top of page
logo Lowlands Fiction

DE WOLF EN ROODKAPJE - MIRIAM OOTJERS

  • 23 mrt
  • 11 minuten om te lezen

 

en



Ooit ruiste een frisse lentebries door de bomen in het bos, zongen de vogels en kneep een meisje haar ogen half dicht tegen de uitbundige zon. Om haar schouders droeg ze een rode cape met een rode capuchon, aan haar arm hing een rieten mand gevuld met vers brood, gedroogde pruimen en een fles tequila. Roodkapje was op weg naar haar grootmoeder, die in een huisje midden in het bos woonde. Waarom een hulpbehoevende tachtigplusser midden in een bos ging wonen bleef het meisje een raadsel. Iedere dag over hetzelfde bospad, zeulend met de zware mand om vervolgens een uur naar het gezever van dat oude mens te luisteren begon Roodkapje trouwens ook een beetje te vervelen.

 Bij het huisje bleek de deur open, maar grootmoe was niet thuis. Dit was nu al de derde keer deze maand en Roodkapje vermoedde dat grootmoe een beetje seniel werd. Bij het vooruitzicht het halve bos te moeten doorzoeken zette het meisje de mand harder dan nodig op tafel en stampte naar de voordeur. Op het moment dat ze de deurkruk naar beneden wilde duwen ging deze uit zichzelf omlaag en zwaaide de deur open. Het meisje, dat al naar voren leunde om de stap naar buiten te maken, tuimelde pardoes in de armen van de wolf.

 De vloek van Roodkapje overstemde de ‘pardon’ van de wolf, die haar snel weer naar binnen duwde en de deur met een klap achter zich dicht trok. Hij legde een poot tegen haar lippen om te voorkomen dat ze nog iets onbetamelijks zou roepen. ‘Sst!’ voegde hij daar ten overvloede aan toe.

 Hij bleef even met zijn rug tegen de deur staan, de oren gespitst op geluid van buiten, terwijl Roodkapje met de armen over elkaar geslagen ongeduldig wachtte tot hij klaar was met zijn show.

 ‘Waar wachten we op?’ vroeg ze uiteindelijk, maar de wolf gebaarde dat ze stil moest zijn.

 ‘Er zit iemand achter mij aan,’ fluisterde hij. ‘Met een kruisboog.’

 Het meisje schudde haar hoofd. ‘Doe niet zo gek. Jagen is al jaren verboden. Heb je de borden ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ bij iedere ingang van het bos niet gezien? Dat doe je niet als er iemand met een kruisboog achter je aan zit. En ga nu aan de kant, ik ben mijn grootmoeder kwijt.’

 Ongeduldig duwde ze de tegenstribbelende wolf opzij en opende de deur. Een pijl zoefde langs haar oor en onmiddellijk was Roodkapje van mening veranderd. Ze sloeg de deur met een klap weer dicht.

 ‘Er zit iemand achter je aan,’ constateerde ze.

 ‘Met een kruisboog,’ knikte de wolf.

 Het meisje deed haar cape af en bond deze als een vlag om een bezemsteel.

 ‘Volgens mij is dat niet de meest geschikte kleur,’ opperde de wolf.

 Geërgerd rukte ze de mantel van de steel, greep de punt van het tafelkleed en trok het van de keukentafel. De wolf ving net op tijd de fles tequila voordat deze aan diggelen viel op de keukenvloer.

 Roodkapje opende de deur, stak de bezemsteel naar buiten en zwaaide de witte vlag een paar keer heen en weer. Toen dit niet begroet werd met een regen van pijlen stak ze voorzichtig haar hoofd om de deur en stapte vervolgens naar buiten.

 ‘Wie het ook was, hij is nu weg.’

 De wolf waagde zich in de deuropening, klaar om weer naar binnen te duiken als hij ook maar iets in de struiken zag bewegen.

 ‘Het gaat al dagen zo. Iemand maakt het bos onveilig met kruisboogaanvallen. Vrouw hermelijn kreeg een pijl in haar staart. Heer vos vertelde dat er laatst een pijl rakelings over zijn kop vloog. Hij heeft de volgende pijl niet afgewacht.’

