top of page
logo Lowlands Fiction

MUIS - PETRA SCHULEIN CORET

  • 21 apr
  • 14 minuten om te lezen

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in jaarboek Ganymedes-24


Zowel de mist als de man waren grijs. Het was een koude, grijze januari dag die veel te vroeg eindigde in grijze mist die een laag rijp achterliet op de takken van de kale bomen. De warme adem van de grijze man dreef in een wolkje van hem weg. Zijn grijsheid was een deel van hem, van zijn huid, zijn haar en zijn grijze pak met daarover de lange grijze winterjas. Onder een arm droeg hij een broodtrommel, onder de andere een krant. Een grijze hoed was diep over zijn ogen getrokken. Zijn grijze ogen waren gericht op de grond. De stenen waarover hij liep waren trouwens ook grijs, net als het portiek van het wat aftandse appartementencomplex waar hij naar binnen ging. Vier maal twee trappen omhoog, naar een donkerblauwe deur die net zo goed grijs had kunnen zijn in het slechte licht van het flikkerende lampje aan de muur.

 Thuis. Een goed onderhouden maar spaarzaam ingerichte twee kamerflat. Een briefje van de postbode lag in de gang op de mat. De grijze man bukte en raapte het op. Er was een pakje aangekomen, maar de pakketbezorger had hem niet thuis aangetroffen. Logisch niet, hij was op zijn werk. Morgen kon hij het ophalen bij het winkeltje verderop in de straat. Gelukkig bleef dat tot elf uur ´s-avonds open. De winkeleigenaar was weduwnaar en kinderloos en hield er niet van om al te lang in zijn lege huis door te brengen.

 De grijze man keek om zich heen. Veel om voor thuis te komen had ook hij niet. Geen vrouw en geen kinderen en geen huisdier. Zijn moeder, die de laatste tien jaren van haar leven bij hem in had gewoond, had een hekel aan dieren gehad. Zijn ogen gingen onwillekeurig naar de foto op de kast: een magere oude vrouw met half toegeknepen ogen en dunne lippen die niet glimlachten stond naast een iets jongere versie van de grijze man. Zijn voorzichtige glimlach bereikte zijn ogen niet.

 De grijze man dacht aan andere foto’s die niet op de kast stonden. Omdat ze nooit gemaakt waren. De trouwfoto van hemzelf en het meisje met de sproeten van de tweede verdieping. Zijn moeder vond haar te uitbundig. En ze lachte volgens zijn moeder teveel tegen Henk van hiernaast. Die was nu al vijfentwintig jaar met haar getrouwd. De vakantiefoto’s van de man met zijn vrienden bij dat meer in Italie. Zij waren wel gegaan, hij niet. Zijn moeder was plotseling ziek geworden. Een ziekte die net zo onverwacht na twee weken weer ophield. De foto van de man en zijn hond. Een vuilnisbakkenras die op een avond achter hem aan was gelopen. Zo was hij ook weer weggelopen een week later. Zei zijn moeder.

 Hij liep snel door, naar de logeerkamer, die hij na de dood van zijn moeder had omgebouwd tot treinkamer. Hier was kleur. Hier was leven. Een oprechte glimlach plooide zich op zijn gezicht toen hij op de knop drukte die de locomotief deed rijden. Het was er een die echt geluid maakte. Dat geld had hij er wel voor over. Bovendien, waar moest hij het anders aan uitgeven?

 Na een sobere maaltijd uit de magnetron, ze smaakten eigenlijk allemaal hetzelfde, zette de man zijn trein weer stil en ging naar bed. Morgen weer een dag.

 De volgende ochtend zat de grijze man weer op zijn gebruikelijke plekje in de tram. Dezelfde rit, hetzelfde geluid. Hij las wat in zijn krant en keek naar buiten. Nog steeds grijs. Het regende. Miezerde eigenlijk. Echte winters zoals vroeger had je niet meer.

