top of page
logo Lowlands Fiction

DE ZWARTE HOND – MIRIAM OOTJERS

  • 1 apr
  • 10 minuten om te lezen

 

Gebaseerd op het Groninger volksverhaal 'De zwarte hond'


'Het hondje heeft honger.'

 'Ja Oop, ik weet het.' Amber slaakte 's werelds diepste zucht. 'Het hondje heeft honger.'

 Het gezeur van Oop over het hondje was een dagelijks ritueel, net zoals het gezeur van Amber over het pannetje eten dat haar moeder haar na het avondeten in de handen duwde. Nukkig nam ze het aan, gaf haar moeder een boze blik en negeerde het meewarig hoofdschudden.

 'Niet zeuren, Amber,' zei haar moeder op de eerste dag dat Amber protesteerde tegen haar taak. 'Zie maar dat je zo oud wordt. En dat er nog iemand is die de moeite neemt om voor je te zorgen.'

 Hoewel Amber wist dat haar moeder gelijk had, lag de dag dat ze hulp nodig had gewoon te ver in de toekomst om met liefde – of plezier – haar taak uit te voeren. Dus ging Amber iedere avond als een norse Roodkapje op pad. Niet met een mandje brood door het bos naar haar grootmoeder, maar met een pannetje prak door de straat naar haar overgrootvader.

 Haar overgrootvader die het verdomde om naar een verzorgingstehuis te gaan. Iedere maand probeerde haar moeder het opnieuw, in de hoop dat hij de vorige poging vergeten was en ditmaal wel instemde.

 'Toe Oop, Amber blijft niet eeuwig thuis wonen en ik kan met mijn nachtdiensten niet altijd voor je klaarstaan.'

 Woorden hielpen niet, en als ze hem probeerde naar de auto te lokken voor 'een gezellig ritje' was het alsof hij gedachten kon lezen. Hij schudde woest met zijn hoofd, zijn voor een 103 jarige verrassend sterke handen klemden als bankschroeven om de stoelleuningen. Oop bleef waar hij was.

 Tot haar moeder in haar missie slaagde, ging Amber met het pannetje eten naar Oop, warmde het voor hem op in de magnetron en flatste de prak op een bord. Ze hielp Oop naar de eettafel in de keuken en maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten, weg bij het fossiel met zijn waterige, starende blik, die naar Ambers smaak iets te vaak en iets te lang op haar bleef hangen.

 Meestal zei hij niets, soms mompelde hij in zichzelf. 'Teef,' had ze wel eens opgevangen. 'Walgelijke prak. Klerewijf. Teringzooi.' Oop mocht haar duidelijk net zomin als zij hem aardig vond.

 Ondanks zijn geschuifel en de manier waarop hij zwaar op haar schouder leunde als ze hem naar de keuken hielp, zat hij de volgende dag zonder hulp weer in de leunstoel bij het raam. Bovendien kon hij zelfstandig naar de wc en naar bed. Amber had het idee dat Oop niet zo seniel en hulpbehoevend was als hij zich voordeed.

 

Vroeger Oop had een hondje, dat hem jaren gezelschap hield. Een zwart, ruigharig ding met de afmeting van een jack russel, dat met de jaren steeds grijzer werd om zijn snuitje. Het dier liet zichzelf uit via het kattenluik in de keuken, het enige dat Oop deed was hem hondenbrokken geven. En uitvoerige gesprekken met het beest voeren.

 Amber zag het regelmatig door het raam als ze op weg was naar de bus of de supermarkt; Oop die met veel handgebaren tegen het dier praatte, het hondje voor de stoel, de ogen gericht op de oude man, het toonbeeld van aandachtig luisteren. Als ze een tijdje later terugkwam, zat het hondje er nog, de kop een beetje schuin alsof wat Oop vertelde bijzonder interessant was.

 Amber had eens gevraagd hoe Oop aan de hond kwam.

 'Op een dag zat hij in de kamer,' was zijn antwoord. 'En hij ging niet meer weg.'

