top of page
logo Lowlands Fiction

RUW - RIK DE LAVALETTA

  • 13 apr
  • 7 minuten om te lezen

Hij noemde haar Lou, zonder toevoeging. Niet Loukie of LouLou, niet Louisa of Loet. Alleen Lou, met die lange oe die hij aanrekte als hij haar riep in het bos, zijn stem diep en licht schor van zelden spreken. Ze was zwart als grafiet en glansde bij regen. Een labrador, officieel. Maar eigenlijk meer dan dat. Hij had haar nooit ´huisdier´ genoemd. Nooit ´mijn hond´. Altijd: ´zij en ik´. In die volgorde.

 Zijn naam was niet belangrijk. Hij kreeg weinig post. Niemand belde hem zonder aankondiging. Op de brievenbus stond alleen zijn huisnummer en de mededeling ´nee, geen reclame´. De buren kenden hem nauwelijks. Ze zagen hem ’s ochtends soms vertrekken in zijn regenjas, Lou naast hem, de lijn slap, alsof hij haar volgde in plaats van andersom.

 Hij werkte van huis uit. Schrijver, maar niet van boeken. Hij schreef rapporten, beleidsstukken, richtlijnen voor overheidsprojecten die zelden tot uitvoering kwamen. Opdrachtgevers vonden hem betrouwbaar. Altijd op tijd. Geen gedoe. Zijn facturen waren stil. Geen begeleidende tekst. Alleen het bedrag.

 Zijn huis was van baksteen, laagbouw, met donkere kozijnen en lamellen die altijd half dicht zaten. De woonkamer rook naar koffie, natte vacht en een tikje menthol, Lou had een hekel aan kruidige geuren, dat had hij ooit bedacht, dus gebruikte hij eucalyptusshampoo. Niet voor zichzelf, maar voor haar. Hij waste haar vacht in bad, zachtjes, met ronde bewegingen, terwijl hij zacht gromde of piepte, afhankelijk van haar stemming.

 ’s Nachts sliep ze bij hem. Eerst onder het bed. Later erop. De dekens tussen hen in verdwenen in de eerste weken. Hij hield van haar gewicht, haar trage ademhaling die zich aanpaste aan de zijne, als twee klokken die zichzelf kalibreerden. Als ze ’s nachts even bewoog, hield hij zijn adem in om haar niet te verstoren. Hij werd wakker van haar zuchten.

 In zijn telefoon stonden alleen foto’s van Lou. Liggend, etend, slapend, kijkend naar dingen buiten beeld. Geen selfies. Geen mensen. Alleen zij. In albums met titels als ´Lou in herfstlicht´, ´Lou met tak´, ´Lou bij bruggetje´. Elk jaar maakte hij een kalender met haar portretten, die hij voor zichzelf bestelde. Niemand kreeg hem te zien. Hij hing hem op in de gang, naast haar riem.

 Wandelen deden ze niet in de wijk. Niet tussen poep en plastic zakjes, niet langs kinderwagens of andere honden die hun rug te veel bogen. Ze gingen het bos in, diep, verder dan de gemarkeerde paden, soms uren. Hij had routes bedacht waar ze niemand tegenkwamen. Als hij wél iemand zag, maakte hij rechtsomkeert. Niet uit angst. Maar omdat Lou het niet fijn vond. Ze hield niet van stemmen.

 Hij sprak weinig. Alleen tegen haar. In klanken soms, zachte fluittonen, brommen, blaffen op halve kracht. Hij had zich ooit betrapt op het feit dat hij met zijn mond haar oorschelp had nagebootst. Hij vond dat niet vreemd. Zij accepteerde alles.

 ´Lou, liefje,´ fluisterde hij vaak.

 ´Lou, wacht.´

 ´Lou, jij weet het.´

 ´Lou, kom in me kruipen, ik ben zo stil vanbinnen.´

 Mensen kwamen zelden langs. Soms een postbode. Een buurjongen die aanbelde met een gevonden voetbal. Een ex-collega die langskwam voor een printerkabel. Hij liet hen niet binnen. Lou werd onrustig van bezoek. Ze ging trillen, snuffelen, zachtjes keffen met gesloten bek. Haar ogen werden dan dof, haar staart laag. Hij hield daar niet van.

 ´Ze is niet sociaal,´ zei hij.