 Het eentonige geluid van de wielen op de rails was genoeg om bij in slaap te vallen. Maar de man wist wat er kwam. De tram dook een tunnel in. Het eerste stuk was grijze steen en pijnlijk felle lichten maar dan, dan kwam het stuk waar de lampen het niet deden. Het stuk waar het echt donker was. Dat was al ruim vijftien jaar zo. Sinds de aanleg van deze tunnel die een stuk afsneed van de route. Het enige licht kwam van de fluorescerende wijzers op het horloge van zijn vader. Het was het enige wat hij van de man had. Zijn moeder had als wraak voor het feit dat de arme man het lef had gehad om dood te gaan alles wat ook maar zijdelings aan hem herinnerde weggedaan.

 Behalve het horloge. Dat lag bij de horlogemaker. En toevallig was de grijze man degene geweest die het telefoontje had beantwoord waarin werd gemeld dat het horloge gerepareerd was. Van zijn eigen zakgeld had hij de reparatie betaald. Hij had het vijf jaar voor haar verborgen gehouden tot hij uit huis ging.

 De grijze man concentreerde zich op de wijzers en op de herinnering van de lachende man die het hem als tienjarig jochie voor het eerst had getoond. Niet naar buiten kijken. Vooral niet naar buiten kijken. Het donkere stuk kwam. En ging, gelukkig.

 De rest van de dag verliep zonder incidenten. Het was weer mistig toen hij naar huis ging. In zijn zak voelde hij het briefje van de pakketbezorger. Niet vergeten op te halen. Zijn nieuwe loc.

 Een paar haltes later ging tegenover hem een mollige vrouw met roodgrijze krullen zitten. Ze lachte naar hem. Verlegen lachte hij terug. Hij was geen vriendelijkheid gewend. De tram zette zich in gang. Buiten was het grijs. Bij de derde halte stapten vijf mensen in. Drie van hen vonden voorin een zitplaats. Een bleef staan bij de deuren. De vijfde liep langzaam naar achteren. De grijze man verstijfde. Hij kende hem. Dat was Angelo, van de vijfde klas. De grootste bullebak van school. Hij was degene die de fiets van de grijze man, toen nog een schuchtere, bruinharige jongen, had gesaboteerd. Halverwege de straat was zijn wiel erafgelopen en hij was hard gevallen.

 Zijn moeder was boos op hem, vanwege de kapotte fiets en de scheur in zijn broek. En ook vanwege de bloedvlek op zijn jas.

 De grijze man wreef nerveus over het lidteken op zijn kin zoals hij altijd deed, sindsdien.

 ´Gaat het goed?´, vroeg de vrouw tegenover hem bezorgd.

 Hij knikte. Met moeite hield hij zijn hand omlaag. Angelo was fors aangekomen, niet meer de sportieveling van vroeger. Maar zijn sadistische gelaatsuitdrukking was nog steeds dezelfde. Gelukkig leek hij de grijze man niet te herkennen.

 En zo kwam het dat toen de donkere plek kwam hij niet naar zijn horloge keek. De duisternis en de kou overvielen hem. En hij keek vol in het gezicht van het wezen. Zijn adem stokte. De man was niet gelovig. Niet in de god van de kerk in elk geval. Maar dit. Dit was kwaadaardigheid in levende lijve. Pure woede om precies te zijn.

 ´Oh!´ Een verschrikte kreet ontsnapte aan de mond van de roodharige vrouw, die eveneens naar buiten keek.

 ´Wat….?´

 ´Ik weet het niet,´ zei de grijze man. ´Het is er altijd geweest. Het is boos, denk ik.´

 ´Waarom?´

 ´Er was ooit een stad onder onze stad. Die is vernietigd. Dan zou ik ook boos worden.´

 Waarom zei hij dit soort dingen? En tegen een vreemde. Ze dacht vast dat hij gek was.

 Gelukkig kwam de conducteur langs. De formaliteiten van de kaartcontrole leidden hen af van de duisternis. De tram schokte, niets bijzonders, dat gebeurde wel vaker. Het licht in de coupé knipperde. Daarna gingen de lichten weer aan, ook in de tunnel, en bereikte de tram de volgende halte. De roodharige vrouw stond op, lachte nog eens naar hem, en verdween in de grijze wereld buiten de tram.

