top of page
logo Lowlands Fiction

DE KAARS AAN HET RAAM, EEN WINTERTRILOGIE - CARLA HENDRIXS

  • 1 jun
  • 9 minuten om te lezen

 

I. Het Lied in de Mist

Er was eens, verborgen tussen blauwe heuvels en donkere dennenbossen, een dal waar de ochtendmist altijd laag over de velden hing alsof de aarde nog droomde. In dat dal lag een dorp van scheve huisjes met leistenen daken, waar de mensen zacht spraken en de avonden roken naar houtvuur, nat gras en versgebakken brood.

 Daar woonde een meisje dat Elske heette.

 Men zei dat zij geboren was in het eerste licht van de lente, precies op het moment dat de sneeuw begon te smelten en de vogels terugkeerden naar het bos. Misschien was het daarom dat dieren nooit bang voor haar waren. Roodborstjes aten uit haar handen, vossen bleven stil staan wanneer zij voorbijliep, en zelfs oude, schuwe herten kwamen uit het woud om naar haar zang te luisteren.

 Wanneer Elske zong, leek de wereld even zachter te worden.

 De mensen uit het dorp hielden van haar, maar ook op de manier waarop mensen soms houden van iets dat zij niet helemaal begrijpen. Zij noemden haar Elske van het Licht, omdat zij vonden dat iedere ruimte helderder werd wanneer zij binnenkwam.

 Aan de uiterste rand van het bos, waar de bomen zo dicht op elkaar groeiden dat het daglicht er groen werd, stond een oud wit huisje. Klimrozen slingerden langs de muren en het dak hing scheef alsof het moe was geworden van de jaren. Daar woonde een blinde vrouw.

 Iedere avond, zonder één enkele avond over te slaan, zette zij een brandende kaars voor haar raam.

 De dorpelingen vonden haar vreemd. Kinderen liepen met een boog om haar huis heen. Alleen Elske was niet bang.

 Op een avond, toen de lucht violet kleurde en de eerste sterren verschenen, liep zij naar het huisje toe.

 ‘Waarom zet u iedere avond die kaars neer?’ vroeg zij.

 De blinde vrouw glimlachte flauwtjes. Haar ogen waren wit en leeg als winterlucht.

 ‘Voor wie verdwaald is,’ zei ze.

 ‘Maar hier verdwaalt toch niemand?’

 De vrouw draaide langzaam haar hoofd naar haar toe.

 ‘Iedereen verdwaalt ooit.’

 Elske lachte zacht. Niet spottend, maar luchtig, zoals jonge mensen lachen wanneer zij denken dat ongeluk alleen anderen overkomt.

 Toen kwam de winter.

 Niet de zachte winter van vallende sneeuw en warme haarden, maar een stille winter waarin de bossen doods aanvoelden. De vogels verdwenen vroeg. De wind huilde ’s nachts langs de huizen alsof ergens ver weg iets levends pijn had.

 En op een avond reed er een prins het dal binnen.

 Zijn mantel was zwart als kraaienveren en zijn paarden droegen zilveren tuig dat glinsterde in het maanlicht. Hij was jong, wonderlijk mooi, en sprak met een stem die warm klonk als vuur in een koude kamer.

 Hij keek naar Elske alsof hij haar al jaren zocht.

 Hij vertelde over zijn paleis achter de bergen, waar fonteinen van zilver stroomden en glazen bomen vruchten droegen die licht gaven in de nacht. Hij zei dat zij daar kon leven als koningin van een wereld zonder verdriet, zonder ouderdom, zonder verlies.

 Het dorp luisterde ademloos.

 Alleen de honden begonnen te janken.

 En boven de daken zat geen enkele vogel meer.

 De blinde vrouw kwam diezelfde nacht naar Elske toe. Haar dunne vingers trilden terwijl zij Elskes hand vastpakte.

 ‘Ga niet mee met een man die nooit lacht met zijn ogen.’

 Maar Elske dacht aan het paleis. Aan de bergen. Aan alles wat groter was dan dit kleine dal waar iedereen haar kende alsof haar leven al geschreven stond.

 Voor het eerst verlangde zij niet meer naar het bos.

 Voor het eerst verlangde zij naar meer.

 Nog voor zonsopkomst vertrok zij met de prins.

