top of page
logo Lowlands Fiction

HOE VOELT HET AAN EEN GOD TE ZIJN? - PATRICK VAN DE WIELE & CHRISTIANE VAREN

  • 13 apr
  • 9 minuten om te lezen

 

Kelso had twee minuten vierendertig seconden tijd om het Ruimte-Verkenningsprogramma, de Raad voor Veilig Beheer van de Bekende Ruimte, de programmeur die zijn scheepscomputer geprogrammeerd had, de scheepscomputer zelf, het ruimtescheepje zelf, en uiteindelijk iedereen die hem te binnen schoot te verwensen, en hen alle verdoemenissen toe te schrijven die hij nu op zich voelde toekomen.

 Gedurende deze twee minuten vier… sorry… tweeëntwintig seconden, want het ging als maar sneller, raasden zijn vingers als waanzinnig over het controleklavier dat de stuurinrichting van het kleine ruimteschip diende te bedienen. Gedurende de laatste minuut bleef hij zelfs als een idioot met de linkerhand dezelfde niet-reagerende toetsen induwen, terwijl hij zich inmiddels in zijn hoogdrukpak wrong. Het was allemaal nutteloos, de stuurinrichting vertikte het volledig, de giro’s hadden het al lang opgegeven en enkel zijn magnetische zolen hielden hem nog recht. Dat wil zeggen, recht ten opzichte van wat eens de vloer van de kajuit geweest was. Die vloer was nu zowat linksboven, en Kelso’s hoofd bevond zich halfweg de cabine in neerwaartse richting, maar zijn lichaam volgde nog een rechte lijn. Al was dat ook enkel maar doordat de magnetische zolen hun vertakkingen doorspeelden via de contactaders in zijn hoogdrukpak.

 In een laatste woedeaanval beukte Kelso zijn linker vuist neer op het controlepaneel (ook zonder resultaat) en haalde dan zijn linkerarm ook in het pak naar binnen. Zelfs de computer reageerde niet op zijn geschreeuw, die was samen met het hoofdcontrolepaneel uitgevallen toen zijn miniverkenner het onvoorziene (en door geen enkel controle-instrument geregistreerde) krachtveld raakte dat ergens om een of andere absurde reden rond de kleine planeet zweefde die hij net rustig dacht te verkennen.

 Zijn scheepsinstrumenten hadden net voldoende tijd gehad om hem mee te delen, via de minzame zoetgevooisde stem van de computer, dat de planeet 1/10de van de aarde bedroeg, dat er een soort atmosfeer was, en net toen de computer hem in verleidelijke (vrouwelijk getinte) termen ging uitleggen wat er zo allemaal in die atmosfeer zat, had het verkennersschip, een van de honderdduizenden uitgezonden door de Raad voor Veilig Beheer van de Bekende Ruimte teneinde nieuwe bronnen van grondstoffen te vinden voor een droogliggende aarde, het krachtveld, of wat het verdomme ook was, geraakt. Geen aankondiging, helemaal niks, enkel wat schreeuwende geluiden, een elektrostatische bliksemschicht die doorheen de cabine flitste, en dan het volledige stilzwijgen. De computer hield zijn (haar?) bek, alle instrumenten vertikten het, en de energiecapsule waarin het ruimteschip gevangen zat en die het aandreef, explodeerde… of implodeerde… of deed iets helemaal krankzinnigs waarvoor geen aardse terminologie bestond. Het resultaat was dat het ruimteschip, zonder enige bescherming, de neus loodrecht naar het hartje van de kleine planeet richtte, en er gelukzalig op neer begon te storten.

 De atmosfeer bleek gelukkig niet erg dicht te zijn, de wanden van het schip gloeiden een beetje door de wrijving, en het verloor ook twee staartvinnen, maar verder bleef het intact. Het bleef natuurlijk met wat Kelso veronderstelde dat een gierend geluid was, regelrecht neerduiken op wat zo op het eerste zicht een stelletje venijnig uitziende gepunte rotsen waren.