 Roodkapjes ogen gingen naar de schram op de bovenarm van de wolf. Het dier volgde haar blik.

 ‘Pijlen zijn snel ...’ Beschaamd legde hij zijn poot over de rode striem. ‘Hij heeft het nu vooral gemunt op wolven.’

 ‘Je bent de enige wolf in dit bos.’

 ‘Kun je nagaan.’

 Toen schoot Roodkapje iets te binnen.

 ‘Mijn grootmoeder is daar ergens. Je zou kunnen helpen zoeken.’

 De wolf wreef even over de schram, keek over zijn schouder naar de fles drank op de keukentafel en schudde zijn kop.

 ‘Nee bedankt. Ik, eh, wacht hier wel. Misschien komt ze vanzelf terug. Dan is er iemand die haar opwacht.’

 Het meisje haalde haar schouders op, sloeg de rode cape weer om en verdween het bos in.

 

De wolf nam de fles, het brood en na enige aarzeling ook de pruimen mee naar de slaapkamer en maakte het zich gemakkelijk op grootmoeders bed. Een half uurtje later werd hij gewekt door het gerammel van de deur. Met de kruisboogpijl nog helder voor de geest dook hij snel onder het bed. Vanonder het bed zag hij de laarsjes van het meisje, gevolgd door de doorweekte pantoffels van wat de grootmoeder moest zijn. Beschaamd krabbelde hij onder het bed vandaan.

 Roodkapje stak haar hoofd om de deur met een triomfantelijk ‘Gevonden!’

 De wolf stond op, rekte zich eens goed uit en slenterde naar de keuken.

 De takjes staken uit het tot strakke krulletjes gepermanente haar, de bloemetjesjurk was op verschillende plekken gescheurd, maar de oude vrouw leek het niet te merken.

 ‘Komt u hier vaker, heer wolf?’ Grootmoeder keek hem recht aan en tegelijk dwars door hem heen.

 ‘Ja, ik ben bevriend met uw, eh …’ De wolf keek van het meisje naar de vrouw en probeerde te raden wat hun relatie precies was. ‘Met Roodkapje,’ maakte hij zijn zin af. ‘U moet niet in uw eentje door het bos dwalen. De kruisboogaanvallen zijn een plaag in deze tijd van het jaar.’

 Hij stak vermanend een poot op, wat kon rekenen op een glazige blik.

 Toen werden de ogen van grootmoeder helder.

 ‘Roodkapje, we hebben een gast. Pak de glazen!’

 Ze schuifelde naar de kast boven het aanrecht. Na een korte inspectie constateerde ze: ‘Je bent de tequila vergeten.’

 Beschaamd schoot de wolf de slaapkamer in en kwam terug met de halfvolle fles.

 

Hoewel de wolf het bijzonder gezellig vond bij grootmoe, dacht Roodkapje daar na één glaasje duidelijk anders over. De wolf, die net zijn derde glas achterover sloeg bovenop de inhoud van de halve fles die hij al soldaat had gemaakt, stond ook op. Wat onvast op de poten maakte hij een onhandige buiging voor grootmoeder en greep zich vast aan de stoel om zich staande te houden.

 ‘Excuseer mevrouw, maar uw, eh ... Roodkapje kan niet alleen door het bos. Kruisbogen en zo …’ Zijn stem stierf weg in de diepte van de alcohol.

 ‘Maar heer wolf, het is zo lang geleden dat ik bezoek had! Blijf nog even.’

 De ogen van de wolf gingen van Roodkapjes misprijzende blik naar het smekende gezicht van de oude vrouw, maar hij schudde resoluut zijn kop. De hele wereld schudde even mee.

 ‘Nee,’ zei hij vastberaden. ‘Vrouwen gaan voor. Jónge vrouwen gaan voor,’ herstelde hij zijn fout snel. Toen hij besefte dat dit ook niet de juiste woordkeuze was liet hij het voor wat het was, ruilde de rug van de stoel voor de schouder van Roodkapje en dirigeerde haar naar de deur. ‘We gaan. Dag mevrouw grootmoeder.’