 Hij noemde het dier altijd 'het hondje'. Nooit 'mijn hondje'. 'Hij was volwassen, niet wild of mensenschuw. Hij moet van iemand geweest zijn voordat hij bij mij kwam. Dus is het niet mijn hondje,' was zijn uitleg. Om die reden kreeg het ook nooit een naam.

 En terwijl het hondje met de tijd ouder werd, leken de jaren juist van Oop af te glijden.

 'Gezelschap doet hem duidelijk goed,' had haar moeder gezegd toen ze zag hoe hij opbloeide. Regelmatig nam ze wat lekkers voor de hond mee en gaf hem liefdevol een aai over zijn kop. Die gestes werden zonder uitzondering beantwoord met een enthousiast gekwispel.

 Amber moest niet veel van de hond met zijn intense blik hebben en probeerde er zo veel mogelijk met een grote boog omheen te lopen als hij in de keuken of woonkamer zat.

 Een paar jaar geleden was het hondje doodgegaan. Amber vond het in de woonkamer, aan de voeten van haar overgrootvader, die nietsziend naar de muur staarde. Ze begroeven het in de tuin. Drie dagen kregen ze Oop niet in beweging. Hij sprak geen woord en weigerde te eten. Op de derde dag kwam Amber met eten de kamer binnen. Oop stond op, vloekte zo hard en grof als Amber nog nooit iemand had horen vloeken, keerde zich naar Amber en zei: 'Ha, eindelijk iets te vreten.'

 Alsof we het niet al drie dagen proberen, ouwe zak.

 Daarna ging het bergafwaarts met Oop, zat hij hele dagen in de stoel uit het raam te staren en zei nauwelijks meer een woord. Zoals de jaren eerder van hem afgleden, zo zag Oop er nu steeds duidelijk uit als de honderdplusser die hij was. Maar in tegenstelling tot het hondje, ging Oop maar niet dood.

 Maar je ruikt het. Alsof hij al lang dood is maar het niet wil toegeven.

 De eau-de-Oop sloeg Amber vaak tegemoet als ze de deur opende. Een combinatie van te lang gesudderd vlees, ongewassen natte sokken en diesel die je op de mouw van je jas gemorst had en na een dag nog niet was verdampt. Amber moest er vaak van kokhalzen en had altijd een potje menthol in haar jaszak. Als ze voelde dat ze haar avondeten sneller terug zou zien dan haar lief was, smeerde ze een beetje menthol onder haar neus om de geur in huis dragelijker te maken.

 

Amber ademde zo oppervlakkig mogelijk door haar neus toen ze Oop naar de keuken hielp en aan de tafel achter een bord stamppot parkeerde. Pas buiten ademde ze diep in.

 'Het hondje heeft honger,' hoorde ze nog uit de keuken voordat ze de deur achter zich dichtdeed.

 'Honger!' dreunde het door het zware hout.

 Amber haalde ongeïnteresseerd haar schouders op, deed oordopjes in, pakte haar telefoon uit haar jaszak en liep onder begeleiding van harde muziek naar de bushalte.

 Tweehonderd meter voor de halte zag ze de bus wegrijden, vloekte en besloot de twee kilometer naar het volgende dorp te lopen. Hier ging maar eens per uur een bus – klote platteland –, en ze wilde niet als laatste binnenkomen bij het verjaardagsfeest van één van haar studiegenoten. In deze doodsaaie dorpen was al weinig te doen, ze liet zich geen feestje ontnemen door een gemiste bus.

 Meer dan eens had ze het met haar moeder over op kamers wonen. Maar haar verplichting aan haar overgrootvader hield haar thuis.

 'Ik weet dat je 22 bent,' zei haar moeder dan. 'Maar er is gewoon niemand anders die wil helpen. Ik help hem iedere ochtend al en bovendien zal het vast niet meer lang duren. Hij is al zo oud.'

 Ze kon haar moeder op die momenten wel wurgen.

 Amber zette de kraag van haar jas op tegen de gure herfstwind. Met de vaart aan haar linkerhand liet ze de straatlantaarns van het dorp achter zich en betrad de tunnel van plattelandse duisternis die beide dorpen met elkaar verbond. Om het klotsende geluid van het door de wind in golfjes opgestuwde water niet te hoeven horen, zette ze de muziek nog wat harder.