 De paarden verdwenen tussen de besneeuwde bomen. Hun bellen klonken steeds zachter, totdat alleen de wind nog overbleef.

 Elske kwam nooit terug.

 In het begin wachtten de dorpelingen nog op haar. Maandenlang keek men uit naar hoefslagen op de bergweg. Maar winters gingen voorbij. Kinderen werden oud. Namen vervaagden.

 Alleen de blinde vrouw bleef iedere avond een kaars voor haar raam zetten.

 Soms, diep in de winter, wanneer mist langzaam vanuit het bos het dal in kruipt, zien de mensen donkere vogels cirkelen boven het witte huisje. Grote zwarte vogels met ogen die glanzen als natte stenen.

 Dan sluiten de dorpelingen hun luiken.

 Want men zegt dat wie goed luistert, tussen het slaan van hun vleugels een vrouwenstem kan horen zingen.

 Niet mooi meer.

 Maar hongerig.

 En de oude vrouw zet haar kaars nog altijd niet neer om verdwaalden naar huis te brengen.

 Zij zet haar neer om anderen te waarschuwen dat het kwaad zelden verschijnt als een monster.

 Meestal verschijnt het als iets waar je diep vanbinnen zelf naar verlangt.

 

II. De Vrouw Zonder Voetstappen

Jaren gingen voorbij en de blinde vrouw werd ouder dan iemand in het dal ooit had durven denken. Haar rug kromde verder, haar handen werden dun als takken in november, maar iedere avond brandde de kaars nog altijd achter het raam.

 Niemand wist waarvan zij leefde.

 Sommigen fluisterden dat het huisje zelf haar in leven hield. Anderen beweerden dat zij allang dood had moeten zijn en alleen bleef bestaan zolang de kaars bleef branden.

 Kinderen die vroeger bang voor haar waren, kregen zelf kinderen. En ook zij leerden hun zonen en dochters één regel:

 Blijf weg uit het bos wanneer de mist laag hangt.

 Maar verboden groeien in jonge harten vaak uit tot verlangens.

 Op een winteravond, vele jaren nadat Elske verdwenen was, liep een jongen genaamd Mare naar het witte huisje. Hij was de zoon van de molenaar en stond bekend als iemand die overal vragen over stelde waar anderen liever over zwegen.

 De sneeuw kraakte onder zijn laarzen toen hij op het raam klopte.

 ‘Bent u niet moe?’ vroeg hij toen de vrouw opendeed. ‘Van wachten op iemand die nooit terugkomt?’

 De blinde vrouw antwoordde niet meteen.

 Achter haar flakkerde de kaars alsof er tocht door het huis trok, hoewel alle ramen gesloten waren.

 ‘Ik wacht niet meer op Elske,’ zei ze uiteindelijk.

 ‘Waarom brandt de kaars dan nog?’

 De vrouw draaide haar bleke gezicht langzaam naar het bos.

 ‘Omdat hij soms probeert terug te komen.’

 Die nacht sliep Mare slecht.

 Lang nadat het dorp stil was geworden, hoorde hij iets buiten.

 Geen wolf.

 Geen wind.

 Gezang.

 Zacht eerst, bijna teder, alsof iemand ver weg een kind in slaap probeerde te zingen.

 Toen hoorde hij zijn naam.

 Hij stond op alsof hij droomde en liep naar buiten zonder mantel, zonder schoenen, de sneeuw in.

 De mist hing dik tussen de huizen.

 Verderop, bij de rand van het bos, stond een vrouw.

 Haar haar viel lang en zwart langs haar schouders. Haar huid was bleek als maanlicht op ijs. En hoewel haar gezicht jong leek, waren haar ogen oud. Oud en leeg en hongerig.

 ‘Mare,’ fluisterde ze. ‘Ik ben verdwaald.’

 Hij wilde antwoorden, maar zijn stem bleef steken.

 Want ergens onder haar woorden hoorde hij nog iets anders.

 Vleugels.

 Honderden vleugels.

 Toen stapte de vrouw dichterbij en de mist week even uiteen.

 Onder haar jurk zag hij dat haar voeten de sneeuw niet raakten.

 Mare rende.

