top of page
logo Lowlands Fiction

MANK - MIRIAM OOTJERS

  • 19 mrt
  • 11 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 23 mrt



Eerder verschenen in de bundel Sterrenkijkers van Godijn Publishing en Onwereldse sprookjes


Ooit, toen mensen nog voor advies gingen naar de Witte Vrouw, de vos beleefd antwoord gaf als je hem de weg vroeg en zwarte katten geluk brachten, kuste een jongen zijn moeder, nam haar zegening in ontvangst en trok de wereld in om zijn fortuin te vinden.

 Als hij op een kruk zat was weinig opvallends aan de jongen. Zijn vlasblonde haar en fletsblauwe ogen trokken geen aandacht, en als hij sprak, deed hij dat met een zachte, beheerste stem. Maar op het moment dat hij zich in beweging zette, waren alle ogen op hem gericht.

 Sinds zijn geboorte was zijn linkerbeen korter dan het andere. Dat gaf hem een trage, hobbelende loop, die hem al snel de bijnaam 'mank' opleverde. Zo vaak werd hij mank genoemd, dat iedereen in de loop van de jaren zijn echte naam vergat. Ook hijzelf.

 Hij besloot dat het beter was een scheldnaam als geuzennaam te dragen dan dat het hem telkens van zijn stuk bracht. Dus als iemand hem vroeg hoe hij heette gaf hij steevast als antwoord: 'Mank'.

 Mank legde zelf het verband niet, maar door zijn fysieke beperking ging zijn omgeving ervan uit dat hij ook traag van begrip was. Niemand nam de moeite Mank echt te leren kennen, en Mank vond dat prima.

 Tot het tijd werd om voor zijn moeder te zorgen in plaats van andersom, en Mank op zoek ging naar werk.

 'Niet sterk genoeg,' zei de smid.

 'Niet snel genoeg,' zei de herbergier.

 'Niet slim genoeg,' zei de chirurgijn nog voordat Mank zijn mond open had kunnen doen om te vragen of hij in de leer mocht.

 Pas toen een kloosterling de deur zonder een woord voor Manks neus sloot, zag hij in dat het geen zin had. Iedereen zag hem als een manke. Niemand zag hem als Mank.

 Dus stond hij nu aan het begin van het pad dat hem door het bos bracht, de wijde wereld in. Onderweg had hij tijd genoeg om te bedenken wat 'fortuin' voor hem eigenlijk betekende.

 Aan het einde van de tweede dag stapte Mank van het zandpad en liep een paar meter het bos in, waar een omgevallen boom een gat in het bladerdek had gemaakt.

 Met zijn rug rustend tegen de boomstronk keek hij omhoog naar de fonkelende stippen aan de diepzwarte hemel. Om zijn geest te kalmeren begon hij ze te tellen.

 Na honderd vielen zijn ogen langzaam dicht. Bij honderdvier schoten ze wijd open. Hij wist niet veel van sterren, maar hoorden ze niet op hun plek te blijven hangen? Waarom kwam er dan één recht op hem af?

 Mank wilde opkrabbelen, maar zijn kortere been werkte niet mee.

 De 'shit!' van de ster werd overstemd door de 'oef' van Mank toen eerste met een plof in de schoot van laatste belandde en vervolgens op de bosgrond rolde.

 Toen ze beide van de schrik bekomen waren duwde Mank zich tegen de boomstronk overeind en stak zijn hand uit om de ster op zijn benen te helpen.

 Terwijl de ster gegeneerd wat mos en blaadjes van zijn kleding klopte, bekeek Mank hem van top tot teen. Nee, dit was niet hoe hij zich een ster had voorgesteld. Er glom of fonkelde niets aan de jongen die voor hem stond. Hij zag er eerder onopvallend uit, zoals Mank zelf. Grijze kleding, hier en daar gerepareerd met een lapje stof, duifgrijs haar dat niet bij zijn leeftijd paste. Toen Mank naar de grond keek zag hij dat de jongen blootsvoets was. Pas toen de ster opkeek begreep hij waar de fonkeling aan de hemel vandaan kwam. De ogen van de jongen hadden gouden irissen die zo fel waren, dat Mank weg moest kijken om niet verblind te worden.

