top of page
logo Lowlands Fiction

GEEN TIJD VOOR ANGST – PETRA CORET

  • 28 mei
  • 14 minuten om te lezen

 

Roberto Casiraghi slaakte een zucht van verlichting. Met een plof viel hij neer op het houten bankje van de derde klasse. Gelukkig was de trein bijna leeg. Achter hem verdween het station met de boze wachters in de verte. Als hij geweten had wat hij nu wist had hij deze opdracht nooit aangenomen. Of misschien toch wel, hij kreeg er goed voor betaald: vijfentwintigduizend daalders. Maar dat alleen al had hem aan het denken moeten zetten.

 Het klonk zo simpel. Ga naar het landhuis van graaf Midholm en haal drie schilderijtjes op die daar aan de wand hangen. De graaf was inmiddels vijftien jaar dood en zijn erfgenamen hadden het huis met alles er in verkocht. Dat had best nog een tijd geduurd. Vreemd genoeg waren er niet veel gegadigden geweest. Misschien lag het aan de locatie want het landhuis lag natuurlijk nogal ver van de bewoonde wereld.

 Roberto fronste. Niemand had hem verteld dat het nu een gekkenhuis was. Goed, een ´Tehuis voor Mensen met een Getroebleerde Geest.´ Dat was wat hem betreft hetzelfde. Hoe dan ook, het was niet makkelijk geweest de laatste paar dagen maar de schilderijtjes zaten nu veilig opgeborgen in zijn koffer. Hij moest ze alleen nog afleveren bij de opdrachtgeefster. Die woonde aan de andere kant van de bergen en de snelste manier om er te komen was met deze nachttrein door de Grote Tunnel door de Noordwal. Dat was de hoge en zo goed als onbegaanbare bergketen die het westelijk deel van het Keizerrijk scheidde van het oostelijke deel.

 De uitvinding van de stoomtrein had veel veranderd en de aanleg van de Grote Tunnel helemaal. Op zoek naar nieuwe bronnen van steenkool had men een soort van grottenstelsel gevonden die prima bruikbaar was als spoortunnel. Vooruit, hij liep niet helemaal door naar de oostkant maar dat laatste stukje was nog te doen. En zo hadden de ingenieurs van Ludwigstad in vrij korte tijd een dubbele spoorlijn aangelegd en de toegang tot de Moeraslanden aan de andere kant ontsloten. Zo kon men veel makkelijker de Binnenzee bereiken en alle dorpjes en steden daaromheen.

 Graag had Roberto de ingenieursopleiding genoten aan het Technisch Instituut van Ludwigstad en meegebouwd aan dit soort technische hoogstandjes. Maar ja,…

 Op de eerste plaats was er geen geld en op de tweede plaats was er die burgeroorlog waarbij hij werd opgeroepen als soldaat. Tot zijn chagrijn werd hij ondanks al zijn pogingen niet uitgekozen om bij de genie te komen. Hij vond zijn taak als frontsoldaat niet heel erg bevredigend. Nadat hij zwaargewond was geraakt bij de slag bij Gyrekthal en op invalideverlof was gestuurd had hij zich voorgenomen niet meer door te vechten. Hij had voldoende ellende gezien.

 Helaas was ondertussen de economie zo erg verslechterd dat de antiekwinkel van zijn vader failliet ging. Het was teveel voor de oude man die de eerstvolgende winter niet overleefde. En zo was hij in contact gekomen met het Gilde van de Nacht. Eerst vroegen ze hem slechts om voorwerpen die op twijfelachtige wijze verkregen waren te authentiseren. Zijn vader had hem immers een hoop geleerd over kunst en antiek. Dat leverde nou niet heel veel geld op en hij besloot dat hij de voorwerpen in kwestie beter zelf kon, ehmm… liberaliseren. Bij de bron zelf, dus.

 Hij bleek er nog goed in te zijn ook. Al gauw werd hij bekend bij zowel de onderwereld als bij de autoriteiten. Hij werkte tegenwoordig in opdracht. En zo was hij bij het landgoed van graaf Midholm terechtgekomen.