 Toen pas merkte hij dat er iets tegen zijn voet aangerold was. Het was een loper. Zo een die de conducteur gebruikte om een deur open te houden of te maken als de rest van de deuren gesloten waren. De man raapte hem op met de bedoeling om hem aan de conducteur terug te geven. Maar hij kon de man nergens vinden. Hij stak de loper in zijn zak om hem af geven bij de krantenkiosk naast de halte waar hij er uit moest. Oh ja, het briefje. Niet vergeten het pakketje op te halen.

 Die avond een maaltijd met rijst en boontjes. Te zout. En de boontjes te gaar. Gelukkig had hij nog het pakketje. Voorzichtig pakte hij het uit. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. De nieuwe locomotief was nog mooier dan hij had verwacht. Misschien toch ook maar die nieuwe wagonnetjes kopen. Die pasten er mooi bij.

 De volgende ochtend zat de grijze man op zijn gebruikelijke plek. Iets hards prikte in zijn zij.

 Oh. De loper. Helemaal vergeten.

 De conducteur kwam echter ook deze keer niet langs.

 Angelo wel.

 Hij liet zich met een harde plof neervallen op de bank tegenover de grijze man. Met een gemene grijns op zijn gezicht die de grijze man nog kende van vroeger, zei hij: ´En, muis, dacht je dat ik je niet herkende? Heb je nog iets bijzonders gedaan sinds de laatste keer dat ik je zag? Nee. Natuurlijk niet. Een grijze, nietsbetekenende muis zoals jij. Wat zou jij nou kunnen doen wat bijzonder genoeg is om te onthouden?´

 Hij lachte, het klonk niet vriendelijk.

 De grijze man zweeg. Het had geen zin om antwoord te geven. Uit ervaring wist hij dat Angelo alles zou verdraaien wat hij zei. Zoals die keer dat hij bevrijd moest worden uit de kelder op school omdat Angelo en zijn meelopers de deur op slot hadden gedraaid nadat hij op verzoek van de tekenleraar daar iets moest halen. Volgens Angelo had hij zelf de deur in het slot laten vallen in plaats van de deur vast te zetten aan de haak. De directeur geloofde Angelo en zijn moeder ook.

 En het was daar koud, en donker. Er bewoog iets. En nee, het waren geen muizen, dat wist hij zeker.

 De lichten in de tunnel gingen weer uit, zoals altijd. De grijze man maakte de fout om net op dat moment naar buiten te kijken. Het wezen was daar weer. Dichterbij leek het wel. Koud, donker en dreigend. De man bevroor van binnen. Het wezen kende hem. Hij wist het zeker. En het wilde iets van hem. Dat betekende niets goeds.

 Toen de lichten weer aan gingen was Angelo weg. Met enige opluchting pakte de grijze man zijn krant weer. Maar echt lezen wat er stond ging hem moeilijk af. Iets over een bankoverval. Of een reeks brandstichtingen. Of beide? Hij kon zich niet concentreren.

 Tegen de tijd dat hij bij zijn bestemming was, was de grijze man enigszins gekalmeerd. De dag verstreek in zijn gebruikelijke routine. Het mistte eens niet die avond. In plaats daarvan goot het.

 Doorweekt vond hij zijn gebruikelijke plekje aan het raam en na een paar haltes stapte ook de roodharige vrouw weer in. Ze ging opnieuw tegenover hem zitten.

 ´Het is snertweer, niet?´

 De grijze man knikte.

 ´Ik zal blij zijn als mijn auto gerepareerd is.´

 De grijze man wist een glimlach op zijn gezicht te toveren.

 ´Ik werk in het museum hier.´

 ´Oh.´

 Stilte.

 De roodharige vrouw haalde haar telefoon tevoorschijn. Ze rommelde wat rond in haar tas en zette een bril op.

 ´Kijk!´ zei ze. Op het schermpje stond een plaatje van een oude kaart. Ze wees met haar vinger. ´Dit is waar we nu zijn, en hier hebben we vijftien jaar geleden een opgraving gedaan. Nou ja, ´we´. Dat waren mijn collega’s van de archeologie afdeling. Ik werk bij het archief. Maar hier was dus een oude villa. Met mooie mozaïeken. Volgens mijn collega’s is die in de tweede eeuw na Christus door brand verwoest.´

 ´Dat wist ik,´ zei de grijze man.