 De ster draaide beschaamd zijn hoofd opzij. Toen hij zijn ogen weer op Mank richtte waren ze dof, maar hadden nog steeds de goudgele kleur van de bosbloemen waar zijn moeder zo dol op was.

 'Ik ben Mank.' Hij stak zijn hand uit. 'Ik ben de wereld ingetrokken om mijn fortuin te vinden zodat ik mijn moeder kan onderhouden.'

 De ster schraapte zijn keel en negeerde Manks hand. 'Heb je een wens gedaan?'

 Mank schudde zijn hoofd.

 'Nee..?'

 'Nee. Ik telde sterren om in slaap te vallen.'

 'En ik was de eerste ster die je zag?' Het klonk hoopvol.

 'Nou, niet echt. Je was de honderdvierde.'

 'Oh.' De ster leek licht verbolgen, maar herpakte zich snel.

 'Je hebt in ieder geval iets nodig, anders was ik hier niet.'

 Daar moest Mank over nadenken. Hij wilde zijn fortuin vinden. Maar had hij werkelijk iets nodig? Zo nodig, dat er een ster naar beneden was gekomen om hem dat te geven?

 De ster zag zijn twijfel en besloot blijkbaar dat hij daar geen tijd voor had.

 'Ik kan dat voor je maken,' zei hij behulpzaam en wees naar Manks kortere been.

 'Is het stuk dan?' vroeg Mank verwonderd.

 'Daarmee kun je toch niet rennen?' Nu was het de beurt aan de ster om verbaasd te klinken.

 'De hele wereld lijkt al te rennen,' reageerde Mank droog. 'Soms is het beter dat sommige mensen minder haast hebben.'

 De ster keek hem een moment verbluft aan. 'Eh... Goud dan? Als je dat wenst kan ik je een berg goud geven!'

 Maar Mank schudde zijn hoofd. 'Dat kan ik niet dragen. Bovendien zijn de bossen niet veilig. Dat goud ben ik zo kwijt aan rovers.'

 'Dan zorg ik ervoor dat het bij je moeder verschijnt,' bood de ster aan. 'Nee..?' zei hij hoofdschuddend toen hij Manks blik zag.

 'Ze zal denken dat het gestolen is, of door een kwade geest gebracht om haar ziel te kopen. Dat wil ze niet en begraaft het waarschijnlijk in het bos of gooit het in de waterput.'

 'Liefde dan!' zei de ster. 'Ik kan je de liefde van je leven geven!'

 Mank keek de ster bedenkelijk aan. 'Als ik niet voor mijn moeder kan zorgen, hoe moet ik dan een geliefde onderhouden?'

 'Eh...' De ster leek even te zoeken naar meer mogelijkheden. Hij kwam tot niets. 'Sorry. Dat is wat iedereen wenst. Liefde, rijkdom of gezondheid. Dan weet ik het ook niet meer.'

 Mank dacht even na. 'Misschien kun je beter teruggaan?' Hij wees naar de hemel.

 De ster keek hem beteuterd aan. 'Ik kan pas terug wanneer jij een wens hebt gedaan en ik deze heb vervuld.'

 'Dan wens ik dat je teruggaat.' Mank knikte hem bemoedigend toe, maar de ster verdween niet.

 'Je mag niets voor mij wensen. Dat zijn de regels.' De ster haalde zijn schouders op. 'Het mag natuurlijk wel, maar de wens gaat niet in vervulling.'

 'Dan kun je beter iemand anders zoeken die iets wenst,' zei Mank en stapte het bospad weer op. De vermoeidheid was uit zijn hoofd en lichaam verdwenen.

 Tot zijn verbazing – en lichte ergernis – drentelde de ster op een paar meter afstand achter hem aan. Mank stopte en draaide zich om.

 'Je hoeft mij niet achterna te lopen, ga maar op zoek naar iemand anders.'

 'Dan kan niet. Ik ben aan jou gebonden door de onvervulde wens. Ik moet je wel volgen.'