 De graaf was een vreemd figuur. Hij werd minstens honderd jaar oud en overleed op al even mysterieuze manier als waarop hij leefde. Op een ochtend werd hij levenloos aangetroffen in de toren van het landhuis. Dat wil zeggen: zijn bovenlijf dan. Waar de rest was bleef vooralsnog een raadsel.

 Daarna had het gebouw dus nog jaren leeggestaan voor het werd verkocht aan een geneesheer directeur. Roberto had zich naar binnen gepraat door zich voor te doen als verzorger. Hij werd zonder enige argwaan toegelaten tot het gebouw. Later begreep hij dat de werknemers van het gesticht meestal niet lang bleven en waarom.

 Het waren niet de patiënten; niet de dame die verontrustende kinderliedjes zong, en ook niet de ´kikkerman´. Het was ook niet de kapel van de heilige Gertrudis, patroonheilige van hopeloze zaken die vol zat met de beeltenissen van allerlei vreemde geschubde wezens.

 Nee, het was die keurig geklede man die door het personeel de ´professor´ werd genoemd. Hij zat in zijn eentje in een kamertje, met drie sloten op de deur. Hij keek Roberto elke nacht aan met die haast levenloze ogen. Het was een afwezigheid van menselijkheid.

 Vooral gedurende de nachten. Die onnatuurlijk stille nachten.

 En uitgerekend daar waren de schilderijtjes.

 Maar gelukkig was het voorbij en morgenmiddag kon hij dit allemaal achter zich laten.

 Nadat hij in de restaurantwagen een eenvoudige maaltijd had genuttigd, samen met een chauffeur en een kinderjuf genaamd Elena, sukkelde hij weg op de houten bank die hem tot bed moest dienen. Zo laat in het jaar werd het vroeg donker. Een paar eenzame paarsrode zonnestralen verlichtten de trein van achteren. Voor hem lag de Tunnel. Een zwart gat in een nog zwartere bergwand.

 Zijn gedachten gingen kort terug naar de gesprekken die hij had gehad met de chauffeur, die zich zorgen maakten over zijn voertuig, dat op de achterste, platte wagen werd vervoerd. En natuurlijk dacht hij ook aan de vermoeid uitziende Elena, die zich zorgen maakte om de vier kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf die ze onder haar hoede had. Ze was er van overtuigd dat in de Moeraslanden aan de oostkant van de Noordwal alleen heksen en gekken leefden. En uitgerekend daar was de familie naartoe op weg.

 Verder waren er nog drie arbeiders geweest die werk zochten in de mijnen. Met hen had hij nauwelijks een woord gewisseld.

 In de derde klasse was een dunne deken en een al even dun kussen al luxe. Maar Roberto klaagde niet. Met zijn koffer onder zijn kussen en zijn armen er stevig omheen geklemd viel hij bij het geruststellende gepiep van de wielen op de rails en het gezucht en gesteun van de locomotief niet ver voor hem diep in slaap.

 Vrijwel meteen dook hij een nachtmerrie in.

 

Zijn droomzelf liep door de verveloze gangen van het landhuis. Hij vervloekte zijn opdrachtgeefster die hem niet had verteld waar de drie schilderijtjes zich bevonden. Ze had hem slechts een vage beschrijving gegeven van de afbeeldingen en de naam van de schilder. Ene Baladar. Nooit van gehoord.

 De stilte in het gesticht was iedere keer weer onverwacht en oorverdovend. Dat maakte elke stap die hij zette, elke deur die hij opende, elke ademteug zelfs, bijzonder enerverend. Normaal gesproken moest hij juist zo stil mogelijk zijn. Hier niet. Er was niets behalve deze afwachtende haast dreigende stilte. Het werkte hem danig op de zenuwen.

 Al gauw hield hij het nauwelijks nog vol. Hij had het bijna opgegeven. Het was hopeloos en onmogelijk. Gekmakend. Hij vroeg zich af hoeveel patiënten er inmiddels gekker waren dan voor ze hier kwamen wonen.

