bol, amazon of www.wettum.org/bestellen
‘Hoogst merkwaardig.’
 Eerste luitenant Alex van Nieman kan zijn lach niet onderdrukken. Hij heeft in zijn lange carrière veel expedities voor brandstofonderzoek begeleid. Elke keer zijn er exospecialisten aan boord en bij hun eerste metingen gebruiken ze allemaal precies dezelfde woorden.
 ‘Kijk. Zie je dit overzicht hier? Alles komt overeen met de modellen, alleen methaan en ammoniak zijn te hoog. Deze waarden verwacht je op grote hete planeten, niet op een waterijsmaan. Hier zou je kooldioxide en moleculair stikstof moeten vinden. Het is heel vreemd.’
 Luitenant Van Nieman is een techneut. Hij kijkt uiteraard mee naar de meetresultaten van exogeoloog Jeffrey Hobermann aan de atmosfeer van Kepler 62g-A. Hij kent de moleculen, hij ziet hun verhoudingen, maar achterliggende processen? In zijn studie zat geen exochemie, exobiologie, exogeofysica of andere exoscience. Hij is al blij als hij zijn schip aan de praat kan houden.
 ‘Hoe komt deze kleine maan dan aan zo’n dikke atmosfeer van methaan en ammoniak?’
 ‘Dat is de goede vraag. Geen idee.’ Hobermann volgt met zijn wijsvinger de contouren van de staafgrafiek, alsof hij daardoor de cijfers zou gaan begrijpen. ‘Ik heb echt geen idee.’
 De Shelexxon 23 draait in een nauwe baan rond de enige maan van de planeet die in de boeken staat als Kepler 62g. Deze maan met zijn ijskap en lage zwaartekracht is de enige serieuze kandidaat voor een tankstation in dit systeem. De twee waterplaneten 62e en 62f liggen in de Goldilocks zone, leven daar is niet uitgesloten en exploitatie voor commerciële doeleinden is dus automatisch verboden. 62g en zijn manen liggen ruim buiten de bewoonbare zone en ze zijn dus te koud voor water – maar ijs is gelukkig ook bruikbaar. De better-safe-than-sorryfilosofie van de Verenigde Planeten kost ondernemingen als Shelexxon handenvol geld, dat heeft Van Nieman al vaker bedacht.
 ‘Die atmosfeer maakt niet veel uit. Het gaat er toch om of we hier leven vinden of niet?’ Van Nieman houdt van opschieten, tijd is geld. ‘Zullen we dan maar onderzoeksdrones lanceren? Dan kunnen we monsters nemen.’ Die bureau-wetenschappers willen altijd maar weten waarom dingen zo zijn, pragmatische techneuten kunnen tenminste de werkelijkheid accepteren zoals die is. Van Nieman is blij dat hijzelf een gewone jongen is.
 Hobermann knikt nadenkend. ‘Ja, je hebt natuurlijk gelijk. De drones lanceren en dan meten. Dat is inderdaad de standaardprocedure.’ De lancering is een kwestie van één druk op de knop.
 Onder hen zakken de drones naar het maanoppervlak. Vijf nemen er gasmonsters in de atmosfeer. Twintig andere boren ieder op tientallen plekken een stukje uit het ijs. Het automatische onderzoek bestrijkt de hele maan, zowel de grote ijsvlakten rond de evenaar als de onregelmatige ijsbergen rond de polen. De meetstations werken de voorgeschreven lijsten gehoorzaam af: de volledige chemische samenstelling, verhoudingen van isotopen, vervuiling met zwaardere elementen. Uiteraard zoeken ze vooral naar organische moleculen, tekenen van eencellig leven en alle andere signalen die op vormen van leven zouden kunnen wijzen. Van Nieman heeft dan misschien geen verstand van de wetenschap erachter, hij kan wel de uitslagen lezen: er is geen enkel signaal van leven. Helemaal niets. Kepler 62g-A is een dode maan met een dikke mantel van waterijs en een zware atmosfeer van methaan en ammoniak – hij ziet geen probleem voor de schepen die zullen komen tanken. Voortreffelijk, dit was een succesvolle missie. Er komt een mooie bonus aan.
 ‘Ik snap het nog steeds niet. Waar komen dan die methaan en ammoniak vandaan? Die atmosfeer is er mee verzadigd en ze zouden er niet moeten zijn.’
 Van Nieman knikt bemoedigend. Hij leeft met de wetenschapper mee, maar hij moet wel verder. ‘Vulkanisme, misschien? De een of andere chemische reactie diep in de oceaanvloer?’ Hobermann schudt zijn hoofd, hij wil antwoorden maar Van Nieman geeft hem geen ruimte. ‘Maar geen leven, doctor Hobermann. Geen leven. Dat hebben we definitief vastgesteld. Toch?’
