VLEESBLOEM – RIK DE LAVALETTA
- 15 uur geleden
- 6 minuten om te lezen

Ze noemde het haar vleesbloem. Een grapje in het begin. Zo eentje dat je maakt met een half oog op de klok en een glas lauwe rosé tussen je knokkels, ergens tussen het avondeten en het tandenpoetsen. Maar zelfs toen, toen het nog niet meer was dan een vreemde huidverdikking in haar lies, voelde het anders. Alsof het al luisterde.
Maureen werkte in de wasserette aan de Molenstraat, al negen jaar lang. Ze kende elke vlek bij naam: het ijzerige randje van bloed, de olie van snackbarvet, de gele schaamtevlekken van mannen die hun ondergoed tot op de draad verslijten. Elke ochtend schoof ze het rolluik omhoog, zette ze de radio op standje achtergrondverdoving en begroette ze de shirts, lakens en theedoeken alsof het mensen waren. Als je lang genoeg naar een lap stof kijkt, leer je iemands leven kennen.
Op een woensdag in maart, toen de regen zich als een bezeten zwerver tegen de ramen smeet, merkte ze dat de plek gegroeid was. Een gelige bobbel, ter grootte van een twee-euromunt, glimmend als nat leer. Ze drukte erop. Het pulseerde. Het voelde warm. Alsof er iets onder zat dat wilde slapen.
´Zou je dat even laten nakijken?´ vroeg Siham, haar collega, terwijl ze samen een kussenhoes uitpluisden waar iemand blijkbaar een papegaai in gewurgd had. ´Je weet toch nog, dat neefje van mijn buurvrouw, die had ook zoiets. Drie weken later lag hij in een houten doos.´
Maureen haalde haar schouders op. ´Het is niks. Misschien een vetbult. Of stress.´
Siham keek haar aan met die blik die alleen moeders perfect beheersen.
Ze begon eraan te krabben. Eerst zachtaardig, met de vingertoppen, daarna met haar nagels. ’s Nachts, tussen droom en ontwaken, voelde ze het trekken. Niet naar binnen, zoals een kramp, maar naar buiten. Naar de wereld.
Op dag zestien begon het te bloeden.
Ze stond in de douche, het water loeiheet, de stoom dik als soep. Toen ze zich afdroogde, zat er een vlek in de handdoek, dieprood en glanzend. Ze voelde geen pijn. Geen wond. Alleen de drang om te kijken. In de spiegel boven de wasbak trok ze haar slip naar beneden.
Het ding had lippen gekregen.
Niet letterlijk. Maar de huid was opengescheurd in iets dat leek op een knijpende, vochtige plooi, donkerroze en vreemd nat. Niet ontstoken. Niet gezwollen. Maar levend. Ze tikte ertegen. Het beefde.
Ze lachte. Hysterisch, kort. Een snik van de andere kant van het verstand. Daarna meldde ze zich ziek en kroop onder haar elektrische deken met een kop kruidenthee die ze proefde.
Elke ochtend inspecteerde ze het ding. Het groeide. Het veranderde van textuur. Van kleur. Van geur. Het rook niet naar etter of dood vlees, maar naar iets warms, dierlijks. Iets dat op haar leek, maar van haar was.
Soms, heel soms, dacht ze dat het tegen haar sprak.
Op dag vijfentwintig vond ze de eerste tand.
Ze lag op bed, benen gespreid, met een zaklamp in haar linkerhand en een make-upspiegeltje in de rechter. Ze had zichzelf geschoren, de huid strakgetrokken, en toen ze met de punt van haar pink langs de randen gleed, voelde ze iets hards.
Ze kneep erin. Het kwam los met een zachte plop, als een rijpe bes die barst. Een kies, perfect gevormd, glanzend wit met een scherp randje. Ze gooide hem van schrik van zich af en hoorde hem tegen de muur tikken.
Drie dagen later vond ze er nog een. En daarna nog twee.
Toen ze er een tang bij haalde, had ze de tel verloren.
De eerste die het merkte, was haar kat. Thomas, zestien jaar oud en al half blind. Hij wilde niet meer op bed komen liggen. Ging blazen als ze hem optilde. Krabde haar in haar slaap.
Ze zette hem buiten. Drie dagen later vond ze hem op de stoep, zijn buik opengereten, zijn ingewanden netjes uitgespreid alsof iemand ze had bestudeerd.
Ze huilde. Niet om Thomas, maar om de gedachte dat het ding hem nodig had gehad.
Ze voerde het.
Eerst met stukjes vlees. Rauw kippenhart, gekocht bij de slager met een gezicht dat iets vroeg. Daarna lever. Dan varkensdarm. Ze legde het in de plooi, de vleesbloem, en keek hoe het verdween. Niet met happen. Er was geen kauwbeweging. Het gleed gewoon naar binnen.
Haar huid bleef intact. Geen wonden. Geen littekens. Alleen een groeiende honger.
Op dag veertig had ze haar eerste blackout.
Ze werd wakker in de kelder. Haar mond zat onder het bloed. Haar handen plakten. Iets lag achter haar, iets hards en zachts tegelijk. Ze durfde zich niet om te draaien.
Pas uren later, toen ze haar kleren had verbrand en de vloer had geboend tot haar knokkels rauw stonden, vond ze de ring. Simpel, zilver, met een initiaal. De M leek op een krabbel van een kind.
Ze had geen idee wie het was.
Vanaf dag vijftig kon ze niet meer praten.