 Takken sloegen tegen zijn gezicht terwijl hij door het bos vluchtte. Achter zich hoorde hij geen voetstappen, alleen dat zingen, steeds dichterbij, steeds zachter, alsof het al in zijn hoofd zat.

 Plots verscheen tussen de bomen een klein licht.

 De kaars.

 De blinde vrouw stond midden in het bos met de vlam in haar handen. Voor het eerst zag Mare haar bang.

 ‘Niet luisteren,’ siste ze.

 De vogels kwamen toen uit de duisternis.

 Zwarte lichamen stortten zich krijsend tussen de bomen, zoveel dat de hemel leek te bewegen. En achter hen liep Elske.

 Of wat er van haar over was.

 Haar mond glimlachte te ver open. Haar ogen waren donker geworden, alsof er nergens meer licht in woonde.

 ‘Hij laat niemand gaan,’ fluisterde ze.

 De oude vrouw hief de kaars omhoog.

 De vlam brandde plots fel wit.

 De vogels begonnen te krijsen alsof zij levend verbrandden. Elske deinsde achteruit en voor één ogenblik zag Mare iets anders in haar gezicht.

 Verdriet.

 Een eindeloos, verschrikkelijk verdriet.

 ‘Ik wilde alleen méér,’ huilde ze.

 Toen doofde de kaars.

 Alles werd zwart.

 De volgende ochtend vonden de dorpelingen Mare bewusteloos aan de rand van het bos.

 Het witte huisje was verdwenen.

 Geen spoor van de blinde vrouw bleef achter.

 Alleen een enkele kaars stond nog in de sneeuw, alsof iemand haar daar voorzichtig had neergezet.

 Sindsdien brandt er iedere winteravond een licht achter het raam van het oude molenhuis van Mare.

 En wanneer mensen hem vragen waarom hij dat doet, antwoordt hij altijd hetzelfde:

 ‘Omdat sommige dingen in het donker blijven zoeken naar mensen die verlangen naar méér dan de wereld hun geven kan.’

 

III. Het Paleis van Honger

De derde winter na de verdwijning van de blinde vrouw viel de sneeuw al in oktober.

 Het dal werd stiller dan ooit tevoren. Geen vogelzang klonk nog boven de velden en zelfs de honden blaften minder, alsof ook zij luisterden naar iets dat mensen niet konden horen.

 Alleen de kaars brandde nog.

 Iedere avond zette Mare haar voor het raam van het oude molenhuis. En iedere avond keek hij daarna naar het bos, waar de bomen als donkere muren tegen de hemel stonden.

 Soms dacht hij dat er tussen de stammen iemand naar hem terugkeek.

 Toen begonnen de dromen.

 Eerst waren het gewone dromen. Mensen zagen overleden geliefden terug. Hoorden stemmen die zij jaren niet meer gehoord hadden. Voelden warmte, geluk, troost.

 Maar na verloop van tijd wilden sommigen niet meer wakker worden.

 Een oude vrouw liep op een ochtend haar huis uit en verdween tussen de bomen terwijl zij glimlachte alsof iemand haar riep.

 Een jongen van twaalf zei tegen zijn moeder dat hij ´bij het licht´ wilde zijn.

 Daarna was hij weg.

 Steeds vaker vonden de dorpelingen voetsporen in de sneeuw die naar het bos liepen.

 Nooit eruit.

 Mare begreep wat er gebeurde.

 Wat de prins ook was geweest, hij was niet verdwenen.

 Alleen verborgen.

 En iedere winter werd hij sterker van wat mensen misten.

 Op een avond werd er op de deur van het molenhuis geklopt.

 Voor Mare stond een meisje van een jaar of zestien, met sneeuw in haar bleke haar. Zij droeg geen mantel, hoewel de kou scherp genoeg was om water te laten bevriezen in emmers.

 ‘Mag ik bij het vuur zitten?’ vroeg ze.

 Haar stem klonk vreemd rustig.

 Mare liet haar binnen.

 Het meisje warmde haar handen aan het vuur, maar keek ondertussen voortdurend naar de kaars op de vensterbank.

 ‘Waarom brandt die?’ vroeg ze.

 ‘Om mensen te waarschuwen.’

 Zij glimlachte flauwtjes.

 ‘Nee,’ zei ze zacht. ‘Om iemand de weg terug te laten vinden.’

 Er liep iets kouds langs Mare zijn rug.

