top of page
logo Lowlands Fiction

ONEINDIGHEID - DANIEL DRAYM

  • 10 apr
  • 8 minuten om te lezen

Historiek:

Het verhaal werd oorspronkelijk gratis in het Engels aangeboden op de website van de auteur onder de titel ‘Infinity’.

 

Anton Kupka liep door een slecht verlichte gang die eerder op een tunnel leek. Er waren geen ramen, geen natuurlijk licht, alleen gelijkmatig verdeelde lampen die zacht zoemden. Het voelde alsof hij al een eeuwigheid aan het lopen was. Hij was vergeten hoe zijn tocht was begonnen en had geen idee waar die hem naartoe zou brengen. Hij kon niet anders dan de ene voet voor de andere zetten. Hij vroeg zich af waarom hij zich niets meer kon herinneren. Misschien was dit een droom? Een droom waarin hij een andere droom droomde. Hij was naakt. Dat was iets wat Anton zich herinnerde uit nachtmerries waarin hij naar zijn werk vertrok zonder eerst zijn broek aan te trekken, door de straten liep en zichzelf belachelijk maakte tegenover elke voorbijganger. Hij herinnerde zich nog andere dromen — die waarin hij zwom als een gek in een donkere grot, achtervolgd door zeereptielen, was altijd een favoriet — maar niets over zijn werkelijke leven. Hij bereikte plots het eind van de tunnel. Zonder overgang stond Kupka in een vorstelijke kamer met een groot raam dat uitkeek op hangende tuinen bezaaid met fonteinen en watervallen. Aan weerszijden van het raam stonden gigantische beelden van mantichora-achtige beesten. Het uitzicht was zo overweldigend dat hij de jonge vrouw achter het bureau eerst niet opmerkte. Ze was een slanke, kastanjebruine schoonheid met lang, ravenzwart haar, donkere ogen en perfecte tanden. Ze zwaaide met haar rechterhand over het bureau, dat onmiddellijk oplichtte. Teksten en kleurrijke grafieken scrolden van rechts naar links over het scherm.

 ‘Welkom, Anton,’ zei ze na een blik op de gegevens die ze bij de hand had.

 ‘Nou, deze droom werd net een stuk beter,’ zei Anton. ‘Waar ben ik, jongedame?’

 ‘Dit is de wachtkamer van het hiernamaals,’ antwoordde ze. ‘Ga alsjeblieft zitten.’

 Anton besloot mee te spelen met zijn droom. ‘Ah, juist, want ik ben dood, zeker?’ veronderstelde hij.

 ‘Ja,’ zei ze, ‘de Tortin-afdaling in Verbier proberen was niet je slimste idee.’

 ‘Ik ski al sinds mijn vierde. Ik heb alle moeilijkste zwarte pistes in Oostenrijk, Frankrijk en Zwitserland gedaan,’ pochte de man. ‘Ik kan ze aan.’

 ‘Totdat het mis ging,’ zei de vrouw. ‘Je draaide niet snel genoeg bij een van de buckels, verloor je evenwicht en knalde recht tegen een boom aan. Natuurlijk droeg je geen helm. Ze moesten je gezicht van de schors schrapen. Ik heb foto’s als je dat kan interesseren.’

 Kupka zweeg even. ‘Als ik dood ben, waarom staat er hier dan geen rij?’ vroeg hij uitdagend. ‘Elke minuut sterven er tientallen mensen op aarde. Ik was helemaal alleen in de tunnel en ik lijk hier je enige klant te zijn. Waar zijn dan al die andere doden?’ Hij wierp haar een arrogante blik toe en ging zelfverzekerd op de stoel zitten die ze hem aanbood — niet zijn beste zet, want hij zat lager dan zij en moest nu naar haar opkijken.

 ‘Je bent hier net aangekomen en je bent me nu al aan het mansplainen hoe het hiernamaals in elkaar zit? Lekker bezig,’ zei ze glimlachend. ‘Wil je het echt zo spelen?’

 ‘Jongedame, er is geen hiernamaals,’ antwoordde Kupka. ‘Jij bent een hersenspinsel. Een prachtig hersenspinsel, dat geef ik toe, maar een hersenspinsel niettemin.’

 Ze stond op, reikte over haar bureau en knipte met haar lange, roodgelakte nagel tegen zijn neus. Anton gilde verrast.

 ‘Wat vond je daarvan?’ vroeg ze hem. ‘Was dat echt genoeg voor je?’

 ‘Dus jij bent Sint-Pieter?’ vroeg Anton, terwijl hij over zijn neus wreef en haar wantrouwend bekeek. ‘Je lijkt helemaal niet op wat ik me van hem had voorgesteld.’

 ‘Ja, dat hoor ik wel vaker van blanke mannen zoals jij,’ spotte ze. ‘Zelfs de ongelovigen — en jij bent een ongelovige, toch? — denken dat ze eigenlijk moeten praten met een ouwe vent met een baard en een enorme sleutel aan zijn riem. Je denkt waarschijnlijk ook dat God een man is?’