 ´Oh?´

 ´Dat is vlak bij het ziekenhuis. Daar lag mijn moeder. Ik kwam daar vaak.´

 En op de terugweg mocht hij altijd graag kijken wat ze aan het doen waren. Geschiedenis en archeologie hadden hem altijd gefascineerd. Bijna was hij het gaan studeren, maar zijn moeder vond het onzin en dus was hij accountant geworden. De vrijwilligers bij de opgraving hadden hem maar al te graag verteld wat ze vonden. En hoe belangrijk het was dat dit deel van de geschiedenis van de stad werd onderzocht. Hij had de mozaieken later gezien in een tijdelijke tentoonstelling in het stedelijk museum, voordat ze verplaatst werden naar de hoofdstad. Jachttaferelen met exotische dieren en heren en dames in een mooie tuin.

 Later werd hier dan de tunnel aangelegd waar ze nu doorheen reden. Het licht flikkerde uit en weer aan terwijl de roodharige vrouw, die zich voorstelde als Nienke, en hij praatten over de oudheid en de geschiedenis van de stad.

 ´Zo! Wat zie ik nou? De grijze muis in gesprek met een bevallige dame? Zit hij jou te vervelen, mooie meid? Vergeet hem maar, Angelo is hier nu.´

 Nienke schoof zo ver mogelijk van Angelo weg, die dat in het geheel niet op leek te merken. De man kwijlde nog net niet over haar heen en legde bezitterig zijn hand op haar dij.

 ´Ik moet er hier uit!´ riep ze, op het zelfde moment dat de grijze man zei dat Angelo haar met rust moest laten. Ze wurmde zich tussen de twee mannen door en glipte nog net door de al sluitende deur naar buiten.

 Angelo gaf de grijze man een vuile blik en stond op.

 De grijze man had die avond weinig eetlust. En ook zijn treinbaan boeide hem niet. In plaats daarvan knielde hij neer bij de stapel boeken naast de tv. Ergens onderaan vond hij wat hij zocht. Een oude stadsgids met plattegrond van dertig jaar geleden. Nogal gedetailleerd. Met behulp van een lineaal en een rekenmachine wist hij de plek te vinden waar de oude villa was gevonden. Ergens halverwege de tramtunnel.

 In het boekje dat hij destijds had gekocht bij de tentoonstelling van de mozaïeken vond hij de beschrijving van de villa. Ze hadden vijf skeletten gevonden achter de villa. Haastig begraven. Zo zei de hoofdarcheoloog. Slachtoffers van gewapend geweld. Het was een gewelddadige eeuw.

 Later was er een kerk gebouwd op de ruïnes. Die was allang afgebroken. Het was geen groot gemis voor de mensheid. De man was er wel eens geweest, voor een uitvaart. Een collega was na een lang ziekbed overleden.

 Het kerkje was donker en koud. En lelijk.

 Dat was het woord. Lelijk. Alles aan het kerkje was niet esthetisch. Dat was ook de reden dat het nooit op de monumentenlijst was geplaatst. Oud, maar lelijk. Daar was iedereen het over eens.

 Die nacht sliep de man onrustig. Hij werd verschillende keren half wakker en viel weer in slaap. Nadat hij in de vroege ochtenduren nogmaals ontwaakte, met hartkloppingen dit keer, besloot hij maar uit bed te gaan. De ochtend was grijs.

 De hete koffie verwarmde zijn handen nauwelijks. De grijze man vroeg zich af of hij ziek aan het worden was. Misschien moest hij zich ook maar ziek melden dan.

 Maar nee. Het beeld van de glimlach van Nienke kwam in hem op. Zou ze er vandaag weer zijn?

 Vroeger dan normaal zat de man in de tram. De zon was net op. Het was nog te vroeg voor de krant en dus had hij een boek meegenomen. Een vergeelde detective, tweedehands gekocht in dat ene winkeltje. Zijn vader had de hele reeks, destijds, en hij nu ook. Ze waren moeilijk te vinden. Hij raakte al gauw verzwolgen in het verhaal totdat een grote schok hem weer bij het hier en nu bracht.