 Plattelandse stilte is erg, maar dat water geeft mij pas echt de kriebels.

 Ze was opgegroeid met de verhalen over de vaart en hoe hij al eeuwenlang eens in de zoveel tijd een offer eiste. 'Op onverklaarbare wijze in het water beland', stond in het politierapport.

 De dorpsbewoners hadden hun eigen verklaring, die ze graag uit de doeken deden in de meest lugubere verhalen. Soms was de hoofdrol weggelegd voor een monster dat langs de waterkant patrouilleerde, soms was het een wezen dat in het water leefde en met meterslange tentakels een argeloze voetganger greep en het water insleurde. Een enkeling vertelde over levende bomen die wandelaars met hun takken het water in duwden. Het meest onschuldige verhaal ging over een vierpotig beest dat achter iemand aanliep. Op een bepaald moment richtte het zich op de achterpoten op, legde de voorpoten op de schouders van een doodsbange wandelaar en begeleidde hem of haar op die manier naar het volgende dorp. In het verhaal was het meestal een monsterlijke hellehond, ook al had hij tot nu toe geen enkel hoofd, arm of been afgebeten.

 Amber vermoedde dat het laatste verhaal bedacht was door iemand die ooit het dorp hijgend en zwetend binnenkwam omdat hij de twee kilometer in een recordtempo had afgelegd. Niet omdat hij bang was voor het donker. Uiteraard niet. Hij was bang voor de hellehond die achter hem aanliep.

 En die 'onverklaarbare wijze' is waarschijnlijk gewoon teveel alcohol in combinatie met kou en duisternis. Eén verkeerde stap, je struikelt en ligt in het water.

 Hoewel Amber alle verhalen afdeed als onzin, bedacht om kinderen angst aan te jagen en daarmee te voorkomen dat ze te dicht bij de vaart met zijn sterke stroming en steile wallenkant kwamen, was er bij haar toch een spoortje respect – ze weigerde het angst te noemen – voor de vaart blijven hangen.

 Het liefst liet ze zo veel mogelijk ruimte tussen haar en het diepzwarte water. Maar lopen op het fietspad was veiliger dan op de weg, zeker als je zag hoeveel automobilisten die het bordje '60' met plankgas negeerden.

 Na een paar honderd meter langs de vaart hoorde ze dwars door de muziek een klikkend geluid.

 Amber stopte, schudde even met haar mobiel en tikte met een vinger tegen de oordopjes – nutteloze bewegingen die ze onbewust had overgenomen van mensen die nog wisten wat een haperende Walkman was – en zette de muziek uit. Het geklik was ook gestopt. Ze haalde haar schouders op en liep verder, ditmaal zonder muziek.

 Klik, klik.

 Het kwam niet door de oortjes, het kwam van achter haar. Ze trok de oordopjes uit haar oren en draaide zich om. Op het asfalt zat een hondje. Met zijn gitzwarte vacht zag ze het bijna niet in de duisternis. Amber viste haar telefoon uit haar jaszak, deed de lamp aan en scheen op het dier. Zijn ogen glansden in het licht terwijl hij verwachtingsvol naar haar opkeek, zijn nageltjes glommen op het vochtige asfalt. Nagels op asfalt. Dat was waarschijnlijk het klikkende geluid.

 Het hondjei hijgde zijn tanden bloot.

 Net alsof hij grijnst.

 'Ga weg, beest. Ik hoef geen stalker.' Amber wapperde met haar vrije hand naar het dier in de hoop het weg te jagen. 'Ksst!'

 Het hondje leek niet onder de indruk.

 Gewoon negeren, dan gaat hij wel weg.

 Met die gedachte liep ze verder.

 Klik, klik, klak.

 Klak?

 Met een ongemakkelijk gevoel draaide ze zich weer om, het licht van de telefoon in een heldere bundel voor zich. Had het hondje eerst nog een jack russel-formaat, nu stond er een labrador achter haar. Nog steeds zwart en grijnzend, maar de vacht leek iets langer en krullend, zijn tanden leken iets scherper en dichter bij elkaar dan daarvoor.