De woorden zaten er nog, ergens in haar keel, maar ze kwamen er niet uit. Haar stembanden waren beschadigd. De dokter, een vermoeide man met handen die te veel hadden gevoeld, schreef het toe aan stress. Ze knikte. Maakte een grapje met haar ogen. Hij lachte beleefd en gaf haar pillen die ze in het toilet gooide.
Soms dacht ze dat het ding haar stem had overgenomen.
Niet hardop. Maar in haar hoofd.
Het sprak in een taal die ze niet begreep, en toch wist ze wat het bedoelde. Als een moeder die haar kind hoort huilen in een andere kamer.
Op dag zestig ging ze naar buiten.
Naakt, blootsvoets, bebloed. Haar huid was dun geworden, doorzichtig bijna, en haar ogen deden pijn in het zonlicht. De mensen op straat deinsden achteruit. Iemand schreeuwde. Een kind begon te huilen. Iemand riep haar naam.
Ze glimlachte.
En haar vleesbloem opende zich.
Niet klein. Niet subtiel. Maar als een kelk, als een klaprozenveld in volle bloei. Vlees en tanden en tongen en ogen, ogen, ogen die haar aankeken van binnenuit. Het zong. Geen melodie. Geen lied. Maar een geluid dat ouder was dan taal.
De eerste die viel, was een man met een aktetas. Hij werd opgenomen. Niet verslonden. Niet verscheurd. Maar opgenomen, alsof hij altijd al een deel van haar was geweest.
De rest volgde.
Ze leeft nog. Soms zie je haar lopen. Op plekken waar het licht te wit is, waar de lucht naar metaal ruikt en niemand echt naar elkaar kijkt. Ze glimlacht vriendelijk. Ze draagt een rok tot op de knie. Haar haar zit in een knot.
Maar als je goed luistert, hoor je het. Een zacht, nat geluid. Alsof iets opent. Alsof iets eet. Alsof jij de volgende bent.
Ze sliep nu onder een brug. Niet uit schaamte, maar uit strategie. Er waren minder spiegels, minder blikken. Alleen het schrapen van rattenpoten, het suizen van wind tussen betonplaten, en af en toe het doffe geluid van een junk die zichzelf vergat. Dat was rustiger.
Ze had geleerd te doseren.
Eén per week. Soms twee, als het regende. Als ze honger had.
De vleesbloem was selectief geworden. Eiste namen. Leeftijd. Trauma’s. Ze proefde het verdriet van een vrouw van achtenveertig met een doodgeboren kind. Ze weigerde een jongen van zeventien zonder herinneringen. Zijn botten braken alsnog, maar ze spuugde hem uit als een fout gerecht.
Maureen waste zich in regenplassen. Ze likte haar polsen schoon als een dier. In haar zak zaten tanden van haar. Ze rangschikte ze soms in patronen. In rijen. Als gebeden.
Op dag honderdnegen sprak het ding voor het eerst hardop.
Niet in haar hoofd.
Niet in dromen.
Maar met haar stem. Uit haar lies.
´Moeder,´ zei het, zacht, bijna verlegen.
Maureen kromp ineen. Ze huilde, zonder tranen, want die had het ding al opgeëist. Iets in haar romp trilde. Ze voelde de organen verschuiven, als kamerplanten die naar licht zochten. De woorden kwamen weer.
´Wat ben jij?´
´Wat jij was,´ zei het. ´Wat jij had moeten zijn.´
Ze lachte, droog en hoog. ´Een tumor met een spraakgebrek?´
Het zweeg. Maar die nacht droomde ze dat haar hele lichaam bestond uit monden. Sommige schreeuwden. Sommige fluisterden. Eén lachte, de hele tijd, met haar moeders stem.
Op dag honderdtwaalf probeerde ze zichzelf te doden.
Met een kapot bierflesje, gevonden bij een verlaten bushokje.
Ze sneed.
Hoog, langs de ribbenkast. In de buik. Diep genoeg om vet te zien. Niet diep genoeg voor rust.
De vleesbloem kromp niet. Integendeel. Hij zong. Een laag, troostend gehum. Als een wiegenlied dat stikte in bloed.
De wond trok dicht. Niet netjes. Niet met hechtingen. Maar als een kus.
Ze viel flauw.
Toen ze wakker werd, had ze een extra tepel op haar schouderblad.
Ze vond een man die haar begreep.
Tenminste, dat dacht ze.
Hij heette Alfred, sprak in halve zinnen en rook naar lijm. Hij zei dingen als ´ik zie je´ en ´jij draagt het licht in je lies.´ Hij vroeg geen toestemming toen hij haar volgde naar een leegstaand gebouw aan de rand van de stad.
Ze kleedde zich uit. Langzaam.
Hij knielde.
En toen de bloem zich opende, lachte hij.
´Prachtig,´ fluisterde hij, ´eindelijk.´
Ze dacht dat het genoeg was. Eén moment van erkenning. Eén iemand die niet wegrende.
Maar de bloem verslond hem.
Ze beminde hem.
Daar, op de vloer, tussen scherven en schimmel, bewoog de bloem zich als een tweede mond. Zijn kreunen mengden zich met haar gehijg. Haar ogen rolden weg.
Toen het klaar was, was hij leeg.
Letterlijk.
Zijn ribben stonden open als een slakkenhuis. Alles daarbinnen was opgegeten, ruw, woest. Maar chirurgisch. Zijn hoofd lag op haar schoot. Zijn tong stak uit, maar glimlachte nog.
´Dank je,´ zei hij. Of ze verzon dat.
Ze wikkelde hem in doeken. Legde hem in een badkuip vol bladeren. Dekte hem toe.
En de volgende ochtend lag daar een cocon.
Bewegend.
Kleiner dan hij.
Ademend.




Opmerkingen