 En uiteraard hingen de schilderijtjes in de gang tegenover de professor. De man die geen menselijkheid leek te bezitten. Tussen twee ongelooflijk smerige landschapjes hing het portret van een vreemd uitziende persoon. Zijn voorhoofd had een onnatuurlijke, onregelmatige vorm, zijn oren waren veel te groot, zijn mond was te groot en gevuld met teveel tanden.

 En waar de professor geen emoties leek te bezitten spatten de emoties van de ogen van de geportretteerde af. Voornamelijk woede. En haat. Maar ook een tomeloze minachting. Om zich af te leiden keek Roberto naar de landschapjes links en rechts. Die waren niet veel beter. Links stond het landhuis van de graaf maar het werd omgeven door vlammen. En liepen daar nu gillende mensen voor de ramen? Rechts was een afbeelding van het huis in een afzichtelijke kleur groen. Iets lichtgroens en langwerpigs leek het huis te doorboren van bovenaf zodat het instortte. Het leek wel een andere wereld.

 Snel haalde hij de schilderijtjes van de muur en wikkelde ze in doeken. Hij voelde zich meteen een stuk beter.

 Ineens klonk een afgrijselijk gelach.

 

Roberto schrok wakker te midden van gegil. Was hij dat zelf of was het de stoomfluit ? Het was een schril en onaangenaam geluid. Meteen hierna schrok hij zich wezenloos. Zijn koffer was weg! Hij was in slaap gevallen met zijn armen rond de koffer en nu was het ding er niet meer. De schilderijen, die hem een fortuin moesten opleveren: foetsie! Hij vloekte en vloog overeind. Hij moest ze terugvinden. De dader moest nog aan boord van de trein zijn en die reed te hard om uit te stappen zonder je nek te breken. Wanneer kwamen ze bij de volgende halte? Middernacht, was het niet?

 Met moeite stond hij op. Door de huidige snelheid schudden de coupés heftig heen en weer en hij viel bijna een keer of twee. Voor hem was niets meer behalve de kolenwagen en de locomotief, dus daar kon de dief niet zijn.

 Het geluid van de stoomfluit snerpte. Steeds weer opnieuw. De trein schudde steeds harder. De lampen aan de linkerkant van de tunnel flitsten zo snel voorbij dat het een lang lichtspoor werd. De lampen aan de rechterkant waren donker. Hij snapte er niets van.

 Vlak voorbij de deur naar het compartiment achter het zijne struikelde hij over iets. Het was een van de arbeiders. Tenminste, hij droeg dezelfde kleding. De man lag voorover in een grote plas bloed. Roberto draaide hem om en week spontaan een paar stappen achteruit. Het gezicht van de man was weg. Compleet weg. Het was alsof iets met scherpe tanden het er gewoonweg van af gebeten had. Naast de man lag de lijst van een van de vermiste schilderijtjes. Welk schilderij het was was niet meer te achterhalen .

 Nadat Roberto zijn maag had geleegd in de dichtstbijzijnde prullenbak, keek hij nogmaals rond in de coupé. Hij kon verder geen sporen ontdekken. Op het bagagerek lagen drie plunjezakken en een gebroken koffiebeker lag op de grond. De koffie droop naar achteren.

 Hij draaide zich om en vluchtte door de deur naar achteren met de vage gedachte om de conducteur te vinden om hem te helpen. Zijn koffer was even niet zo relevant.

 In de coupé erachter vond hij alleen de doodsbange kinderjuf opgerold in een hoekje. Haar gezicht had een groenige tint en ze had een buil op haar hoofd..

 Zodra ze hem zag klampte ze zich aan hem vast.

 ´Heb je gezien …?´ stamelde ze. ´Help me… De kinderen! Het is vreselijk…´

 ´Ik sliep,´ antwoordde Roberto, ´Ik heb alleen wat gehoord. Denk ik. In een droom. Zijn de kinderen…´

 Hij moest er niet aan denken. Herinneringen uit zijn diensttijd dreigden naar boven te komen. Hij duwde ze hardhandig terug.

 ´Ik weet niet hoe het met ze is behalve dat ze in gevaar zijn. Ik probeerde naar ze toe te gaan. Echt. Normaal ben ik niet zo´n angsthaas. Ik viel om.´

 Roberto wilde dat hij een echt wapen had. Zijn dienstrevolver bijvoorbeeld. Hij was hem kwijtgeraakt tijdens een verblijf in de cel.