 'Want dat zijn de regels?' zuchtte Mank.

 De ster knikte opgelaten en voelde zich duidelijk net zo ongemakkelijk als Mank met de situatie. Misschien moest hij iets kleins wensen, een brood bijvoorbeeld, dan waren ze van elkaar verlost. Hij betwijfelde echter of dat werkte. Mank had het vermoeden dat de ster alleen een wens kon vervullen als het iets was dat hij echt wilde, niet één om verlost te zijn van de jongen met de gouden ogen. Want dat waren de regels.

 De ster had inmiddels zijn interesse in Mank verloren en keek om zich heen. Zijn blik ging van de bomen naar de struiken. Hij pakte een dennenappel van het pad, staarde gebiologeerd naar de zaadjes die daaruit naar de grond dwarrelden en richtte zijn blik uiteindelijk naar de lucht. Mank vroeg zich af of de ster eigenlijk wel weer naar de hemel wilde.

 De ster voelde blijkbaar dat Mank naar hem keek, en geschrokken liet hij de dennenappel vallen. 'Sorry, zei je wat?'

 Mank schudde zijn hoofd.

 Nors mompelde de jongen: 'Wens gewoon wat. Dan zijn we van elkaar af.'

 Toen wist Mank zeker dat de ster niet terugwilde.

 'Ik wil erover nadenken.' Hij begon weer te lopen

 'Zo moeilijk is het toch niet?' hoorde hij de ster achter zich in zichzelf brommen. 'Wens wat iedereen wenst. Mensen zijn voorspelbaar.'

 'Misschien ben ik niet iedereen,' zei Mank over zijn schouder.

 'Natuurlijk wel,' klonk het bijna onverstaanbaar, maar hard genoeg om Mank in het verkeerde keelgat te schieten.

 Hij stopte en de ster botste bijna tegen hem op.

 'Goed dan. Ik wens een berg met goud.' Mank keek de ster scherp aan.

 De jongen had zijn handen in zijn zakken gestoken en staarde als een nukkig kind naar de grond. Er gebeurde niets.

 'Nou?'

 'Je kunt alleen maar iets wensen wat je in het diepste van je hart wilt,' mompelde de ster.

 'En ik heb geen behoefte aan goud.'

 'Nee, blijkbaar niet...'

 'Dan wens ik dat mijn linkerbeen net zo lang is als mijn rechterbeen.' Mank hield even zijn adem in. Soms, heel soms, wilde hij dat hij was zoals anderen. Maar, realiseerde hij zich, dat was omdat hij normaal behandeld wilde worden, niet omdat hij ongelukkig was met zichzelf.

 Toen er niets gebeurde zei hij: 'Ik wens dat de liefde van mijn leven voor mijn neus staat.'

 Hij keek de ster recht aan. Die keek zonder met de ogen te knipperen terug. Er verscheen niemand tussen hen in.

 'Goed,' concludeerde Mank. 'Nu we dat achter de rug hebben kunnen we verder. Het is donker en koud, en ik heb geen zin om de hele nacht te lopen.'

 'Wens dan om een schuilplaats!' riep de ster terwijl hij weer achter Mank aanliep.

 'Ik wens om een schuilplaats,' zei Mank rustig.

 Niets.

 'Waarom werkt het niet?' De ster klonk inmiddels wanhopig.

 'Omdat er genoeg schuilplaatsen zijn in het bos. Ik heb er alle vertrouwen in dat we er eentje vinden, en anders maken we er één. En ik ben niet bang voor de nacht.'

 Maar de ster was dat wel, zag Mank toen hij achterom keek. Ging hij eerst nog helemaal op in alles om zich heen, nu liep de jongen in elkaar gedoken, had hij zijn armen voor zijn borst geslagen en schoten zijn ogen van links naar rechts. Het was geen wanhoop die Mank in zijn stem dacht te horen, het was angst.

 Hij minderde vaart en liet de ster hem inhalen tot ze naast elkaar liepen.

 'Wil je dat we stoppen?'

 'Ik wil dat je een wens doet!' overschreeuwde de ster zijn angst.

