top of page
logo Lowlands Fiction

HET HUISJE – RIK DE LAVALETTA

  • 8 jun
  • 6 minuten om te lezen

 

Mark kocht het poppenhuis op een zaterdag waarop het al de hele dag regende. Hij was eigenlijk op zoek naar een tweedehands fiets voor zijn dochter, maar ergens achter in een stoffige loods bleef Emma plotseling staan.

 ´Papa.´

 Ze wees.

 Tussen oude kasten en stapels vergeelde dozen stond een Victoriaans poppenhuis van donker hout.

 ´Dat is ons huis.´

 Mark keek ernaar.

 ´Ons huis heeft geen torentje.´

 ´Toch is het ons huis.´

 Hij lachte.

 Tien minuten later liepen ze ermee naar buiten.

 Onderweg naar huis zat Emma op de achterbank met het poppenhuis op schoot.

 ´Hoe heet het?´ vroeg Mark.

 ´Wat?´

 ´Het huis.´

 Ze dacht even na.

 ´Dat weet ik nog niet.´

 ´Elk huis moet een naam hebben.´

 Emma schudde haar hoofd.

 ´Niet als het al een huis is.´

 Mark glimlachte. Kinderen konden soms opmerkingen maken waar je niets mee kon.

 Het huisje kreeg een plek in de voormalige logeerkamer, die na zijn scheiding langzaam was veranderd in Emma's speelkamer. De ruimte stond vol knuffels, kleurpotloden, puzzels en half afgemaakte knutselprojecten.

 Emma speelde er bijna iedere dag.

 Mark kwam er zelden.

 De eerste keer dat ze erover begon, besteedde hij er nauwelijks aandacht aan.

 ´Papa, de gang is nu hetzelfde.´

 ´Oké.´

 Een paar dagen later kwam ze opnieuw naar hem toe terwijl hij bezig was een lekkende kraan te repareren.

 ´Papa, er is weer iets veranderd.´

 Mark zuchtte.

 ´Ja, ja, dat weet ik nou wel.´

 Emma zweeg.

 Toen hij opkeek, keek ze hem even aan.

 Niet verdrietig.

 Meer alsof ze verbaasd was dat hij het nog steeds niet begreep.

 Daarna had ze het er een tijd niet meer over.

 De maanden verstreken.

 Op een avond moest Mark naar boven om een lamp te vervangen in de speelkamer.

 Terwijl hij op een stoel stond, viel zijn blik op het poppenhuis.

 Hij bleef even kijken.

 Er klopte iets niet.

 Niet iets groots.

 Meer een gevoel.

 Zoals wanneer je bij iemand thuiskomt en merkt dat de meubels anders staan, terwijl je niet kunt aanwijzen wat er precies veranderd is.

 Na het vervangen van de lamp hurkte hij voor het huisje neer.

 De woonkamer voelde bekend.

 De keuken ook.

 Zelfs de kleur van de muren.

 Hij probeerde zich te herinneren hoe het huisje eruit had gezien toen hij het kocht.

 Dat lukte minder goed dan hij had verwacht.

 Die avond zocht hij oude foto's terug.

 Toen hij de foto van de aankoop vond, bleef hij verstijfd naar het scherm kijken.

 Het huisje op de foto was totaal anders.

 Donkergroen behang.

 Zware meubels.

 Een gietijzeren kachel.

 Nergens een televisie.

 Nergens een moderne keuken.

 Hij liep meteen naar boven.

 Nu leek het interieur opvallend veel op zijn eigen woning.

 Niet exact.

 Maar dichtbij genoeg om ongemakkelijk te voelen.

 De volgende ochtend vroeg hij het aan Emma.

 ´Heb jij dit veranderd?´

 ´Nee.´

 ´Zeker weten?´

 ´Ja.´

 ´Het zag er vroeger anders uit.´

 Emma haalde haar schouders op.

 ´Misschien voor jou.´

 Die opmerking bleef de hele dag in zijn hoofd hangen.

 Misschien voor jou.

 Vanaf dat moment begon hij foto's te maken.

 Elke ochtend.

 Elke avond.

 Aanvankelijk gebeurde er niets.

 Of misschien gebeurde er wel iets, maar zag hij patronen die er niet waren.

 Dat hield hij zichzelf tenminste voor.

 Tot hij op een ochtend een stoel zag liggen in de miniatuurwoonkamer.

 Een omgevallen stoel.

 Meer niet.

 Die avond bleef hij met zijn voet achter de stoel in zijn echte woonkamer hangen.

 De stoel viel om.

 Mark keek er minutenlang naar.

 Hij vertelde zichzelf dat het toeval was.

 De volgende ochtend stond er in het huisje een koffiekopje scheef op het aanrecht.

 Dat was alles.

 Hij voelde zich bijna opgelucht.

 Tot hij die middag thuiskwam en zijn eigen koffiekopje half over de rand van het aanrecht zag hangen. Op precies dezelfde manier.

 Hij zette het recht.

 Bleef ernaar kijken.

 En voelde hoe de opluchting weer verdween.

 Een paar dagen later zag hij een kapotte lamp in het huisje.

 De volgende dag begaf een lamp in zijn keuken het.

 Daarna stond er een raam open.

 Een dag later stond hetzelfde raam beneden open.

 Hij begon alles op te schrijven. Dat gaf hem tenminste het gevoel dat hij nog ergens controle over had.

 Hij noteerde tijden.