 Kelso ritste zijn drukpak dicht en schakelde de verzegelingsunits in. Op dit moment was zijn schip diep genoeg gevallen om aan de effecten van het krachtveld te ontsnappen. Een oranje lichte flitste op, wat hem meedeelde dat de computer iets aan het vertellen was, en ook de controlelichtjes van het stuurklavier ontbloemden in hun veelkleurige glorie. Daar was niet voldoende tijd meer voor, zelfs niet om de radioschakelaar van het pak in te schakelen en te horen wat de computer als verontschuldiging voor zijn/haar falen kon aangeven.

 Kelso beukte met beide gehandschoende handen op de remraketten. Even vreesde hij dat ze het ook zouden opgeven, maar neen… ze ontvlamden. Het vallende scheepje wentelde om zijn as, wat Kelso even een raar gevoel in de maagstreek verschafte, en richtte zijn staartpijpen op het bodemoppervlak dat vervaarlijk naderbij kwam. Kelso zette de remstralers op volle kracht, maar de atmosfeer van de planeet was te licht. Het schip zelf was verloren.

 Kelso schreeuwde het uit van machteloze woede, binnen in zijn drukpak, maar natuurlijk was er niemand om hem te antwoorden. Hij schakelde het exoscherm in, op het precieze ogenblik dat het stuurloze ruimteschip de rotspieken raakte. Het week af van zijn inslagbaan, de straalpijpen tekenden een vlammend spoor in de lucht, wentelden dan en brandden diepe voren in het korrelig oppervlak van de planeet. Dan raakte het schip de begane grond, en boorde er zich in als een omgekeerde speerpunt, met evenveel gevoel voor zachtheid en netheid. De wanden vlogen aan diggelen, de toetsen van het losgescheurde stuurklavier vlogen als metalen insecten door de kajuit, en de computer gaf een laatste doodskreet vooraleer zijn tapes begraven en verpulverd werden onder een massa inslaand metaal. De exo-installatie reageerde onmiddellijk, en slingerde Kelso uit zijn luchtzetel. Hij kende geen ervaring door de inslag, enkel een plotse en totale black-out, terwijl de exo-installatie hem enkele tientallen meter verder slingerde, doorheen de opengereten wanden van het schip.

 Hij kwam zacht neer, en hoewel hijzelf nog bewusteloos was door de harde schok, richtte het exo-veld het drukpak op, en doorstroomde zijn lichaam met vonkende krachtstraling.

 Toen hij de ogen opende, zag hij de rondom staande wezens neer zinken op wat bij hen allicht voor knieën doorging. Hij knipperde even met de ogen, en keek dan opnieuw. Het waren er een twintigtal, maar nog terwijl hij keek doken er steeds meer op. De planeet had geen maan, ofwel was deze ergens achter de horizon, en de zon was te ver verwijderd om meer te zijn dan een zwakke ster aan de hemel. Hij zag de wezens door het licht dat zijn exo-veld verspreidde, en dat zowat dertig meter ver reikte.

 De schepsels waren groter dan hij, tenminste, dat zouden ze zijn als ze rechtop stonden. Ze waren mager, maar hun rompen verbreedden zich peervormig, en ze steunden op vier korte, lompe benen of poten. Hun hoofden waren slank en hoog, met twee diepliggende grote bolle ogen. Ze schenen geen mond te hebben, maar wel een reeks kleine gaten onder de ogen voorzien van een soort kleppen (luchtfilters?) die op een vlug ritme open en dicht gingen. Mond en neus tegelijkertijd? Ze hadden elk twee lange armen, bijna tweemaal zo lang als hun lichaam, en die gooiden ze bijna als tentakels voor hen neer op de grond.

 Ze doken uit de omliggende duisternis met tientallen tegelijk op, en voegden zich bij de steeds groeiende rijen. Hun kniegewrichten plooiden op een heel rare manier, ze zonken letterlijk neer op een soort kussen gevormd door hun vier in mekaar gestrengelde benen/poten.