 De tram stond stil. In het donker. Waar waren ze? Hij had niet opgelet. Deden de lichten het niet vanwege een storing of waren ze….. daar?

 De angst sloeg hem om het hart. Omdat het zo vroeg was was de coupé leeg. Ook de conducteur was nergens te vinden. Het werd ineens een stuk kouder. IJskoud was het nu. Zijn adem dreef van hem af in grijswitte wolkjes.

 Hij wilde schreeuwen, gillen en hard weglopen. Hij kon niets. Zijn lichaam voelde aan als bevroren. Het wezen kwam dichterbij. En het was niet alleen. Vier anderen zoals hij volgden hem. De felle ogen van het wezen keken hem rechtstreeks aan. Hij rook een brandlucht. Stond de tram in brand?

 Nee. Daar kwam het niet vandaan. Nu zag hij pas dat de schaduwen waaruit het wezen bestond kronkelende pluimen zwarte rook waren, zijn ogen roodgloeiende kooltjes. De hand van het wezen stak op de een of andere manier dwars door de wand van de tram en omklemde de schouder van de grijze man. Het was ijskoud en gloeiend heet tegelijkertijd.

 Zonder een woord te zeggen, zonder geluid, zonder taal zelfs, kwam de boodschap van het wezen bij hem aan.

 ´Breng mij de kwaadaardige. Breng mij de brandstichter.´

 De tram kwam weer in beweging. Houterig en haperend. De lichten schoten aan.

 De grijze man had geen idee hoe hij bij zijn kantoor kwam, maar drie koppen koffie waren niet voldoende om hem op te warmen. Misschien was hij toch ziek.

 De dag verstreek uiterst langzaam. De man kon zich niet concentreren. Alle cijfers dansten door elkaar heen. Hij nam zich voor morgen in bed te blijven. Een collega merkte op dat hij bleekjes zag. Een moment nam de grijze man zich voor om hem te vragen of hij mee kon rijden. Hij wist dat hij een auto had. Maar het moment ging voorbij en later bedacht hij zich dat hij dan Nienke zou missen. Als zij die dag met de tram ging tenminste.

 Enigszins huiverig stapte hij de tram in. Zijn stemming verbeterde toen bij de halte ´Museum´ Nienke inderdaad instapte. Ze had een tas bij zich van het museum waaruit ze een boekje haalde over de opgravingen en het onderzoek wat destijds gedaan was.

 Hier knapte de man van op. Zijn belevenissen van die ochtend leken een nare droom. Sterker nog het moest wel een droom geweest zijn; hij was vast in slaap gevallen na die moeizame nacht.

 Zijn gedachten werden onderbroken door een sterke brandlucht. Gealarmeerd keek hij om zich heen. Stond de tram in brand? Nee. Waren ze dan in het donkere gedeelte van de tunnel? Ook niet.

 Toen zag hij Angelo staan. De brandlucht was sterker bij hem in de buurt. Nee, kwam bij hem vandaan leek het wel. De grijze man herinnerde zich ineens de geruchten die de ronde deden destijds op school. Het was de dag nadat de rapporten waren uitgereikt. Die ochtend waren drie lokalen en de kantine afgesloten geweest vanwege brand de nacht ervoor. Angelo’s naam werd gefluisterd door de leraren. Zijn rapport was nogal teleurstellend.

 Maar zelfs brandstichten, als hij inderdaad de dader was, kon hij niet. Er was voornamelijk rookschade. En het werd nooit bewezen. Hoewel Angelo een paar weken afwezig was.

 Angelo keek hem rechtstreeks aan met van haat smeulende ogen. De grijze man slikte en zocht in zijn jaszakken naar iets waarmee hij zichzelf, en Nienke, kon verdedigen. Had hij niet een zakmes bij zich? Angelo had nogal een explosief temperament, vroeger.

 Nee. De loper die hij al drie dagen geleden terug had moeten geven was het enige dat hij voelde.

 Hmmm… Misschien kon hij hem gooien?