 Data.

 Waarnemingen.

 Na drie weken zat hij met drie pagina's vol gebeurtenissen die steeds één dag later terugkeerden.

 Hij stopte met schrijven.

 Omdat hij het antwoord eigenlijk al kende.

 Vanaf dat moment keek hij iedere ochtend als eerste naar het huisje.

 Hij zei tegen zichzelf dat het onderzoek was.

 Maar diep van binnen wist hij dat het iets anders was.

 Nieuwsgierigheid.

 Misschien zelfs afhankelijkheid.

 Op sommige dagen voelde het alsof hij eerst moest weten wat het huisje liet zien voordat hij aan zijn eigen dag kon beginnen.

 Emma merkte het.

 ´Je kijkt te veel.´

 ´Waarnaar?´

 Ze wees naar het huisje.

 ´Daar.´

 ´Ik probeer iets uit te zoeken.´

 Ze schudde haar hoofd.

 ´Nee.´

 ´Nee?´

 ´Je zit alleen maar te kijken.´

 Mark wilde lachen.

 Maar dat lukte niet helemaal.

 Een paar dagen later keek hij opnieuw in het huisje.

 In de woonkamer stond iemand.

 Een piepklein figuurtje.

 Niet groter dan een paar centimeter.

 Mark voelde direct een spanning in zijn borst.

 Het figuurtje leek op hem.

 Dezelfde houding.

 Dezelfde donkere trui.

 Hij knipperde.

 Het raam was weer leeg.

 Die nacht sliep hij nauwelijks.

 De volgende ochtend stond het figuurtje terug op exact dezelfde plek.

 Nu keek het omhoog.

 Recht naar hem.

 Mark pakte zijn telefoon en maakte een foto.

 Toen hij de foto bekeek, fronste hij.

 Hij zoomde verder in.

 Eerst dacht hij dat het een reflectie was.

 Daarna dat zijn ogen moe waren.

 Hij legde de telefoon weg.

 Pakte hem opnieuw op.

 Keek nog een keer.

 Het figuurtje keek recht in de lens.

 Niet ongeveer.

 Niet toevallig.

 Recht in de lens.

 Alsof het wist dat hij keek.

 Alsof het wist dat hij een foto maakte.

 Die avond besloot Mark dat het genoeg was geweest.

 Hij zou stoppen.

 Geen foto's meer.

 Geen observaties meer.

 Geen poppenhuis.

 Maar nog voor het ontbijt stond hij de volgende ochtend alweer boven.

 En toen zag hij de deur.

 Achter in de keuken.

 Een deur die er nooit geweest was.

 Hij controleerde alle oude foto's.

 Geen deur.

 Nergens.

 Een dag later stond de deur open.

 Daarachter liep een stenen trap naar beneden.

 Zijn huis had geen kelder.

 Dat wist hij zeker.

 Tenminste, dat dacht hij.

 Want ineens herinnerde hij zich iets.

 Toen hij het huis jaren geleden had gekocht, had de makelaar ooit een opmerking gemaakt over een verbouwing uit de jaren vijftig.

 Verder had hij er nooit aandacht aan besteed.

 Ook waren de buitenmaten van het huis nooit helemaal logisch geweest vergeleken met de plattegrond.

 Kleine dingen.

 Dingen die je vergeet.

 Totdat je ze ineens niet meer vergeet.

 Die nacht sliep hij nauwelijks.

 Steeds opnieuw zag hij die deur voor zich.

 Steeds opnieuw dacht hij aan de trap.

 Tegen de ochtend had hij zichzelf ervan overtuigd dat hij doorsloeg.

 Dat er een logische verklaring moest zijn.

 Dat er altijd een logische verklaring was.

 Pas de volgende avond begon hij te zoeken.

 Achter een hoge voorraadkast in de keuken hoorde hij een hol geluid.

 Twee uur later stond hij tussen stof, puin en stukken gipsplaat.

 Daarachter zat een opening.

 Met een stenen trap.

 Precies zoals in het huisje.

 Beneden vond hij een kleine ruimte.

 Leeg.

 Op één ding na.

 Een houten tafel.

 Daarop stond een poppenhuis.

 Zijn poppenhuis.

 Maar kleiner.

 Mark kwam langzaam dichterbij.

 Hij zag de woonkamer.

 De keuken.

 De verborgen trap.

 De kelder.

 En beneden in die miniatuurkelder stond een piepkleine man.

 Grijs haar.

 Donkere trui.

 Zijn gezicht.

 Het mannetje keek omhoog.

 En deze keer deed het iets wat Mark nooit meer zou vergeten.

 Heel langzaam legde het zijn hand tegen het glas.

 Alsof het wist dat hij daar stond.

 Alsof het hem smeekte.

 Of waarschuwde.

 Mark keek naar het mannetje achter het glas.

 Ineens vroeg hij zich af hoe lang die daar al stond.

 Misschien had diezelfde man ooit ook een trap afgedaald.

 Misschien had hij ooit ook een kleiner poppenhuis gevonden.

 Boven hem kraakte een vloerplank.

 Heel zacht.

 Mark keek omhoog naar het plafond van de kelder.

 Toen naar het kleine poppenhuis.

 Toen weer omhoog.

 Voor het eerst vroeg hij zich niet af wie daar liep.

 Voor het eerst vroeg hij zich af hoeveel plafonds er nog boven dat geluid lagen.

 

Opmerkingen


bottom of page