 ‘Nee, geen leven,’ geeft de wetenschapper schoorvoetend toe. Van Nieman is tevreden. Hij schuift een papier op tafel, zet zijn eigen handtekening en legt het vel voor aan de weifelende Hobermann. ‘Daar tekenen.’ De exogeoloog tekent.
 Volgende week zullen de eerste vergruizers aankomen. Ze zullen over het oppervlak van de maan kruipen en bij elke passage ijs afschaven, tien centimeter per keer. Het vergruisde ijs wordt direct omhooggeschoten in een wijde baan rondom de maan – voor deze fase is de lage zwaartekracht noodzakelijk. Passerende ruimteschepen kunnen vanzelfsprekend niet landen, maar ze kunnen wel bij hun passage het ijs invangen en opslaan in de brandstoftanks voor hun fusiemotoren.
 Tankstation Kepler 62g-A zal over een paar weken tijd operationeel zijn. Shelexxon gaat hier veel geld verdienen.
Â
Twintig jaar, bedenkt Van Nieman. Het is twintig jaar geleden dat hij hier voor het laatst was. De tankmaan Kepler 62g-A groeit in beeld wanneer de Shelexxon 84 nadert. Hij denkt nog altijd met plezier terug aan zijn vorige bezoek. De bonus was voldoende voor een leuk huisje met prachtig uitzicht. Dit is zijn laatste ritje, nog één keer de ruimte in en dan met pensioen.
 Rondom de maan cirkelt een helderwitte ring. De vergruizers hebben een prachtige voorraad ijs aangelegd, de ring alleen al is goed voor minimaal vijftig tankbeurten. Alleen de maan zelf ziet er anders uit. Verbaasd ziet Van Nieman dat de maan niet wit is, maar vies modderbruin.
 Hij had zich niets kunnen voorstellen bij de mededeling die hij pas na vertrek mocht openen: ‘De ijskap van Kepler 62g-A is vorige maand ingestort in de oceaan eronder. Het water is warmer dan de fysische omstandigheden rechtvaardigen. We willen dat je gaat kijken en rapporteert. Geheimhouding is noodzakelijk.’ Op datazee heeft Van Nieman gezien dat het station ‘tijdelijk is gesloten wegens onderhoudswerkzaamheden’.
 ‘We zijn er.’ Deze reis heeft hij een astronoom bij zich, ze heeft zich voorgesteld met ‘professor-doctor en vicedirecteur wetenschappelijk bureau’. Sanna Boss leest de gegevens van het analyse-scherm voor: ‘Er is geen atmosfeer. Wel vloeibare oceanen. De ijskap is volledig verdwenen.’
 Van Nieman heeft vanzelfsprekend in de wie-is-wie van Shelexxon opgezocht of ze inderdaad wetenschappelijk geweldig is of alleen maar iemand die wil dat hij dat denkt. Er is geen twijfel over: ze is top. Geweldige universiteit, prachtige carrière, topfunctie met het bijbehorend salaris. Ze lijkt hem zwaar geschut voor deze reis.
 ‘De temperatuur van het water is te hoog.’ Ze wijst hem op het scherm met meetgegevens. ‘De oceanen worden dus van onderaf verwarmd. Dat is niet uniek: de planeet verwarmt de kern, misschien met magnetische energie of anders door vervorming. Veel manen hebben vloeibaar water onder hun ijskappen.’
 ‘Maar waar is het ijs gebleven?’ vraagt Van Nieman.
 ‘Het lijkt erop dat de ijskap dun is geworden en toen is ingestort. Dat had niet gekund als het ijs op de oceaan dreef. Er was dus een lege ruimte tussen de onderzijde van het ijs en het water. Een vrije ruimte van misschien wel een paar honderd meter dik. Ook niet ongewoon. Het water kan zakken na de bevriezing van de bovenlaag.’ Van Nieman snapt het: de steeds dunnere ijskoepel had het begeven. Vergruizers zijn zwaar.
 ‘Door afkoeling zullen nu de oceanen snel dichtvriezen. Maar voorlopig is het ijs niet dik genoeg om te gaan winnen.’
 ‘En de atmosfeer?’ zegt Van Nieman verbaasd. ‘Volgens mij was er de vorige keer hier een dikke atmosfeer. Methaan, dacht ik. En ammoniak. Daar was die onderzoeker nog verbaasd over.’
 Boss kijkt hem van opzij aan. ‘Voor een techneut heb je veel onthouden van het vorige bezoek.’
 Hij kijkt vriendelijk terug. Het is waar, hij heeft een ijzeren geheugen en onthoudt de meest onbelangrijke dingen. Vreemd genoeg ontwijkt ze zijn ogen en gaat weer aan de slag met haar rapportagelijsten.