 ‘Nou, om eerlijk te zijn, ik dacht niet dat er een god bestond,’ gaf Anton beduusd toe.

 ‘Nee, want je bent een wetenschapper, niet? En wetenschap en religie gaan niet goed samen,’ zei ze, terwijl ze naar haar scherm keek. ‘Ah, hier staat het. Natuurkundige. Werkte bij CERN. Nam deel aan experimenten met de Large Hadron Collider. Heb je daarmee niet het Goddeeltje gevonden?’

 ‘Dat was louter beeldspraak,’ protesteerde Anton. ‘De journalisten zijn dol op dat soort dingen. Geef ze de keuze tussen “Higgs-boson” en “Goddeeltje”, en dan gaan ze natuurlijk voor het tweede. Eikels.’

 ‘Ik plaagde je maar wat,’ lachte de vrouw. ‘Jullie zaten trouwens nog vijfentwintig lagen verwijderd van de meest fundamentele deeltjes die er bestaan. Je zou de energie van een Melkweg nodig hebben om atomen tot hun kleinste deeltjes te herleiden. Het zijn zulke kleverige rotdingen. Wetenschappers hebben nog een hele weg te gaan voordat ze Gods hand kunnen zien.’

 ‘Dus God bestaat natuurlijk wel, en ik heb me mijn hele leven vergist,’ concludeerde Anton. Hij deed alsof hij verslagen de armen in de lucht gooide.

 ‘Is alles bij jou zwart of wit?’ vroeg de vrouw.

 ‘Het lijkt me toch vrij binair, nee?’ antwoordde Anton. ‘God bestaat, of Hij bestaat niet. Tenzij Hij Schrödingers kat is en Hij tegelijkertijd een beetje leeft en een beetje... niet.’

 ‘Daar gaan we weer met die “Hij”,’ verweet ze hem.

 ‘Luister, als je niets zinvols weet te vertellen, maak me dan maar weer wakker. Dit begint me te vervelen,’ mopperde Kupka.

 ‘Je bent natuurkundige. Je had er zelf moeten achterkomen. Wiskunde wijst je vanzelf de weg,’ daagde ze hem uit.

 Hij hapte toe. ‘Net omdat ik natuurkundige ben, geloof ik niet in God. Alles wat er sinds de tweede picoseconde van de oerknal is gebeurd, kan door de wetenschap worden verklaard zonder beroep te doen op goddelijke tussenkomst. Al dat gezwets over “indien de waarde van slechts één van de kosmologische constanten maar een heel klein beetje anders was, dan zouden sterren, planeten en leven niet bestaan, en dus heeft God die constanten precies gecreëerd zoals ze zijn omdat Hij de mens wilde scheppen,” is onzin die oorzaak en gevolg omdraait. We bestaan omdat we toevallig in een universum leven met dat soort constanten. Niet andersom.'

 ‘Dat is het eerste verstandige dat ik je vandaag heb horen zeggen,’ zei ze.

 Dat snoerde Anton de mond. Hij had verwacht dat ze zijn redenering aan flarden zou schieten met een onweerlegbaar godsbewijs. Hij wilde opspringen en een vreugdedansje maken.

 ‘Je vernoemde daarnet Schrödinger,’ merkte ze op. ‘Hij bewees dat God wel degelijk bestaat.’

 ‘Helemaal niet!’ riep Anton uit.

 ‘Toch wel,’ zei de vrouw, ‘maar het wetenschappelijk wereldje — en misschien zelfs Schrödinger zelf — miste de kern van zijn betoog toen hij erop wees dat de kwantumtheorie een puinhoop is, tenzij men het bestaan van een multiversum aanvaardt.’

 ‘Oké, verbaas me,’ daagde Kupka haar uit. ‘Vertel me dan eens hoe parallelle universa het bestaan van God bewijzen.’

 De vrouw kreeg pretlichtjes in de ogen. Dit was zoveel leuker dan wanneer diepgelovige types langskwamen. Die lui zagen meestal al hun vrome overtuigingen bevestigd alleen al door haar bestaan en beschouwden het als hun door God gegeven recht om zonder meer het Koninkrijk der Hemelen binnen te mogen wandelen.

 ‘Wat is het ergste dat kan gebeuren wanneer een natuurkundige een wiskundig model uitwerkt om het gedrag van een bepaald aspect van de subatomaire werkelijkheid te verklaren?’ vroeg ze Kupka.

 Anton staarde haar aan. Er kon zoveel misgaan. Hij had ooit maandenlang aan een model gewerkt, om er vervolgens achter te komen dat hij in de tweede regel een domme, fatale fout had gemaakt, waardoor al zijn werk voor niets was geweest. Hij hield zijn mond.

 ‘Kom op,’ moedigde de vrouw hem aan, ‘werk even met me mee.’

 ‘We vinden het niet prettig als je een model slechts kan laten kloppen door parameters of variabelen een waarde gelijk aan oneindig te geven,’ antwoordde Anton uiteindelijk. ‘Dat opent telkens de deur voor bizarre shit.’

