JAERLYCKSCHE VERGAEDERINCK - PATRICK BERNAUW
- 1 apr
- 8 minuten om te lezen

Een korte versie van dit verhaal werd, met postkaart, opgenomen in het boek Groetjes uit de Vierde Dimensie (de Scriptomanen, 2026). Dit verhaal is ook opgenomen voor de podcast Mysterieus België, terug te vinden op alle podcast platforms als Spotify, Apple Podcast, Podimo enz…
België heeft abdijen in overvloed waarover mysterieuze verhalen te vertellen zijn. Van een initiatiecentrum van de laatste druïden op het Europese vasteland onder de ruïnes van Ten Duinen in Koksijde, tot de merkwaardige profetieën van Nostradamus in Orval en de schatten van de Bourbons die daar verloren zijn gegaan. Het schilderijtje vond ik in een antiek en brocante winkel; het stelde de eeuwenoude puinen van zo’n klooster voor – stenen bogen in verval, bewerkt met diepe rood-, oranje- en goudtinten die het beeld lieten baden in een vurige, bijna apocalyptische gloed. Het metselwerk was gebroken en oud, de lucht vervaagd tot violet, alsof de schemering zelf met rook was geschilderd.
Het kunstwerkje was niet getekend, maar op de achterkant stonden enkele woorden geschreven in bruin geworden paarse inkt, die mogelijk de titel konden zijn: Ik hoorde van verschydenen over de Jaerlyksche Vergaederinck in een Clooster. Het schilderijtje voelde aan als een relikwie, mijn vondst zelf als deels uitnodiging, deels waarschuwing, deels bezwering.
In een antiquariaat voor zeldzame boeken had ik ooit, geplet tussen vergeelde pelgrimsbrochures en een gebedenboek dat naar heiligschennis rook, een drukwerkje gevonden over de geschiedenis van de abdij van O. Bedenkt u hier een abdij bij waarvan de naam in dit verslag al gevallen is, weet dan dat ik de O alleen heb gekozen omdat zij de vorm heeft van een cirkel, die geen einde kent, en geen begin. De cover en de titelbladen ontbraken, zodat ik het raden had naar het jaar van uitgave, maar naar de arbitraire spelling te oordelen, schatte ik die laat achttiende eeuws – wellicht net voor zovele kloosters tot puin werden gebombardeerd door sansculotten die de Revolutie predikten. Ook de welbekende abdij van Affligem, vlak bij het huis waar ik woon, had ooit dit trieste lot gedeeld, maar was een hele tijd later wel helemaal opnieuw gebouwd, zonder een spoor achter te laten van de oude ruïne. Wat ik best wel jammer vond.
Ik had geen plan. Ik had deze ene regel die klonk als een wachtwoord, zonder dat ik wist voor welke poort ze bestemd was. Maar in wat nog restte van de brochure die ik had gekocht, viel de naam van het bewuste ‘Clooster’ dat figureerde op het schilderijtje. De volgende dag stapte ik dus in mijn wagen en volgde de GPS naar de ruïne van O., met zijn stenen bogen als verkoolde ribben die verdronken in het avondlicht.
Bij de doorgang zat een sportieve dertiger op een klapstoel. Ik toonde hem een foto van de achterkant van het schilderijtje, met wat ik als de titel beschouwde. Vraag mij niet waarom, dit soort dingen doe je instinctief. Schrijven deed ik ook eerst altijd vanuit de buik, intuïtief – het plan kwam pas later. En deze regel had mij nu eenmaal als een wachtwoord in de oren geklonken.
De man knikte naar mij alsof hij een onzichtbare stempel op mijn voorhoofd zette. Er werden geen vragen gesteld, mijn naam werd nergens geregistreerd. Niemand keek naar mij om, en dat gaf mij moed. Ik nam mijn iPhone uit de binnenzak van mijn jas, drukte op ‘rec’ en stak hem in het borstzakje van mijn hemd, waarna ik onder de bogen door verder slenterde.
De lucht rook naar natte steen en oud hout, niet naar wierook maar naar wietrook – sorry voor de silly joke, soms is het sterker dan mezelf. De mensen om me heen – enkele tientallen toch – spraken fluisterend, niet samenzweerderig, maar om de heiligheid van de plek niet te verstoren. Het viel me op dat de gemiddelde leeftijd niet veel hoger dan drieëndertig moest zijn – de leeftijd van Christus aan het kruis – en dat ze er allemaal zo fris en fruitig bij liepen. Vitaal, gedreven door een bezielde, jeugdige, slechts met grote moeite en zeer voorlopig beteugelde Sturm und Drang. Zonder uitzondering blaakten ze van een intense levensvreugde, maar ze probeerden er niet mee uit te pakken, omdat de gelegenheid zich daar niet toe leende. Het Franse gezegde ‘pour vivre heureux, vivons cachés’ kwam me voor de geest: als we gelukkig willen zijn, moeten we teruggetrokken leven, in de privacy van onze eigen kleine binnenste cirkel, weg van de aandacht en de nieuwsgierige blikken van de wereld. Wij etaleren onze rijkdom niet, wij koesteren en vieren ze onder gelijkgezinden.