 ‘Wie ben jij?’

 Even bleef het stil.

 Toen zei ze:

 ‘Ik herinner mij een lied.’

 Meer niet.

 Maar die nacht hoorde Mare haar zingen terwijl hij wakker lag.

 Heel zacht.

 En plots wist hij weer hoe Elske vroeger klonk voordat zij verdween.

 De volgende ochtend was het meisje weg.

 Alleen voetsporen bleven achter in de sneeuw.

 Recht het bos in.

 Mare nam de kaars en volgde haar.

 Dieper en dieper liep hij tussen de bomen, tot hij een plek bereikte waar geen sneeuw meer lag. Alsof de winter daar niet durfde te komen.

 Daar stond het paleis.

 Niet groot.

 Niet schitterend.

 Juist daardoor was het erger.

 Het leek op iets wat ooit prachtig was geweest en daarna langzaam rot vanbinnen was geworden. Donkere ramen. Stilstaande fonteinen. Muren vol scheuren alsof het gebouw zichzelf nauwelijks overeind kon houden.

 En voor de ingang stond Elske.

 Of wat er van haar over was.

 Haar gezicht was nog steeds mooi, maar dunner nu, alsof jaren aan haar hadden gegeten. Haar ogen leken oud van verdriet.

 Toen zij Mare zag, begon zij te huilen.

 Niet hard.

 Alsof zij het huilen bijna vergeten was.

 ‘Waarom ben je teruggekomen?’ fluisterde hij.

 ‘Omdat hij honger heeft,’ zei ze.

 Vanuit het paleis klonk toen de stem van de prins.

 Warm.

 Vriendelijk.

 Bijna teder.

 ‘Iedereen komt uiteindelijk vrijwillig.’

 Mare voelde onmiddellijk waarom mensen hem volgden. De stem vulde iedere lege plek in een mens op. Iedere eenzaamheid. Iedere spijt.

 En juist daarom was zij verschrikkelijk.

 De prins verscheen langzaam uit de schaduw.

 Nog altijd jong.

 Nog altijd mooi.

 Maar nu zag Mare dat er achter zijn gezicht niets leefde. Het was schoonheid zonder ziel, alsof iemand een mens had nagemaakt zonder ooit liefde te hebben gekend.

 ‘Geef haar terug,’ zei Mare.

 De prins glimlachte.

 ‘Zij wilde méér.’

 Achter hem begonnen stemmen te fluisteren vanuit het paleis. Honderden stemmen. Mensen die ooit iets hadden verlangd en zichzelf daarin waren kwijtgeraakt.

 Toen stapte Elske plots naar voren.

 ‘Nee,’ zei ze.

 Voor het eerst veranderde de blik van de prins.

 Heel even verscheen er woede.

 Elske keek naar de kaars in Mare zijn hand.

 En langzaam begon zij te zingen.

 Niet het hongerige zingen dat mensen vroeger vanuit de mist hoorden.

 Maar het oude lied.

 Het lied waardoor vroeger dieren uit het bos kwamen luisteren.

 De vlam van de kaars werd helder wit.

 Barsten trokken door de muren van het paleis.

 De fluisterstemmen veranderden in geschreeuw.

 De prins deed een stap achteruit.

 Toen nog één.

 En voor het eerst leek hij bang.

 Want waar verlangen mensen leeg kon maken, herinnerde dat lied hen aan wat zij verloren hadden.

 Aan thuis.

 Aan liefde.

 Aan elkaar.

 Het paleis begon uiteen te vallen alsof het al die jaren alleen door honger overeind was gebleven.

 De vogels stegen krijsend op uit de torens en verdwenen in de nacht.

 Elske keek nog één keer naar Mare.

 Toen glimlachte zij.

 Echt glimlachte.

 En verdween samen met het paleis in het donker tussen de bomen.

 Toen de ochtend kwam, was het bos stil.

 De mist was verdwenen.

 En voor het eerst in jaren zongen er weer vogels in het dal.

 Sindsdien brandt de kaars nog altijd voor het raam van het molenhuis.

 Niet om mensen te waarschuwen voor het donker.

 Maar om hen eraan te herinneren dat niet alles wat verloren raakt, verloren hoeft te blijven.

  

Opmerkingen


bottom of page