 Het meisje, dat maar al te graag de bedompte en nu ook zwaar naar alcohol ruikende keuken uit wilde, liet zich gewillig door de deur duwen.

 

Aan het einde van de volgende dag kwam de wolf Roodkapje op weg naar grootmoeder weer tegen.

 ‘Goedemorgen!’ zei het meisje.

 De wolf greep naar zijn kop en drukte de poten in zijn oren.

 ‘Kater?’ vroeg Roodkapje harder dan nodig. ‘Mijn grootmoeder heeft pijnstillers.’

 De wolf volgde haar zwijgend en tilde het doek over de mand een stukje op zonder dat het meisje het merkte. Perensap. Teleurgesteld liet hij de doek weer zakken.

 

‘Heer wolf!’ Blijkbaar was er een spoortje van de dag ervoor in het geheugen van grootmoeder blijven hangen, want ze begroette de wolf enthousiast.

 ‘Dat ziet er niet best uit,’ zei de vrouw en wees naar de bovenarm van de wolf. De schram van de pijl was duidelijk gaan ontsteken. De wolf constateerde dat de wond inderdaad behoorlijk pijn deed nu hij ernaar keek, en rood was bovendien. Blijkbaar had de kater alle andere pijn in zijn lijf weggedrukt.

 Met meer kracht dan hij van een oude vrouw verwachtte drukte ze hem in een keukenstoel en schuifelde de voorraadkast in. Er klonk veel gerammel van glas, wat binnensmonds gemompel en de vrouw dook weer op met een arm vol potjes die ze op de keukentafel uitstalde.

 Ze leek haar bezoek helemaal vergeten terwijl ze labels las en verschillende potjes leeg gooide in een kom. Enigszins verontrust door de penetrante geur die opsteeg uit de potpourri van kruiden en wat andere, meer onbestemde ingrediënten schoof de wolf een stukje achteruit in zijn stoel terwijl grootmoe alles fijn stampte tot een bruine smurrie.

 ‘Eh …’ protesteerde de wolf zwakjes toen de vrouw met haar vingers door de drab ging en vervolgens doelgericht op de wolf af liep. Haar stevige greep om zijn bovenarm voorkwam dat hij de keuken uit vluchtte en de drab werd met een resolute beweging over de wond gesmeerd.

 Roodkapje keek geamuseerd toe hoe het rechteroog van de wolf een beetje begon te trekken. Hij forceerde een grijns die dankbaarheid moest uitdrukken maar vooral veel tanden liet zien.

 Ineens leek grootmoeder terug te zakken in waar haar geest ook maar naartoe ging als hij niet hier was. Ze keek verbaasd naar de potjes op de tafel.

 ‘Roodkapje,’ zei ze vermanend. ‘Wat een troep. Ruim eens op, kind!’

 Met een zucht stond het meisje op, bracht alle potjes terug naar de kast en gooide de kom buiten in de afvalbak.

 De wolf voelde zich ondertussen niet helemaal fit. Zijn neus zat verstopt alsof hij een verkoudheid had opgelopen – eigenlijk een zegen met dat stinkende spul op zijn arm – en de wereld werd een beetje wazig.

 Roodkapjes stem klonk veel te schel toen ze vroeg of zijn arm al beter voelde.

 Omdat zijn stem zich ergens in zijn binnenste verstopt leek te hebben en weigerde tevoorschijn te komen knikte de wolf. Ja, zijn arm voelde beter. Sterker nog, hij voelde zijn arm helemaal niet meer.

 Hij wees naar de karaf met water op het aanrecht maar miste zijn doel en zijn poot ging naar de fles drank.

 Het meisje stond op en schonk voor iedereen een glas in. De wolf pakte het met zijn linkerpoot en sloeg het in één keer achterover. Grootmoeder zat met haar ogen dicht te suffen.

 Inmiddels begon de wolf een beetje dubbel te zien en grootmoeder leek hem met half samengeknepen ogen grijzend aan te kijken.

 Roodkapje had het glas opnieuw voor hem gevuld en hij goot de inhoud snel naar binnen. Daarop leek de alcohol de scherpe randjes van wat het ook was dat de wolf ineens in zijn greep hield af te slijpen en de wereld kreeg weer min of meer normale proporties.