 ‘Zowel methaan als ammoniak lossen heel goed op in water. De atmosfeer is na instorting van het ijs in de oceanen verdwenen. Dat verklaart het wel.’ Het wordt even stil, terwijl ze kijken naar de maan die er zo totaal anders uitziet dan in het verleden.
 ‘En nu?’
 ‘We gaan een onderwaterdrone neerlaten.’
 ‘Die hebben we niet. Het schip heeft alleen drones voor atmosfeer- en oppervlakteonderzoek.’
 De astronoom grimlacht even. ‘In mijn bagage. Kist 13.’ Het is duidelijk: Boss en Shelexxon hebben hier rekening mee gehouden. Ze hebben hem niet alles verteld.
 Een half uur later plonst de drone in het bruine water. Boss heeft de besturingsstick in haar handen. De kleine onderzeeër zakt voorover en ze stuurt hem omlaag het troebele water in. Over haar schouder ziet Van Nieman op het beeldscherm dat in de bovenste laag van het water dikke pakken ijsschotsen drijven. Hier rijdt voorlopig geen vergruizer meer rond. Tankstation Kepler 62g-A is verleden tijd.
 ‘Het zicht is minimaal. Waarschijnlijk is met het neerstorten van de ijsschotsen modder van de bodem opgeworpen,’ probeert Van Nieman. Als techneut wil hij voor alles zo snel mogelijk een verklaring hebben.
 ‘Zou kunnen.’
 In de lichtbundel van de drone kunnen ze niet verder kijken dan een meter of vijf.
 ‘Weet je waarnaar we zoeken?’
 ‘We kijken een beetje rond.’
 De drone duikt dieper in steeds grotere cirkels. Opeens verschijnt er iets in beeld. Eerst vaag, maar als Boss de drone erheen stuurt, worden de vormen scherper. Een verticale vorm. Een buis die van boven naar beneden kronkelt.
 ‘Zocht je dat? Het is een vreemd gevormd ding. Misschien vulkanisch,’ oppert Van Nieman. ‘Is het steen? Magma dat van onder de bodem wordt opgestuwd en dan tegen het water afkoelt? Heb je enig idee van de diameter?’
 ‘Metertje of drie, vier.’ Boss kijkt niet weg van het scherm. ‘Vulkanisch? Geen idee. Ik ben geen geoloog.’
 ‘Ik denk dat Shelexxon altijd de verkeerde specialist meestuurt,’ schampert Van Nieman. ‘Ik zal de camera’s maar aanzetten.’
 ‘Je blijft ervan af.’ Boss reageert als door een slang gebeten. ‘Geen opnames. Niet vandaag.’ Ze zit geconcentreerd voor het scherm. Aan de rand ziet Van Nieman uit de donkere achtergrond het silhouet van een tweede buis opdoemen. Deze lijkt groter.
 ‘Dat kan bijna geen magma zijn. Misschien kan modder ook zo’n buis vormen.’
 ‘Kop dicht,’ snauwt Boss. ‘Ik concentreer me.’
 De drone daalt langs de buis af naar beneden. Als Van Nieman wil checken hoe diep ze zijn, ziet hij dat alle instrumenten zijn uitgeschakeld. ‘We registreren niets en …’
 ‘Geen woord,’ snoert Boss hem de mond.
 In de lichtbundel trekken de steeds langere segmenten van de brede buis voorbij. Dan eindigt de cilinder abrupt op een groot, schuin aflopend rotsvlak. Langzaam gaat de drone achteruit. Daardoor wordt de buis vaag en verdwijnt dan in de troebele verte. Boss stuurt de drone langs het rotsvlak verder omlaag.
 Het platte vlak eindigt. Ronde vormen kronkelen omlaag de onbekende diepte in. Een golvende rotswand, denkt Van Nieman. Bevroren modderstromen? Of juist gehard door de warmte uit de diepte? Als amateur zou hij denken dat het bij vulkanisme zou kunnen passen. Plotseling verschijnt er een drijvende vorm in beeld. Een traag deinende beweging, waarschijnlijk veroorzaakt door stromingen in het water.
 ‘Wat is dat?’
 Boss geeft geen antwoord. De drone draait verder, het vreemde object verdwijnt uit de lichtbundel terwijl ze verder afdalen. Ze volgen de golvende moddermuur dieper omlaag. Er verschijnen openingen. Onregelmatige, grotachtige gaten, donker en zonder details.
 ‘Uiteinden van vulkanische gangen? Komt hier water naar buiten dat in de diepte is opgewarmd?’
 Boss blijft stil. Hoe verder de drone daalt, hoe ingewikkelder de golvende vormen in de modder worden. In de bundel verschijnen nieuwe drijvende vlekken. Er is hier blijkbaar stroming, de vlekken deinen langzaam door de kloven in de modder.