Een bloedmooie rijzige jonge vrouw van hooguit drieëndertig in het sportieve witte plunje van een wellness coach – die tegelijk iets sacraals had, iets dat een hogepriesteres 2.0 kon dragen – ging in het epicentrum van het gebeuren staan en klapte in de handen. Ze stelde zich voor als Hester ‘as almost all of you will probably know by now’ – wat haar publiek een beschaafd grinniken ontlokte. Vervolgens sprak ze een welkomstwoord uit in een Engels met redelijk Hollandse tongval. Ze kondigde aan, ten overvloede, bijna achteloos, omdat het nu eenmaal tot de procedure of het ritueel behoorde, dat de ceremonie over drie opeenvolgende nachten liep. ‘The first night we cleanse, the second night we bind up, the third night we confirm.’ En daarbij klonk ze zoals je het weer voorspelt: vanzelfsprekend, met een kleine kans op buien. Ik knikte alsof ik het begreep. De anderen keken alleen maar
Het gezelschap had een onmiskenbaar internationaal karakter, de voertaal was Engels – met een amalgaam van curieuze, vaak niet thuis te brengen accenten. Er werd ook polyfoon gebeden, mijn artificieel intelligente assistent herkende de taal later als Sanskriet: Aṭlāṇṭisayasya Rasāyanavid Tumhāraṁ bhāraṁ sīsakasya Atyadhikaṁ vācaḥ kṛte Kandharāt visarjaya, daha, Prakāśaya, vāṣpīkuru, Muṣalayā bhāraya Rākṣasānāṁ daityānāṁ ca Kolāhalam. Śuddhaya teṣāṁ kṛṣṇaṁ ātmānaṁ, Yathā śvetaṁ suvarṇaṁ Yat śodhitaṁ asti Rasāyanavidā Ca yatra prāptaṁ asti Nimagnaṁ tamasi Śītalé ca jalasya Aṭlāṇṭisasya upari.
ChatGPT slaagde erin een Nederlandse vertaling te maken, maar omdat die zoals te verwachten viel iedere poëtische kwaliteit ontbeerde, heb ik ze enigszins bewerkt tot dit gedicht: Alchemist van Atlantis Laad die last van lood – te groot voor woorden – van je schouders, veras & verlicht & verdamp & verzwaar met een molensteen het gekrakeel van duivels en demonen. Zuiver hun zwarte ziel, als wit goud dat gelouterd is door een alchemist en gevonden waar het was verzonken in de donkerte en de kou van het water boven Atlantis.
Zowat iedereen deed mee – of deed alsof. En ik prevelde dan ook maar wat devoot voor me uit, er wel op lettend dat ik voldoende afstand in acht nam tot mijn buren. Toen het gebed werd beëindigd, bleek er iets merkwaardigs gebeurd: mijn tinnitus was weg. De altijd aanwezige branding in mijn hoofd was niet zachter gaan klinken, was niet een beetje minder aanwezig geworden – ze viel gewoon… weg.
Terug in mijn hotel luisterde ik naar de opname van nacht één. Lage, trage pulsen — ik kon er zonder enige twijfel drie onderscheiden: adem, stap, wind — en af en toe een vierde die geen naam wilde hebben, alsof de stenen zelf aan het woord waren.
Gedurende de rest van tijd die de bijeenkomst in beslag had genomen, was er nauwelijks gesproken. Hester had enkele oefeningen voorgedaan die door de voltallige vergadering – mijzelf incluis, mits enig gestuntel en voortdurend een tikje achterop lopend – waren overgenomen. Het had iets van tai chi, een sacrale dans, een lenterite – maar dan zonder de uitbundigheid. Achteraf had ik er geen flauw benul van hoe lang het had geduurd, hooguit een minuut – of een halve eeuwigheid. Het leek wel of Hester de tijd had stilgezet. Of uitgerekt, dat kon ook.
Mijn tinnitus bleef uit. Pas toen ik mijn hoorapparaat afzette, meende ik een kort, waarschuwend zoemen te horen. Zodra ik het weer opzette, keerde de stilte terug.