 ‘Heer wolf, is alles in orde? U ziet een beetje bleek.’ Grootmoe was uit haar sluimering ontwaakt.

 Roodkapje keek veelbetekenend van de fles naar de wolf.

 ‘Misschien moet u hier maar blijven voor de nacht. Het bos is geen plek voor verkouden wolven.’

 De wolf, die zich nu meer dan alleen verkouden voelde, schudde zijn kop.

 ‘Heel vriendelijk van u,’ kreeg hij over zijn lippen. ‘Maar wie weet is het iets besmettelijks. Ik wil u niet aansteken.’

 Hij zag niet hoe de ogen van het meisje even oplichtten en ze hoopvol naar haar grootmoeder keek.

 ‘Het is fris in het bos, heer wolf. Het maakt uw verkoudheid alleen maar erger,’ drong de oude vrouw aan.

 Maar de wolf schudde zijn kop.

 ‘Ik moet uw, eh,’ hij besefte dat hij toch eens moest vragen wat de relatie tussen het meisje en de vrouw precies was, ‘Roodkapje naar huis brengen. Kruisboogaanvallen …’ Meer kreeg hij niet uit zijn keel.

 Hij schoof zijn stoel naar achteren en snel schoot Roodkapje omhoog om hem te ondersteunen.

 ‘Bedankt, mevrouw grootmoeder,’ wist het dier nog net uit te brengen en knikte naar de vrouw. Zag hij nu haar wenkbrauwen even samenknijpen tot een frons?

 Hij liet zich door het meisje naar buiten leiden terwijl ze naar haar grootmoeder zwaaide. Die zwaaide niet terug.

 

Met het idee dat hij haar ondersteunde in plaats van andersom hield de wolf zich dapper staande, tot halverwege het bospad naar het huis van Roodkapje. Het meisje stapte over de boomwortel die al tientallen jaren over het pad groeide, de wolf deed dat niet. Zijn rechterarm deed sinds grootmoe de smurrie op de schram had gesmeerd niet meer mee met de rest van zijn lichaam, en in plaats van zich instinctief vast te klampen aan het meisje tuimelde hij achterover een bosvennetje in.

 Proestend kwam hij boven, krabbelde gegeneerd de kant op en schudde zich uit. Het meisje deed haar uiterste best niet te lachen en om zich een houding te geven trok ze de cape van haar schouders. De wolf droogde zich er zo goed mogelijk mee droog.

 ‘Beter?’ vroeg het meisje en keek naar de bruine vegen die de smurrie van het medicijn op haar rode cape had achtergelaten.

 De wolf knipperde even met zijn ogen en zei toen naar waarheid: ‘Veel beter.’ De tinteling in zijn arm vertelde hem dat het gevoel daarin ook weer terugkwam. Met in het achterhoofd dat hij eens wat vaker in een bosven moest vallen als de wereld wazig werd liep hij met zekere tred achter het meisje aan naar haar huis.

 

Roodkapje stapte met een goed gevulde rieten mand en een diepe zucht haar huis uit en ging op weg naar grootmoeder. Op het bospad keek ze uit naar de wolf, maar hij leek deze dag verstek te laten gaan. Jammer.

 Vlak voor het huisje van grootmoe hoorde ze geritsel in de struiken.

 ‘Ach en wee!’ klonk het jammerend, en snel duwde het meisje de takken opzij.

 Daar zat een schaap, dat met haar voorpoten haar achterpoot vasthield.

 ‘Ach en wee! Ach en … wee?’ Het schaap leek even te aarzelen toen het Roodkapje zag, maar hervond zich snel en zette de klaagzang voort.

 ‘Vrouw schaap, wat is er aan de hand?’ probeerde het meisje boven het gejammer uit te komen.

 ‘Mijn poot!’ huilde het dier. ‘Ik ben gestruikeld en nu heb ik mijn poot verstuikt.’