 Met lange stappen kwam Angelo dichterbij. Nienke zag hem nu ook. De tram reed de tunnel in.

 ´Zo, muis. Miezerige muis. Wie denk jij wel dat je bent? Ik had vroeger al een hekel aan je, met je boekenwijsheid. Alsof je beter was dan de rest. Je kan niets! Niets! Niet eens voetballen of schaatsen.´

 De brandlucht werd heftiger. Angelo kwam steeds dichterbij. De grijze man voelde zich weer het klunzige jongetje van lang geleden. Voordat de forse, woedende man hem kon bereiken stond hij op en schuifelde naar achteren. Had hij Nienke al opgemerkt? Misschien kon hij hem afleiden. Hij wilde niet dat haar wat overkwam.

 De bullebak stapte haar voorbij zonder haar te zien. Gelukkig. Dat maakte zijn eigen situatie er niet beter op. Angelo balde zijn handen tot vuisten. De grijze man sloot zijn eigen vuist rond de loper en haalde zijn hand uit zijn zak. Waar was de conducteur? Of wie dan ook die hem kon helpen. Dit was een gevecht dat hij niet kon winnen. De coupé was echter volledig leeg.

 Nog een stap naar achteren. Nog een. Angelo versnelde zijn pas.

 ´Jij was het, toch? Jij hebt mij verlinkt!´

 De grijze man schudde zijn hoofd. ´Nee! Ik heb niets gezegd. Ik wist ook niets. Laat me gaan!´

 ´Geen sprake van. Ik zal je leren dat Angelo nooit iets vergeet. Of vergeeft!´

 De tram schokte en de grijze man verloor zijn evenwicht. Hij knalde hard tegen de zijkant van de tram. Ietwat verdoofd zag hij de bullebak dichterbij komen. Als hij nog wat wilde doen, moest het nu, voordat hij bij hem was. Hij gooide de loper richting Angelo, zo hard als hij kon.

 Mis! Het ding knalde tegen de tegenoverliggende wand. Angelo was nu vlak bij.

 Er was een flits. De lampen knipperden. De grijze man zag dat Nienke dichtbij stond en bukte om iets op te pakken. De lampen knipperden opnieuw. De tram schokte. Angelo haalde uit met zijn vuist terwijl de grijze man ineenkromp. Mis!

 Lang kon dit niet duren. De grijze man kon nergens naartoe. Iets wat leek op een windstoot vloog de coupé binnen. Had Nienke nu de deur van de tram opengedaan? Slim. Nu kon ze ontsnappen.

 Maar ze stond er nog en wenkte. Wat wilde ze? Hij kon niet weg. Angelo stond voor hem.

 Opnieuw gingen de lichten uit. Buiten, dit keer. En ze bleven uit. Het donkere stuk!

 In pure angst trapte de grijze man Angelo in zijn buik, zo hard hij kon. De forse man strompelde naar achteren, uit zijn evenwicht gebracht door de rijdende tram die schokkend door een bocht ging.

 Even leek hij zich nog te kunnen redden. Hij greep met beide handen de zijkanten van de open deur. Dan grepen twee, drie, nee meer dan vier armen, zwarter dan de duisternis, hem bij zijn romp en trokken hem naar achteren, de tram uit. Er klonk een gil, die steeds hoger werd. Vijf paar brandende ogen omringden de schaduw die Angelo nu was. Het geluid stokte ongeveer op hetzelfde moment dat Nienke de deur weer dichtdeed.

 ´Dank je…´

 Nienke en de grijze man keken elkaar aan.

 ´Hoorde jij dat ook?´

 De grijze man knikte.

 Buiten gingen de lichten weer aan en de tram slingerde de tunnel uit.

 ´Weet je, ´ zei Nienke, ´morgen is mijn auto weer gerepareerd. Zal ik je ophalen?´

 Opnieuw knikte de man.

 ´Hoe heet je eigenlijk?´

 ´Julius.´

 Een paar haltes later verliet het tweetal de tram. De zon scheen voor een keer. De loper bleef liggen op de grond waar Nienke hem had laten vallen.

 

Van Angelo werd nooit meer wat vernomen.

 

Opmerkingen


bottom of page