In de namiddag tussen nacht één en twee dook ik in het gemeentearchief, omdat alles in dit land een dossier heeft. Een map ‘Klooster – secularisatie – randzaken’ bood mij een vervolg op de geschiedenis van de abdij, die in de brochure van de rommelmarkt net voor de Franse Revolutie was gestopt. Dezelfde elementen keerden terug, na de opheffing van de reguliere kloosterorde in 1797 en het sluiten van de abdij. Een kleine historie van afschaffingen was het, van het verkopen van steen, en herbestemmingen met brave intenties. In 1893 verliet een deelnemer een bijeenkomst waarover geen verdere bijzonderheden werden gegeven, ‘vrijwillig, om elders zichzelf te worden’ (drie keer onderstreept, telkens met inkt in een andere kleur). In 1978 hielden de scouts een nachtspel met kaarsen, dat vreselijk uit de hand liep. Er was enige briefwisseling met geruchten over een ‘verjongingsritueel’, gevolgd door een verordening die kamperen op de site ten strengste verbood. Kort daarna bleek de ruïne aangekocht door een tweetalige vereniging uit Brussel, het Metafysisch Genootschap / Société Métaphysique. Er werd een vergunning aangevraagd voor een brede ‘stiltecirkel’ rond het terrein. Ik maakte wat notities, en grinnikte om de synchroniciteit van het Metafysisch Genootschap, waarover ik pas een paar weken eerder een eerste keer had gehoord, in het kader van mijn bezoek aan de bibliotheek van baron Alexandre.
De stilte in mijn hoofd trilde tevreden, en toen de schemering van nacht twee viel, ging ik opnieuw op pad, met hetzelfde wachtwoord op zak.
De man op de klapstoel was vervangen door een andere, die niet naar mijn papier keek, maar boven mij heen, naar iets hoog in de restanten van een muur dat ik de eerste nacht niet had gezien: een dof rond glaasje, in de steen gezet als een pupil.
‘Gij komt er vandaag niet meer in,’ zei hij in oud-Vlaemsch.
‘Waarom niet?’
‘Het Alziend Oog heeft u gezien. Gij hebt opnames gemaakt met uw hoorapparaat.’
Ik trok een grimas, nam mijn hoorapparaat achter mijn oor vandaan. ‘Dit dient om beter te horen, je kunt er geen opnames mee maken.’
Hij wees naar mijn zak, waar de iPhone zat. ‘Ik bedoel dit.’
‘O.’
Ik beloofde plechtig de plek geheim te houden, maar het hielp niet. Hij haalde er Hester bij, die nog steeds klonk als een wellness coach – maar even onverzettelijk bleef. Ik beloofde het nog eens, en nog eens – maar ook zij bleef onvermurwbaar. ‘We kunnen het risico niet nemen,’ zei ze.
Achter haar zag ik enkele figuren verschijnen, die me vreemd bekend voorkwamen – maar het zal wel inbeelding geweest zijn, een typisch geval van apophenie. Ik draaide me om en daar was de ruis ook weer, alsof mijn tinnitus het met Hester eens was en wilde zeggen: ‘Luister maar, jongen. Dat komt ervan!’
Thuis brak ik mij het hoofd over de aard en het doel van de ‘vergaederinck’. Uiteindelijk zocht ik het antwoord onder de ene leesbare regel op de achterkant van het schilderij: daar leek een stukje papier op geplakt. Ik krabde het weg met mijn nagel en zo kwam er een tweede regel aan het licht: ‘Ik hoorde van verschydenen over de Jaerlyksche Vergaederinck in een Clooster / alwaer men zig verjongen kan en weederkeeren in de Nieuwe Tyden.’ De eerste regel was een toegangsticket geweest, de tweede hield een verklaring in. Ik had alleen de reiniging meegemaakt, het verbinden en bevestigen zou tijdens de volgende nachten gebeuren – maar zonder mij. Ik had het recht op deelname verspeeld.
En nee, ik zal geen audiofragmenten openbaar maken om te bewijzen dat ik dit verhaal niet verzonnen heb. En ja, ook de precieze locatie zal naamloos blijven. Een archief kan ritselen, stenen kunnen brommen en mijn artificieel intelligente assistent zal op tijd en stond hallucineren – zoveel is zeker. Maar het Alziend Oog heeft gelijk: sommige dingen blijven alleen goed als ze niet vastgelegd, laat staan bewaard worden.
Ik ben hier niet verjongd uitgekomen. Mijn tinnitus is teruggekeerd en ik moet nog steeds opletten dat ik mijn versleten tussenwervelschijven niet al te zeer op de proef stel. Voor de rest heb ik het wachtwoord niet opgeborgen in mijn map, maar meegedeeld aan jou, beste lezer. Jij kunt er nu je voordeel mee doen. Als je het Clooster van O. op een goeie dag weet te vinden, denk er dan aan dat sommige sleutels de poort slechts één enkele keer openen. Dat is geen straf, hooguit een les om te onthouden voor de volgende poort.




Opmerkingen