 Resoluut greep Roodkapje het schaap bij de voorpoten, het ‘auauau!’ dat bijna haar trommelvliezen scheurde negerend en trok het dier omhoog. Met wat verband en pijnstillers had ze het schaap zo weer op de been – eh, poot.

 De deur van het huisje was open, maar geen grootmoeder. Bij het vooruitzicht weer het bos door te moeten slaakte Roodkapje een geërgerde zucht. Ze zette het schaap op een keukenstoel en trok de verbandtrommel uit een van de kasten.

 Toen het meisje naast het schaap knielde om de poot te verbinden jammerde het dier zachtjes.

 Roodkapje klopte het schaap geruststellend op de knie.

 ‘Goh mevrouw schaap, wat heeft u magere benen,’ zei Roodkapje verbaasd.

 ‘Ja, mijn kind,’ antwoordde het schaap. ‘Dat komt van het vele lopen door het bos.’ Het dier grijnsde verontschuldigend.

 ‘Goh mevrouw schaap, wat heeft u witte, rechte tanden!’

 ‘Ja, mijn kind, dat komt door het vele gras dat ik eet.’

 Roodkapje, die even bedenkelijk keek, haalde haar schouders op. Ze zette het verband om de poot van het schaap vast en stond op.

 ‘Goh mevrouw schaap, wat heeft u een vreemd gevormde rug!’ Ze wees naar de halvemaanvormige schouders van het schaap.

 ‘Ja, mijn kind, dat komt door mijn kruisboog.’

 Roodkapje had nog net de kans om ‘mijn kruisbo …’ te zeggen.

 Het schaap sprong op uit de stoel, gaf haar een duw tegen de schouders en Roodkapje tuimelde achterover op de grond. Het dier trok in een vloeiende beweging de kruisboog onder het schapenvel vandaan en richtte het op de borst van het meisje. Het vel viel op de grond en onthulde een voor Roodkapje al te bekende bloemetjesjurk.

 De gil van het meisje werd overstemd door een luid grommen. De wolf overbrugde in een soepele sprong de hele breedte van de keuken en landde op de buik van grootmoeder. Hij sloeg de kruisboog uit haar handen en zette zijn tanden in haar nekvel.

 Grootmoe begon te krijsen met ogen die vuur spuwden.

 ‘Alcohol werkt niet, gif werkt niet, pijlen werken niet,’ tierde de vrouw. ‘Stomme wolf, waarom ga je niet gewoon dood? Je vel is zo veel meer waard dan je leven!’

 Geschokt keek Roodkapje van grootmoe naar de wolf. Die probeerde iets te zeggen, maar had de vrouw nog bij haar nekvel. Zijn blik ging dwingend van de worstelende en tierende vrouw naar het meisje.

 ‘Wat doen we met haar? En graag nu een antwoord,’ zei die blik, en Roodkapje besefte dat grootmoeder helemaal niet zo seniel en zwak was als ze zich voordeed.

 Het meisje sloeg zich voor het hoofd om haar naïviteit. Of misschien waren het de glazen tequila die haar grootmoeder altijd voor haar inschonk ...

 Ze werd uit haar gedachten opgeschrikt door de wolf, die ‘Mwwhh-hhh’' zei.

 Roodkapje nam een besluit. Menig bosdier had al het leven gelaten door deze grootmoeder in schaapskleren. Ze zou geen nieuwe slachtoffers maken.

 Resoluut tilde ze de vrouw op bij haar enkels. Met haar hoofd knikte ze naar de put, die al jaren droog stond maar om praktische redenen nooit was weggehaald – je wist immers nooit wanneer een put veranderde in een wensput.

 Samen droegen ze de worstelende en schreeuwende vrouw naar de put en met één soepele beweging gooiden ze haar over de rand. Een geschrokken kreet, een plof en toen was het stil.

 

De wolf hing de kruisboog boven de open haard als herinnering aan deze bijzondere dag, en misschien ook voor het geval er een nieuwe grootmoeder opdook nu het jachtterrein vrij was. Het schaapsvel hield Roodkapje als herinnering aan de dag dat de wolf haar gered had, en aan het feit dat niet alles is wat het lijkt.

 

Opmerkingen


bottom of page