 Dat kan niet. Honden worden niet groter.

 Ze wreef over haar ogen. Toen ze haar hand van haar gezicht haalde, was de hond gegroeid naar het formaat van een Deense dog. Zijn grijns was meegegroeid. Hij hield zijn kop scheef, alsof hij wilde zeggen: 'Leuk kunstje, hè? Beter dan 'zit' of 'geef poot'.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Zijn kop ging langzaam van boven naar beneden, alsof hij haar van kruin tot voeten in zich opnam.

 'Ga weg smerig beest, dit is geen vleeskeuring.' Amber trapte naar de hond. Die leunde een beetje opzij, zodat haar voet zijn borst miste. Een diep gerommel steeg op uit zijn lijf. Het had een waarschuwend gegrom kunnen zijn, maar ook een het geluid van een rommelende maag.

 'Shit.' Hoewel ze wist dat het niet verstandig was, won haar angst het van haar ratio. Ze bedacht zich niet, draaide zich om en zette het op een lopen.

 Klak, klak, klak.

 'Oef.' Twee poten landden op haar schouders en dwongen haar tot stoppen. Scherpe klauwen drongen in haar vlees en lieten warme riviertjes van bloed langs haar rug naar haar billen stromen. Ze draaide haar hoofd een beetje naar rechts, net op het moment dat de hond zijn ruigbehaarde snuit over haar schouder stak. Een natte neus drukte in haar wang, scherpe tanden schraapten over haar vel. Amber gilde van schrik en wilde het op een lopen zetten, maar de poten op haar schouders hielden haar pijnlijk op haar plaats.

 Rustig legde de hond zijn kop op haar hoofd, als om zijn nieuwe lengte te benadrukken.

 Hij is verder gegroeid. Hij moet nu zo groot zijn als een kalf. Een kalf dat denkt dat het een spelletje is.

 Zijn kop bewoog langzaam langs haar rechteroor naar haar schouder. Hijgend bleef ze zo stil mogelijk staan, toen kreeg de bedwelmende geur van diesel-en-natte-sok die uit de vacht en bek van het beest opsteeg de overhand. Amber hoestte, met meer bloed over haar rug tot gevolg. Vanuit haar ooghoek zag ze dat het dier een rij scherpe tanden bloot grijnsde.

 'Het hondje heeft honger.' Het geluid steeg op uit de borst van het monster zonder dat de bek bewoog. 'Honger...'

 Het laatste woord verbrak de verlamming. Amber gilde en probeerde zit los te rukken. De hond zette meer gewicht op zijn voorpoten en dwong Amber om door de knieën te gaan. Voordat ze besefte wat er gebeurde, had de hond zijn kop gedraaid en sloten zijn kaken om haar nek. Vlijmscherpe tanden drongen in haar vel direct onder haar kin en smoorden een nieuwe gil in een waterig gerochel. Hij beet echter niet door. Nog niet.

 Met zijn tanden hield de hond haar hoofd op zijn plaats terwijl de poten op haar schouders haar lichaam verder naar beneden drukten. Amber probeerde met haar handen de poten weg te trekken, maar die zaten als bankschroeven om haar schouders geklemd.

 Uit Ambers keel ontsnapte een slijmerig geluid, gevolgd door een golf bloed. Ze voelde hoe het vel van haar nek rekte tot het uitgilde dat er geen rek meer in zat. De hond bleef zwaar op haar schouders leunen. Ze kon niet anders dan aan de druk gehoorzamen tot ze machteloos in de bek van de hond hing. Langzaam werd het zwart voor haar ogen. Huid, spieren, pezen en luchtpijp scheurden. Als een macaber sluitstuk schoten ten slotte twee nekwervels met een bevredigende knars van elkaar. Achteloos wierp de hond met zijn kop haar hoofd opzij, liep een rondje om het lichaam alsof hij wilde bepalen aan welke kant van het buffet hij het beste kon beginnen en stopte bij haar middel. Met zijn tanden trok hij jas en t-shirt opzij en scheurde met zijn tanden de buik open.

 

In zijn leunstoel smakte Oop tevreden met zijn lippen.

 

Opmerkingen


bottom of page