 In plaats van de ster erop te attenderen dat hij al vier wensen gedaan had en deze niet vervuld waren, deed hij een stap naar hem toe tot ze bijna schouder aan schouder liepen. Hoewel de ster de afstand met één stap had kunnen vergroten, deed hij dat niet. De jongen ontspande een beetje.

 'Hoe belandt een ster aan de hemel?' vroeg Mank na een paar minuten stilte.

 'Weet ik veel,' zei de jongen bijna onverstaanbaar, en sloeg zijn armen weer voor zijn borst.

 'Worden sterren geboren?' Mank wilde niet aandringen, maar hij was oprecht nieuwsgierig.

 De ster zweeg nukkig.

 'Mijn moeder vertelde ooit dat nieuwe sterren ontstaan als twee sterren tegen elkaar botsen.' Mank keek vanuit zijn ooghoek naar de ster, maar die staarde naar het pad.

 'Dus...'

 'Ik ging dood en toen was ik een ster, oké?' viel de jongen hem bruusk in de rede. 'Ik... We...' Hij stopte. Mank deed hetzelfde en draaide zich naar de ster toe.

 Die ontweek zijn blik en keek naar alles behalve Mank, om uiteindelijk tegen zijn voeten te zeggen: 'We overvielen een koets. Niet de eerste keer, als het aan ons lag ook niet de laatste keer. Zo veel goud, en wij hadden niets. Het was niet eerlijk.'

 De ster snoof. 'We hadden het goud nodig. Maar het was ook gewoon leuk. Het gegil van de vrouwen, de mannen zwaaiend met decoratieve degens alsof ze nog nooit een wapen hadden vastgehouden. De kostbaarheden die ze ons praktisch toewierpen alleen al bij de aanblik van een mes. De...'

 Plots drong het enthousiasme waarmee hij vertelde door tot de ster. Hij zweeg beschaamd, herpakte zich en vervolgde rustiger: 'Maar het leek alsof de laatste koets op een overval gerekend had. Er was geen goud. Er waren wel vier mannen. Geoefende mannen met degens tegen drie onervaren jongens met messen. Binnen seconden sabelden ze ons neer. Ik keek op naar de hemel en vervolgens keek ik neer op mijzelf.'

 De jongen rilde.

 Mank wilde hem tegen zich aantrekken, maar hield zich in. Aan alles zag hij dat de ster nog niet was uitgesproken, en als hij hem nu zou troosten hield de woordenstroom waarschijnlijk op.

 'Toen was ik weg. Was het bos weg. Was alles weg. Zelfs mijn herinneringen waren weg. En ineens sta ik tegenover een vrouw die mij recht aankijkt en zegt: 'Ik wens een stal vol gezonde melkkoeien.' En daar staat een stal vol koeien. De vrouw rent erheen, en ik ben weer verdwenen. Toen een man die wenst dat zijn dochter mooier is. Een boer die wenst dat het vee van zijn buurman de pokken krijgt. Een kind dat de grootste pop van het dorp wenst. Wens na wens, elke volgende nog groter, mooier, rijker dan de vorige. Nooit een 'bedankt'. Altijd een 'ik wens', 'ik wens'. 'Ik, ik, ik'.'

 Plots keek de ster op naar Mank. 'Was ik ook zo? Draaide het ook allemaal om mij?' In zijn blik lag iets wanhopigs, iets dat smeekte: 'Zeg mij dat het niet zo is, dat ik dit niet verdiend heb, dat dit geen straf is.'

 Maar Mank had het antwoord niet. Dat leek de jongen ook niet te verwachten.

 Lichtgevende, goudgele strepen trokken over de wangen van de ster. 'En met iedere keer dat ik hier met mijn voeten in de aarde sta, komen meer herinneringen terug.'

 Met een mouw veegde hij de tranen van zijn wangen en snoof. Mank bood hem zijn zakdoek aan. Na luid gesnotter stak de ster de nu lichtgevende zakdoek uit naar Mank, maar die schudde zijn hoofd. De jongen propte hem in zijn broekzak.

 'En wat wil je nu?' vroeg Mank.