 Elena trok uit haar handtasje een halve schaar tevoorschijn. Het ding zag er vlijmscherp uit.

 ´Voor als ik ´s avonds over straat moet,´ legde ze uit.

 Waarop Roberto een stiletto uit zijn laars trok en de twee een grimmige glimlach deelden.

 Het was het geluid van nagels over een schoolbord, maar dan in tienvoud, dat de glimlach in een grimas van pijn deed veranderen. Het kwam van ergens achter de trein. En samen met dat oorverdovende gepiep kwam een felgroen licht. Zo fel dat ze hun ogen moesten afwenden om niet verblind te raken.

 De trein schokte zo erg dat beiden hun evenwicht verloren en half vielen. De kinderjuf schreeuwde hem iets toe wat hij niet verstond. Het was helaas maar al te duidelijk waar ze het over had.

 Een slank voertuig dat nog het meeste op een trein leek, maar dan zonder schoorsteen en met solide wielen zonder spaken sjeesde langs hen heen. In de locomotief stond een onherkenbaar wezen. Het leek nog het meeste op een levende schaduw. Zeker niet menselijk. Het keek hen aan vol haat

 IJzige kou raakte Roberto aan tot diep in zijn binnenste. Hij bevroor en verbrandde tegelijk.

 Dan schoof de trein, opzij, naar hen toe. Dat kon helemaal niet. Op de eerste was het er niet breed genoeg voor. En op de tweede plaats nam de helse trein daarmee dezelfde plaats in als zijzelf.

 Toch gebeurde het.

 Twee werden een.

 Roberto zag bij Elena dezelfde gelaatsuitdrukking. Een gevoel van desoriëntatie, misselijkheid, tijdloosheid. Alsof ze platgedrukt werden en uitgerekt tegelijkertijd.

 Daarna: stilte.

 Alles om hen heen had nu een vieze lichtgroene tint. Lopen ging zwaar alsof ze onderwater waren. Praten was niet te doen. Roberto zwaaide met zijn mes dat ze naar achteren moesten lopen. Alles was beter dan dichterbij de vreemde locomotief met die onmenselijke machinist.

 In de volgende coupé vonden ze het lijk van de chauffeur met zijn handen in een wurggreep rondom de nek van een van de andere arbeiders. Die had een kogelgat in zijn voorhoofd. Waar de chauffeur aan overleden was, was niet duidelijk. Beide gezichten straalden pure angst uit.

 Vijf wankele stappen verder, de trein leek nog steeds harder te rijden-, lag de koffer. Roberto schudde hem leeg. Leger. Alles wat er nog in zat waren kleren en toiletartikelen. En de doeken waar ooit de schilderijen in zaten .

 Elena pakte zijn schouder. Hoewel hij nog steeds niet kon verstaan wat ze zei begreep hij wat ze bedoelde. De kinderen. Die waren natuurlijk haar grootste prioriteit.

 Op weg dan maar.

 De wanden van de tunnel flitsten steeds sneller voorbij. Waar waren ze? Dit zag er allang niet meer uit als de Tunnel waar ze daarnet doorheen reden. Het leek wel vloeiend metaal.

 De binnenkant van de trein leek ook wel veranderd. Of toch niet. Het was alsof er twee treinen waren en ze bevonden zich in allebei tegelijk. Dat zou verklaren waarom hij zich zo onpasselijk voelde.

 Langzamer dan hij zou willen bewogen ze zich richting de achterkant van de trein.

 Het restaurant derde klasse was leeg. Maar niet echt. Vanuit zijn ooghoek zag hij een schoen op de vloer liggen. Een stuk van een voet zat er nog in. Hij schopte het ding opzij zodat Elena hem niet zou zien.

 Het tapijt kleefde.

 Roberto wilde niet eens weten wat hier gebeurd was. Het enige wat hem nog interesseerde was hier levend uitkomen.

 Alles was nu groen.