 ´Ze houdt niet van mensen.´

 ´Ze weet dingen.´

 Ze hadden een ritueel. Na elk incident, een deurbel, een onverwachte stem op straat, gingen ze samen in bad. Hij stapte er eerst in, dan zij. Hij tilde haar, haar poten gespreid tegen zijn borst, natte vacht tegen huid, hun ademhaling synchroon. Hij neuriede soms. Eén toon. Lang aangehouden. Soms zong hij: ´Lou in bad, Lou in bad.´ Ze reageerde niet, maar bleef. Altijd.

 

Soms verbeeldde hij zich dat hij geen mens was. Hij liep op handen en voeten door de gang, krabbelend over het laminaat. Hij at uit een kom, zonder bestek. Hij gromde tegen zijn spiegelbeeld. Hij bestudeerde haar bewegingen tot hij ze kende, tot hij haar gewicht kon imiteren op de bank, zijn voeten opgevouwen onder hem, zijn neus dicht bij het textiel. Hij kon aan een geur herkennen waar ze die dag waren geweest. Er zat geen spel in. Geen seks. Geen vervorming. Alleen... overgave.

 ’s Nachts droomde hij soms dat hij haar was. Niet in vorm, maar in beleving. Dat hij zich in haar ribbenkast nestelde. Dat haar huid hem omsloot. Dat haar blik alles zag wat hij niet onder woorden kreeg. Als hij wakker werd, trok hij de deken over hen beiden heen. Hun adem verdween dan in dezelfde ruimte.

 Hij dacht soms:

 Als ik sterf, weet zij het.

 Als zij sterft, verdwijn ik.

 Maar dat dacht hij niet hardop.

 

Het begon met haren in zijn keel. Geen pluisjes van de bank, geen verdwaalde wol uit de deken, maar een dikke, vochtige streng zwart haar, warm nog van lichaam, zwaar als een touw, alsof zij die ’s nachts in zijn mond had gelegd, een gift of een merkteken, als om te zeggen: jij bent van mij, en ik wil naar binnen.

 Hij trok eraan met duim en wijsvinger, kokhalzend bij elke centimeter die hij omhoog haalde, het haar gleed stroef, met een zuigend geluid langs zijn huig, over zijn tong, tot het, met een trage plop, losliet. Wat eraan hing was dikker, glanzender, als een klodder gal of rauw vet. Hij hield het in zijn hand, keek ernaar zoals je naar iets kijkt dat niet zou moeten bestaan. Naast hem lag Lou, haar kop op haar voorpoten, haar ogen open en dof, niet starend maar wachtend, alsof ze zelf nog niet wist wat er precies begonnen was, alleen dat het begonnen wás.

 Hij stond niet op die ochtend. Hij bleef liggen, lang, met haar naast zich, haar adem als een flinterdunne damp over zijn arm, nauwelijks voelbaar. Hij voelde zich zwaar, niet moe, maar doordrenkt, als een spons die te lang in water heeft gelegen. In de keuken opende hij de koelkast, keek naar de inhoud, melk, wat boter, een bakje kipfilet, en liet de deur openstaan, zijn hand nog steeds op het handvat, alsof hij vergeten was dat kiezen ook een vorm van leven is.

 Lou volgde hem de hele dag. Niet speels. Niet vragend. Als een echo, als een schaduw die haar eigen contouren had leren buigen naar het zijne. Hij aaide haar niet. Hij voelde zijn hand wel naar haar uitgaan, maar net voor hij haar vacht kon aanraken, keerde ze haar kop, traag, zonder nadruk, alsof hij iets aanraakte dat niet van hem was.

 ’s Avonds lagen ze samen in bad. Het water was lauw, muf, hij had geen zin gehad om het te verversen. Hij lag met zijn knieën omhoog, zijn hoofd tegen de rand, zij lag op de badmat ernaast, haar lichaam languit, één poot over de rand. Hun blikken kruisten elkaar niet. Toch voelde hij haar daar, in de trillingen van het porselein, in de vochtige lucht, in het subtiele schuren van haar nagels over de vloer.

 Hij had het idee dat ze samen ademden. Dat als hij inademde, zij uitademde. Dat hun ritmes verstrengeld raakten, onmerkbaar maar beslist. En ergens daar, in de waterdamp, in het trage stromen van hun gezamenlijke stiltes, voelde hij het: het begin van een grens die aan het vervagen was.