 ‘We zijn op de bodem,’ fluistert de astronoom. Langzaam draait de drone rond. De bodem is bijna vlak. Links en rechts verschijnen in de lichtbundel oprijzende moddervormen. Krommend. Kronkelend. Vloeiend. Tegen modderwanden plakken dunne in stroming deinende flappen. Als hij niet beter wist zou hij zeggen dat het bladeren zijn. Maar dat kan natuurlijk niet. Tussen een paar modderwanden verschijnt een doorgang. Die muren, die grotachtige openingen ...
 Langzaam dringt de zekerheid tot Van Nieman door. Het lukt hem niet langer de duidelijke waarheid te verdringen. ‘Hier leven ze ...’ zegt hij.
 Boss kijkt hem aan. Ze heeft tranen in haar ogen. ‘Leefden,’ antwoordt ze langzaam. ‘Hier leefden ze, totdat het ijs instortte en de buitenatmosfeer in hun water oploste. Hier leefden ze.’
Â
Het is uren later. De drone is terug in het schip. Ze hebben veel gezien, maar geen actieve beweging. Geen overlevenden. Geen leven.
 ‘Wat is er gebeurd, Boss?’
 De astronoom schudt bedroefd het hoofd. Van Nieman denkt dat ze zoiets had verwacht, maar ze heeft zichtbaar moeite met de harde werkelijkheid.
 ‘Ze woonden op de zeebodem. Een afgesloten ecosysteem onder het ijs. Een waterbeschaving, met een ondiepe vrije ruimte tussen henzelf en de ijsmantel. Hun hemel.’ Ze heeft haar handen op tafel gelegd en kijkt ernaar.
 ‘Maar er was een atmosfeer boven de ijsvlakte,’ herinnert van Nieman haar. ‘Niet eronder, maar erboven.’
 ‘Hun maatschappij produceerde afvalstoffen. Methaan en ammoniak, denk ik. Misschien hadden ze kwekerijen. Misschien een vorm van industrie. Misschien was het gewoon overbevolking. In ieder geval: ze hadden afvalstoffen en die waren giftig voor hen. Die pijpen.’ Ze wijst naar het scherm. ‘Ze hebben buizen aangelegd of laten groeien. Ze moesten hun afvalgassen kwijt en boven de ijsmantel was voor hen buiten de wereld. Volledig veilig.’
 Van Nieman begrijpt het. ‘Tot wij hun ijsmantel verwijderden.’
 ‘Ja. Ja, zo is het.’ Het is even stil, tot Boss verdergaat: ‘Toen hun ijshemel verdween, loste de giftige atmosfeer met die eeuwenlang opgehoopte afvalstoffen op in het oceaanwater waarin ze zelf moesten leven. Ze zijn vergiftigd door hun eigen afval.’
 Van Nieman kijkt haar beschuldigend aan: ‘Je wist dit voordat we hierheen kwamen. Shelexxon wist het.’
 ‘Ik vermoedde het. We hadden ontdekt dat het gas naar buiten kwam uit de monden van de buizen. We konden geen natuurlijke oorzaken vinden. Vulkanisch, geothermisch, niets paste. Dit was de enige optie.’
 ‘En waarom zijn de vergruizers toen niet stopgezet?’ vraagt Van Nieman verontwaardigd. ‘Als Shelexxon dit wist ...’
 ‘Het was niet bewezen. Niet onomstotelijk, tenminste.’ Boss kijkt hem aan. ‘Je kunt van Shelexxon niet verwachten dat ze een goed renderend tankstation sluiten vanwege een vermoeden.’
 ‘Maar nu komen de feiten op datazee. De aandelenkoersen storten in. Het imago van het bedrijf wordt geruïneerd.’
 ‘Nee,’ zegt Boss. Ze heeft zich herpakt, ze is zakelijk geworden. ‘Er komt niets op datazee. Er is geen bewijs en dat zal er nooit komen. Dit is een bedrijfsongeval.’ Ze pakt een stuk papier. ‘Ik mocht dit onderzoeken op voorwaarde dat dit mijn verslag is. Je moet hier tekenen, dan kun je met pensioen.’
 ‘Dat is valsheid in geschrifte. Ik teken dat niet.’
 Ze kijkt hem even aan. Begrijpend maar tegelijk afkeurend. ‘Zeg me, Van Nieman, wie heeft de vorige keer deze maan veilig verklaard voor exploitatie? Als het erop aankomt: is die persoon niet eigenlijk verantwoordelijk voor deze ellende? Wie betaalt straks jouw pensioen?’ Het dringt tot hem door waarom hij is gekozen ben voor deze missie.
 Hij tekent, dat spreekt vanzelf. Weigeren maakt feiten niet ongedaan. De hele situatie is trouwens gewoon hun eigen schuld: welk idioot ras dumpt nou al zijn afval op zijn eigen planeet? In zijn eigen atmosfeer? Ze waren gek, ze hebben hun ondergang aan zichzelf te danken.
Â