 Misselijkmakend groen. Hij moest ineens denken aan de soep die ze hadden gegeten vlak voor die laatste veldslag. Die was waterig groen met onherkenbare stukjes. Hij smaakte ook zo. Die soep was nauwelijks eetbaar maar niet dodelijk. In de ´soep´ die nu voor zijn ogen zwierde bewogen zich dingen die verre van onschadelijk waren. Er zat kwaadaardigheid in. Haat. Honger.

 Elena zag het ook. Hij zag het aan haar terwijl ze zich een weg baanden door de tweede klasse. De passagiers die zich nog roerden leken nog het meest op sommigen van de mannen die hij had meegemaakt in het ziekenhuis waar hij revalideerde. Hun ogen waren leeg. Alsof alle pijn het leven uit hen had weggetrokken. Ze bewogen zich traag door de ruimte onaangedaan door het bloed en de losgerukte ledematen van hun kameraden.

 Roberto werd zich bewust van iemand die hem bij de schouders door elkaar schudde. Elena! Even was hij teruggegaan in de tijd, maar ook toen was het enige wat hem had gered: doorgaan!

 Het geluid kwam abrupt en tijdelijk terug. Ergens voor hen gilde iemand. Kortstondig. Er klonk een schot.

 Roberto wist niet goed wat hij, slechts bewapend met een mes, kon doen tegen iemand met een vuurwapen. Maar net als in zijn diensttijd was nietsdoen geen optie. En teruggaan ook niet.

 Hij pakte de kinderjuf bij haar arm en slingerde zich door de coupés, die op alle mogelijke en onmogelijke manieren bewogen. Samen hielden ze zich staande. En ook Elena hield haar blik recht vooruit. Omkijken of stilstaan was doodgaan.

 Een tweede schot klonk.

 Op het laatste tussenstuk, dat de eerste en de tweede klasse verbond, lag het verminkte lijk van de conducteur. Het lichaam was te zeer gemangeld om te achterhalen waar hij aan was overleden.

 Net op dat moment ging de trein een scherpe bocht in. Roberto en Elena hielden zich ternauwernood vast aan de deur. Hij wierp een blik naar buiten: niets dan felle groene wanden.

 Hij rook vuur, ergens achter hem.

 De tweede klasse stond in brand. Het waarom deed niet terzake. De krankzinnige snelheid van de trein blies het vuur richting de eerste klasse. Haast was geboden.

 Eindelijk bereikten ze de slaapcompartimenten waar volgens Elena de familie bij wie ze in dienst was verbleef. De klapdeur slingerde steeds opnieuw open en weer dicht. Roberto en Elena doken er tussendoor.

 Het tafereel achter de deur bleef een moment als bevroren.

 Voor hen stond een keurig geklede heer met zijn hoed in zijn linkerhand en een revolver in zijn rechter. Hij had net geschoten. Zijn slachtoffer, een vrouw in een auberginekleurige japon, zakte langzaam in elkaar. Vlakbij lag de ontbrekende derde arbeider in een grote plas smurrie. Het kapotte lijstje van een van de schilderijtjes lag onder hem.

 Achter de langzaam ineenzakkende vrouw, (het was alsof de tijd vertraagde) stonden drie jochies geschokt te kijken. Een van hief zijn arm op en wees naar rechts. Wat hij zei verdronk in de stilte.

 Roberto volgde de vinger en raakte bijna voor de tweede keer zijn avondeten kwijt.

 Daar stond een klein meisje met blond haar. Ze droeg een lichtblauw nachtjaponnetje en droeg een pop bij zich. De pop had een zelfde jurkje aan en een strik in het haar. Het was makkelijker om naar de pop te kijken dan naar het kind. Haar ogen waren compleet zwart en gespeend van menselijkheid. Haar voorhoofd had een onnatuurlijke onregelmatige vorm, haar oren waren veel te groot. Haar mond was te groot en gevuld met teveel tanden.

 Ze grijnsde. Onmenselijk.

 Terwijl hij keek rukte ze het hoofd van haar pop en goot hem leeg. Roberto wist niet wat er precies uitkwam en waar het vandaan kwam maar het was roestbruin en het stonk.