 

Die nacht werd hij wakker met een onverklaarbare spanning in zijn benen, een diepe, kruipende trilling in het spierweefsel, alsof zijn lichaam zich aan het verzetten was tegen iets dat allang besloten was. Hij lag op zijn rug, armen gespreid als een kruiseling, Lou op zijn borstkas, zwaar en warm, haar snuit tegen zijn kin gedrukt. Haar adem rook naar nat mos en ingewanden. Haar ogen bewogen langzaam, traag cirkelend in haar kassen, alsof ze iets probeerde te volgen dat hij nog niet kon zien.

 Toen ze haar bek opende, gebeurde het zonder dreiging. Geen gegrom, geen waarschuwende stilte. Alleen een kalme gewaarwording van tand en tong, van warmte die naar binnen wilde. En ze beet.

 Maar het was geen aanval. Geen ruk of greep. Het was een openen. Een eerbiedige ontmanteling. Haar tanden vonden zijn sleutelbeen, groeven zich tussen huid en bot, terwijl haar tong zich een weg baande langs de spierbanen alsof ze zijn anatomie van binnenuit herkende, als iets wat haar toebehoorde.

 Hij voelde zijn borstkas splijten, maar niet als pijn. Het voelde als ruimte maken, als wijken voor iets dat dieper moest. Zijn bloed kwam niet met paniek, maar met overgave, warm en breed als een herinnering aan kindertijd. Lou likte het voorzichtig weg, elke druppel als een genade, haar ogen onbewogen, haar staart stil.

 Ze at hem. Niet als een beest, maar als iets dat zich voeden moest met wat het liefhad. Eerst zijn schouder, toen de spieren rond zijn borst. Ze werkte geduldig, met een soort intieme methodiek, alsof ze hem niet verslond maar ontvouwde, laag voor laag, in een volgorde die zij al kende nog voor hij bestond. Zijn longen kwamen bloot te liggen. Hij hoorde ze zuchten. Niet puffen of happen, maar een zucht, diep uit de kern, alsof ze zelf wilden dat het nu maar stopte.

 Zij hallucinerende gedachten gingen terug naar de eerste keer dat ze samen het bos in waren gegaan. Aan haar sprongen door het natte zand, aan zijn hand die zich toen nog zonder twijfel had uitgestrekt om haar aan te raken. Dat gevoel, die onschuldige aanraking, leek nu onvoorstelbaar, als een herinnering uit een leven dat niet van hem was geweest.

 Zijn armen verloren hun kracht. Zijn benen leken niet meer te horen bij zijn lichaam. Zijn mond trilde, maar bracht geen geluid voort. Hij voelde zich lichter worden, niet omdat er minder van hem was, maar omdat hij begreep dat wat hij was aan het oplossen was in iets wat veel eenvoudiger was. Iets wat niet hoefde te spreken of te denken. Iets wat alleen nog hoefde te bestaan.

 Toen ze zijn buik opende, voelde hij geen weerstand meer. Zijn ingewanden gleden naar buiten, nat en glanzend, zijn darmen kronkelden als slangen in de ochtendzon. Hij keek ernaar met de verbazing van iemand die voor het eerst zijn binnenkant ziet en denkt: zo zit ik dus in elkaar.

 Ze at hem verder. Zijn heupen, zijn knieën. Zijn voeten verdwenen langzaam in haar bek. Ze likte het bot schoon als een ritueel. Er was geen haast. Er was alleen precisie. En liefde. Een liefde die niets spaarde.

 Uiteindelijk bleef alleen zijn hoofd over. Zij keek hem aan. Hij knikte, of dacht dat hij knikte. Zij likte zijn slaap. Toen beet ze toe. Zacht. Definitief.

 

En het huis werd stil. Geen muziek. Geen adem. Geen stem. Alleen Lou. Die op het bed lag. Op zijn plek. Met zijn geur. Met zijn ritme. Met zijn blik.

 Er kwamen geen meldingen van vermissing. Geen buren die iets opmerkten. Alleen een geur in de gang die moeilijk te benoemen was, iets tussen natte hond en koper, tussen lichaamswarmte en het eerste rot. In de badkamer lag een handdoek. Vier keer gevouwen. Vlekkeloos.

 En in de spiegel, die niemand meer gebruikt, bleef een vage afdruk zichtbaar. Niet scherp. Niet tastbaar. Iets tussen een gezicht en een snuit. Tussen kijken en wachten. Tussen mens en hond. Tussen ik en wij.

 

Opmerkingen


bottom of page