 'Dat je een...' Wens doet. Maar dat kwam er niet achteraan.

 'Ik weet het niet,' zei de ster uiteindelijk. 'Ik weet niet wat ik wil.'

 Mank zag dat hij het meende.

 'Misschien heb je gewoon wat tijd nodig om erover na te denken.' Mank begon weer te lopen.

 De ster knikte dankbaar. Hij liep achter Mank aan, en versnelde zijn pas tot ze schouder aan schouder liepen.

 Bij het eerste ochtendlicht naderden ze een dorpje.

 'Hier stoppen we,' zei Mank, die eigenlijk een paar uur eerder al had willen rusten. Zijn rechterheup deed pijn en zijn rug klaagde met zijn heup mee. Maar de ster had de hele tijd gebiologeerd om zich heen gekeken, als een kind dat voor het eerst de schoonheid van het bos ziet. Hij had blaadjes van struiken geplukt, de bast van bomen gevoeld en was één keer het bos ingerend, achter een vos aan. Minutenlang had Mank niets gehoord of gezien. Even was hij bang dat de ster terug was gegaan naar de hemel, tot hij twee goudgele vlekken tussen de struiken zag die een paar seconden later bij het gezicht van de ster bleken te horen. Opgelucht haalde Mank adem en vroeg de jongen niet weer van het pad af te gaan.

 'Je begrijpt het niet,' had deze gereageerd. 'Het is allemaal bekend, maar ook zo nieuw.' En hij dook weer de struiken in omdat hij geritsel hoorde.

 Nooit raakte de ster gefrustreerd door Manks trage pas, en hij had hem instinctief bij de arm gegrepen toen Mank struikelde over een boomwortel. Mank vermoedde dat de ster onmiddellijk had ingestemd te rusten als hij had aangegeven dat hij pijn had.

 Mank had hem vragen gesteld over zijn leven als ster, en kreeg al snel de indruk dat de jongen niet jaren, maar eeuwen de wensen van anderen had vervuld. De ster ondertussen, had hem plagend bladeren en dennenappels toegeworpen, was wel twintig keer vlak voor hem langs gerend zonder te beseffen dat Mank niet snel opzij kon springen, en had hem honderduit gevraagd over het dorp waarin hij woonde, over de dieren in het bos, over Manks moeder.

 Geen moment zag de ster hem als gehandicapt, en al helemaal niet als iemand met een traag begrip. De ster zag Mank als Mank. En Mank ging de ster steeds meer zien als een jongen. Als een vriend.

 Aan de rand van het dorp keek de ster naar de hemel, waar het nachtzwart had plaatsgemaakt voor het zachtblauw-met-roze van de zonsopkomst.

 'Iedereen is weg.' Hij speurde de hemel af en keek vervolgens verloren om zich heen, tot zijn ogen bleven rusten op Mank.

 'Ik ben er nog,' zei deze kalm.

 Samen verkenden ze de straten, struinden de markt af en eindigden uiteindelijk op een plein.

 Daar nam Mank een besluit.

 'Ik wens dat mijn vriend hier op deze wereld blijft tot het echt tijd is om te gaan. Als hij...' Mank dacht even na. 'Als hij honderd is bijvoorbeeld.'

 De ster keek Mank met opgetrokken wenkbrauwen aan. 'Leuk geprobeerd. Maar er gebeurt niets.'

 Mank zag echter iets anders. De zachtgouden irissen van de ster veranderden langzaam van kleur, tot Mank in de fletsblauwe ogen van de jongen keek. Deze zei nors: 'Kijk niet zo. Het is niet de juiste wens.'

 'Jawel hoor,' glimlachte Mank. 'Maar misschien duurt het even voordat jij het ook ziet.'

 'Wat ziet?'

 'Dat er helemaal geen regels zijn. Dat je misschien gewoon nog nooit iemand hebt ontmoet die vanuit het diepste van zijn hart iets voor een ander wenst.'

 Hij knikte glimlachend naar de jongen, die niet-begrijpend maar breed teruglachte, nam hem bij de hand en trok hem met zich mee, de wereld in.

 

Opmerkingen


bottom of page