 Op datzelfde moment draaide de goedgeklede heer zich om en begon zijn revolver op hem te richten. Roberto deed een snoekduik naar de man, wiens ogen eveneens volledig zwart waren en tegelijkertijd rende Elena naar de kinderen.

 ´Wegwezen!´ riep Roberto, zonder te kijken of zijn bevel werd gehoord.

 Door het geslinger van de trein lukte zijn aanval en de heer, waarschijnlijk de vader van de familie-, viel in een slordige hoop ledematen neer. De revolver ging af en de kogel raakte het plafond.

 Hij voelde iets breken. Een bot? Roberto hoopte dat het er niet een van hemzelf was.

 Onder hem lag de heer stil.

 Elena had de handen van twee kinderen vast en met de jongste op haar rug worstelde ze zich naar buiten.

 Roberto wist nog net de revolver te pakken voordat hij over de vloer naar de andere kant van de coupé gleed.

 Het monsterachtige meisje kwam dreigend een stap naar hem toe,

 ´Wegwezen,´ fluisterde Roberto zichzelf toe en rende, voor zover dat ging in deze helse trein, richting de deur.

 Halverwege de volgende coupé haalde hij Elena in en nam het kleinste jochie van haar over.

 ´Waar gaan we naar toe?´ schreeuwde Elena.

 Goede vraag, daar had hij geen antwoord op. Weg hier!

 Hij probeerde verder te lopen toen hij voelde dat iemand probeerde het kind van zijn rug te plukken.

 Roberto draaide en zag de vader. Zijn hoofd stond scheef en er droop bloed uit zijn mondhoek.

 Roberto greep het jochie stevig vast en liep een paar stappen naar achteren.

 Hij zag dat achter de vader het meisje stond. Ze zei niets maar het was op de een of andere manier was duidelijk dat zij degene was die de bevelen gaf. Achter haar stond de arbeider met het halve gezicht en daarachter de neergeschoten moeder. Het bloed uit haar wond droop nog donker langs haar rok.

 Het meisje stapte opzij om ze langs te laten gaan.

 Zo snel hij kon rende Roberto naar achter, weg van de monsters. Gelukkig waren ze niet zo snel.

 Hij stopte bij de plek waar Elena en de andere twee kinderen stonden. Voor hen stond een platte wagon met daarop een automobiel. En verder was er niets. Behalve dan een groenige tunnel die tot zijn afgrijzen aan het sluiten was.

 Geen tijd om lang na te denken.

 Hij sprong op de wagen en gooide het jochie op de automobiel en toen Elena sprakeloos en bevroren bleef staan, deed hij hetzelfde bij de andere kinderen. En als laatste zette hij Elena erbij.

 Dan hoorde hij iets achter hem. De eerste zwartogigen kwamen er aan.

 Geen tijd om te aarzelen.

 Hij sneed de touwen los, pakte de zwengel.

 Geen tijd.

 Hij gaf zijn revolver aan de oudste jongen met instructie om te schieten op alles wat bewoog.

 Hij zwengelde de auto aan.

 Een keer, twee keer

 Geen tijd.

 De derde keer, na een schietgebedje aan sint Gertrudis, lukte wel.

 Hij sprong op de motorkap. Hield zich vast.

 De wagen schoot naar voren.

 ´Gas geven! Nu!´

 Direct achter de automobiel stortte de tunnel in.

 

Vijfentwintig jaar later stonden een paar nieuwsgierige passagiers bij het monumentje vlakbij de rotsblokken. Een gids gaf uitleg.

 ´Drieëndertig mensen zijn omgekomen tijdens de instorting van de tunnel. Het is de reden waarom we op 31 oktober niet meer door de Noordwaltunnel rijden. Er waren maar een paar overlevenden. Een vrouw en drie kinderen die in een rijdende automobiel van de trein waren afgesprongen. Ze vertelde een warrig verhaal over wat er is gebeurd en is, vlak nadat ze de kinderen had afgeleverd bij een tante, verdwenen. Volgens sommigen was er nog een overlevende, maar dat is nooit bevestigd.´

 

1 opmerking


Cornelis de Voogd
28 mei

Erg goed opgezet verhaal me een verrasend plot en onverwachts eind. Graag meer van deze verhalen

Like
bottom of page