 Ze aanbaden Kelso. Ze aanbaden het licht. Misschien het eerste werkelijke licht dat deze planeet ooit aanschouwd had. Het uitstralende licht van zijn exo-veld.

 Kelso glimlachte. Het was niet bepaald een situatie waarmee het Ruimteverkenningsprogramma gelukkig was, want Kelso had een speciale opleiding gekregen in verband met ´Goden van de Sterren´ situaties, maar het was in elk geval te verkiezen boven neerkomen tussen enkele behaarde barbaren die klaar stonden om je in de schedel te klieven. Dat was al eens gebeurd met Rice Bjoeroes, een vriend van Kelso. Die had zich enkel kunnen redden door vliegensvlug de benen te nemen.

 Maar goed, dacht Kelso, laten we de situatie in oogschouw nemen. Zo slecht is ze nu ook niet. Het schip is vernietigd, maar tenslotte hebben ze op aarde mijn coördinaten… als de computer die tenminste tijdig doorgeseind heeft.

 Hij schrok. Doorgeseind… maar het was totaal onverwachts gebeurd. De computer was samen met de stuurinrichting uitgevallen, en zou dus geen noodsein uitgezonden hebben. Dus wisten ze op aarde… even nadenken… nou ja, ze wisten ongeveer waar hij het laatst geweest was… binnen een radius van zeven lichtjaren. Kelso voelde het zweet langs zijn voorhoofd lopen. Dat betekende dat hij MOEST zorgen dat ze een sein kregen van hem, anders…

 Hij schudde het hoofd, Als het schip neergekomen was met de kracht die het tijdens de laatste seconden voor de werkelijke impact bezeten had, dan was er geen enkele kans dat er nog intacte zendapparatuur te vinden zou zijn. Hij keek even rond, en zag enkel een schijnbaar diepe krater, een tiental meter verder. En hier en daar stukken gescheurd metaal.

 Goed, Kelso, dacht hij, je hebt het gehad. Geen aarde meer.

 Kelso was een praktische man, tenslotte was hij ook voorbereid geworden op een dergelijke situatie. De werkelijke shock zou later komen…

 Nu kwam het er op neer om het beste te halen uit deze situatie. Het was duidelijk dat deze wezens – over hun intelligentie zou hij later nadenken – hem als een soort God zagen. Natuurlijk, het exo-veld dat hem van de verpletterende impact gered had, lichtte op in diverse kleurschakeringen en omgaf hem met een mystiek, goddelijk lichtschijnsel.

 Even uitschakelen, dacht Kelso, en zien hoe ze daarop reageren. Je moet toch ergens beginnen…

 Tot zijn stomme verbazing bleef het exo-veld oplichten. De schok was blijkbaar harder geweest dan hij gedacht had, het exo-veld had hem beschermd, maar het was geblokkeerd.

 Enkele van de stoutmoedigste wezens waren dichterbij gekomen, naarmate ze hem naderden in al zijn goddelijkheid, schenen ze lager bij de grond te komen, en toen de eersten vlak bij hem waren en hun lange, dorre armen uitstrekten om hem aan te raken, gleden ze op hun bolle buiken voort over de grond.

 De vingers van het eerste wezen raakten zijn pak aan, het richtte het smalle hoofd op, en de bolle diepe ogen blikten hem aan, een blik vol aanbidding, vol intelligentie. Een vurige flits lichtte op in die ogen, ze werden zilverwit, verschroeiden tot zwarte as en stroomden als stroompjes zwarte as uit hun kassen. Gans het lichaam van het wezen kromde zich plots als een boog, de peervormige buik spatte open en veranderde onmiddellijk tot een zwarte dorre zak, de armen en benen schokten even en verschrompelden dan. Het wezen verpulverde voor zijn ogen.