 ‘Precies!’ beaamde de vrouw. ‘Mensen kunnen het concept van oneindigheid niet bevatten, en toch is oneindigheid een essentieel onderdeel van de werkelijkheid. Een van de theorieën van je collega’s over multiversa is dat alles wat kan gebeuren, ook zal gebeuren. Telkens wanneer de werkelijkheid een beslissingspunt bereikt, manifesteren zich effectief alle mogelijke uitkomsten – een oneindig aantal, in feite – en creëren die een oneindig aantal nieuwe parallelle universa. Dat proces herhaalt zich keer op keer. “Bizarre shit” moet dus maar één keer voorkomen om op zijn beurt gemeengoed te worden in een oneindig aantal universa.’

 ‘Rustig aan, jongedame,’ waarschuwde Kupka. ‘Niet elk “beslissingspunt” heeft een oneindig aantal mogelijke uitkomsten. Ik zou zeggen dat het aantal opties meestal vrij beperkt is, aangezien ze allemaal aan de wetten van de fysica moeten voldoen. Ik kan niet plots vleugels groeien en wegvliegen of iemand die ik niet mag in een kiezelsteen veranderen.’

 ‘Ah, en dat is precies waar je het mis hebt,’ maakte ze haar punt. ‘Er is een oneindig kleine kans dat je dat wel kunt, en daarom is er een oneindig aantal universa waar mensen naar believen vleugels kunnen laten groeien of hun vijanden in keitjes veranderen. Het enige wat je kunt zeggen is dat het waarschijnlijk nog niet is gebeurd in jouw universum.’

 ‘Ik snap waar je heen wilt,’ zei hij. ‘Dat betekent dat er een oneindig aantal universa zijn waar één of meerdere goden bestaan en een oneindig aantal waar ze niet bestaan.’

 ‘Precies, dat heb je goed begrepen,’ prees ze hem. ‘Elke denkbare en ondenkbare god of groep van goden bestaat in een oneindig aantal universa. Jouw geliefde natuurwetten bestaan in een oneindig aantal variaties. Atheïsten hebben gelijk in een oneindig aantal universa en dat geldt net zo goed voor theïsten. Er is geen goede of foute overtuiging wanneer alle overtuigingen tegelijkertijd waar zijn in—’

 ‘Een oneindig aantal universa. Ja, ik snap het,’ maakte Kupka haar zin af.

 Hij was sprakeloos. De redenering van de vrouw klonk volkomen logisch, hoewel ze het wereldbeeld aan diggelen sloeg dat hij het grootste deel van zijn volwassen leven had gekoesterd. Het kostte wat moeite om deze nieuwe waarheid te omarmen. De vraag bleef: als God in dit universum bestond, waarom was er dan zoveel ellende in de wereld? Waarschijnlijk was het Kupka's pech dat hij in een universum leefde met een gestoorde god die kickte op mensenleed. Dat beloofde niet veel goeds voor het soort hiernamaals dat zo'n god zijn onderdanen zou bieden.

 ‘Waar denk je aan?’ onderbrak de vrouw zijn mijmeringen.

 'Hoe is God?' vroeg Anton en hij zette zich al schrap voor haar antwoord.

 Tot zijn verbazing begon de vrouw luid te schateren.

 ‘Er is helemaal geen god in dit universum,’ giechelde ze.

 ‘Wat?’

 ‘Er is geen god in dit universum,’ herhaalde ze, terwijl lachtranen over haar wangen stroomden. ‘Er is alleen een hiernamaals. Je zou de gezichten van al die fanatiekelingen eens moeten zien als ze beseffen dat hun God niet bestaat! Onbetaalbaar! Net als het gezicht dat jij nu trekt, trouwens. Je zou blij moeten zijn. Je krijgt alle voordelen zonder de nadelen.’

 ‘Is het hiernamaals wel fijn?’ Anton durfde het bijna niet te vragen.

 ‘Het valt best mee, naar wat ik erover hoor,’ zei ze schouderophalend. ‘Ik kom er nooit. Ik zit altijd in deze wachtkamer te wachten op sukkels zoals jij. Ik kan het je niet met zekerheid zeggen; ik heb het slechts van horen zeggen.’

 Anton stond op. ‘Oké, dat volstaat,’ zei hij. ‘Genoeg van deze onzin. Ik wil nu graag weer wakker worden.’

 

De hospik van het Zwitserse reddingsteam draaide Anton Kupka’s lichaam om. Het had hen drie kwartier gekost om bij hem te geraken sinds Kupka’s skimaatje het einde van de Tortin-piste had bereikt en merkte dat zijn compagnon er niet meer bij was. Kupka was frontaal tegen een boom geknald. Zijn nek was gebroken, zijn borstkas ingedeukt en zijn gezicht volledig verbrijzeld.

 ‘Geen polsslag,’ riep de hospik naar zijn twee collega’s. ‘Hij is er geweest. Maak de slee klaar; we nemen hem mee naar beneden. Verwittig de centrale om zijn nabestaanden op de hoogte te laten brengen.’

 

Opmerkingen


bottom of page