 Verschrikt deinsde Kelso enkele stappen acteruit, en verwachtte dat ze zich nu als een vloedgolf over hem zouden storten. Tevens wist hij dat zijn vrees ongegrond was: hij was volkomen veilig binnen het exo-veld. Het moest iets te maken hebben met de celstructuur van deze wezens, hun aanraking tapte een weinig energie af van dat exo-veld en vernietigde hen.

 De dichtstbijzijnde wezens maakten verwilderde gebaren, ze wiegden heen en weer met hun bovenlijven en bogen zo ver naar voren dat hun bolle buiken hun geplooide benen volledig verborgen. Ze gooiden de lange armen in de ijle lucht als dunne smekende takken van stervende bomen, de vliesklepjes boven hun neusgaten of monden flapten vlug open en dicht. Maar het vreselijkste was de blik die hij in hun ogen zag, een uitdrukking die hij niet dadelijk kon plaatsen.

 Hij begreep het pas toen de eersten naderbij schoven en hun magere armen gretig naar hem uitstaken. Twee waren vlugger dan hij verwacht had, de energie van het exo-veld raasde door hun lichaam en verbrandde hun ingewanden, vuurtongetjes flikkerden uit hun oogholtes en neus/mondopeningen, voor hun lichamen tot as vervielen.

 Ik moet het exo-veld op een of andere manier uitschakelen, dacht Kelso. Tussen de wrakstukken van het schip moeten werktuigen te vinden zijn die nog bruikbaar zijn. En ook zuurstofcilinders, en voedselblikjes… die zullen meestal nog gaaf zijn, weggeslingerd van het schip door de schok.

 Het schip, daar ergens achter die opdringerige massa. Vanwaar bleven ze komen? Hij kon het wrak en de krater zelfs niet meer zien, enkel een dichte rij naar voren dringende lichamen met hongerige, gretige ogen en uitgestrekte handen.

 Ga weg van mij, schreeuwde hij, jullie sterven als je mij aanraakt! Maar natuurlijk hoorden ze hem niet. Kelso keek op de instrumenten polsband. Hij had nog voor ongeveer twee uur zuurstof, misschien drie uur als hij de toevoer verminderde. Hij moest bij het wrak geraken. Hij nam een beslissing, en deed enkele stappen voorwaarts op de wachtende lichamenmuur toe. De ogen van de wezens leken uit te puilen van begeerte, en plots stond hij in een muur van vlammen en kronkelende, brandende lichamen. Een uitdrukking van ongelooflijke extase schitterde in hun ogen voor het energieveld hen vernietigde. Kelso deinsde achteruit, zijn logge laarzen tekenden diepe sporen in de lichte, zwarte as. Ze drongen naar voor, op hem toe, en hij ging nog verder achteruit. Ze wilden het niet begrijpen.

 Hij berekende zijn kansen om over hen heen te springen. Het drukpak was zwaar, zeer zwaar zelfs, maar tenslotte had de planeet slechts 1/10de van de aardse zwaartekracht. Maar hij kon zelfs niet meer over de lichamenmuur heen zien. En ze bleven maar komen, de muur kruipende wezens breidde zich ook zijdelings uit. Ze moesten uit de grond tevoorschijn komen, misschien huisden ze daar ergens in holen. Als een onophoudelijke stroom lemmings…

 Het exo-veld lichtte op, en opnieuw, en opnieuw…

 Hij had geen kans om het schip te bereiken. Hij keek achter zich en zag enkel een dor woestijnlandschap binnen de verlichtingszone van het veld, en daarachter een ondoorgrondelijke duisternis.

 Een lichtflits aan zijn zijde, en nog een, en dan een mini-vuurwerk.

 Met een droge snik draaide Kelso zich om en rende weg, de woestijn in, weg van de krater en het wrak, van de werktuigen en het voedsel en de zuurstof.

 Achter hem, hun ogen bol en gretig, hun armen uitgestrekt, kwamen de aanbidders aangekropen, rij na rij, hun vluchtende God achterna.

 

Opmerkingen


bottom of page