DE STRIJD BESLECHT - FINN AUDENAERT
- 1 apr
- 8 minuten om te lezen

Niemand. Slechts mijn hengst en ik. Het is niet de bedoeling dat er toeschouwers zijn. Maar wel een tegenstander. Waar ben jij, Hulaz? Ha, geritsel in het struikgewas. Iets hobbelt naar mij toe. Een streep oranje over dorre bladeren. Een vos. Merkwaardig hoe weinig dieren zich in het woud ophouden. Schuw ben jij niet, kleine vriend. Ja, kom maar naar mij toe. Ik ben koning van zowel mens als dier, ook hier. Hoe mager ben jij! Vel over been. Zijn natte neus besnuffelt mijn hand. Mijn broer ruikt net zo. Ga nu, vos, en zoek hem. Vertel Hulaz dat ik klaar ben voor zijn geweld. Het dier mankt weg. Eén poot blijft vreemd hangen in de lucht.
Ik ben dan wel op neutraal terrein, luisteren naar mij doen ze allemaal. Is de open plek groter geworden? Vorige keer stonden hier meer berken, toch? Ja, zeker wel. En het is zo stil.
Hulaz had hier natuurlijk al moeten zijn. Bang is hij niet. Je kan veel zeggen over de Bauma’s, heersers van het Dubbelrijk. Maar opgeven doen wij niet. Tweemaal per jaar, dat is de afspraak. Ik heb meer geoefend ditmaal, veel meer. Verlies is onaanvaardbaar. Morwin lachte om zoveel ijver. ‘Het maakt niet uit, Heer. Donkere tijd, lichte tijd – wisseltijd. U wint makkelijk.’ Hij wees naar de hemel, vouwde zijn armen voor zijn smalle borstkas, wreef met zijn handen over zijn armen en blies opzichtig. ‘Brrr … Net zo makkelijk als U vorige keer verloor.’ De onbeschaamdheid! Ik liet hem van de hoogste toren werpen. Zelfs een neef heeft niet het recht met mij te spotten. Ik ben Aikz Bauma, en ik zal onoverwinnelijk zijn. Ik zal tekeer gaan als een vurige woudgeest en mijn broer op de knieën dwingen, telkens weer. In de gloed van mijn heerschappij zal het volk van beide rijken zich koesteren. Nooit meer ijzige kou.
Wij moeten geloven. Ranhilde gelooft in mij. ‘Geef alles! Als jij denkt dat jouw krachten op zijn, denk dan aan mij,’ zei zij toen ik vertrok in de vroege ochtend. Dat zegt zij elke keer. Maar met overtuiging. Zij weet dat ik sterker ben nu het vroeg sombert. En zeker na alle oefengevechten.
Ik moest al op de terugweg zijn. Hangistaz snuift en zwaait het hoofd van links naar rechts. Begrijp jij het ook niet, mijn trouwe metgezel? Mijn maag knort. Het schemert stilaan. Een eenzame vogel vliegt over, speurend naar voedsel. Land, verre vriend, ik heb jou nodig, meer dan jij een prooi behoeft. Mijn broer en ik eten op dagen als deze enkel wat het woud ons brengt. Van onze kastelen nemen wij niets mee, behalve een paard en een zwaard. Dat is de afspraak. De buizerd daalt. Een edel dier, maar het heeft betere tijden gekend. Het raakt de grond en kijkt mij vorsend aan. Blijf zitten nu. Met het heft van mijn zwaard sla ik de vogel de kop in. Jij bent waardig voedsel; jij was klaar voor de dood. Jouw koning eert jou. Rauw vlees en bloed. Ik had het graag bij daglicht zo gehad, broer: twee hompen vlees in de berkencirkel, één klein en één groot, beide schijnslapend na mijn finale aanval. Ik herinner mij precies hoe ik jou de keel oversneed toen rijm laatst het groen witte.
Hoe het ritueel begon, weet niemand precies. Is het altijd zo geweest? Hm, nee. Het moet de vermoeidheid zijn die toeslaat. Het gebrek aan actie. Ik wil strijden! Vaag herinner ik mij dat wij samen opgroeiden. Mijn broer en ik hadden vaak ruzie. En het regende voortdurend. Dat weet ik ook nog. Zoals iedereen leefden wij in een modderpoel. En dat voor een koninklijk geslacht! Een praalpaleis in een bruine glibberpartij. Belachelijk. Je zal maar het Natte Rijk regeren. Toen kwam de Grote Bliksem. Het slot werd vernield. Vaarwel, vader. Rust zacht, moeder. Hulaz en ik gingen elk ons weegs. Dan … Misschien kennen de bomen het antwoord.
Genoeg gedroomd! Hij komt niet meer. Is jou iets overkomen? Heb ik dan gewonnen? Liever niet op deze manier. Ik zou beter wat rusten. Ik merk het morgen wel.
Mijn tuniek kleeft aan mijn lijf. Het jeukt. Waar zijn de frisse nachten gebleven die mij voor de geest staan, de kilte van de vorige duels in de donkere tijd? Is de warmte mij gevolgd op een snel paard? Wees welkom, dank je voor jouw steun. Gaap. Ik moet geslapen hebben. Maar hoelang? Het is nog duister. Wie of wat heeft mij gewekt? Ik hoor geen enkel geluid. En dat in een woud. Ik ga staan en strek mijn rug. Stram. Als dat maar geen nadeel oplevert in het strijdperk. Ik ruik Hangistaz. Mijn hengst was hier ook de vorige keer.
Toen de zon het hoogst en het langst aan de hemel stond, leverden mijn broer en ik een bitter gevecht, met de berken als stille getuigen. Hij hieuw op mij in, ongenadig. Hij plantte mij op de grond en stak mij zonder veel misbaar neer. Ik zie mezelf daar nog liggen. Op dat moment zit ik in mijn lijf, en sta er tegelijk naast. Het is moeilijk te begrijpen. Ik weet dat het niet lang duurt, uren misschien. Dan komt het leven terug. Kramp in mijn armen en benen. Een schrijnende pijn in mijn borst. Ik sta op en ben alleen. Mijn broer viert de overwinning al in zijn rijk van ijsmist en ruige rijp.
In de lichte tijd is alles intenser. Ik kan mij moeilijker concentreren in de strijd dan. Er zit een zekere loomheid in mijn bewegingen. Ik zet mijn aanvallen te traag in. Hulaz doorziet mijn schijnbewegingen makkelijker. Ik hou nochtans van de zwoele lucht, van de hitte die zelfs boven de waterpartijen blijft hangen. Daar leef ik voor. Daar leef ik in. Maar tijdens het duel verlaten mijn krachten mij snel. Vreemd. De kou is meer mijn bondgenoot bij de strijd. Zijn de berken kaal, dan onthoofd ik mijn broer. Zo ook vandaag, of eerder morgen.
Net als ik weer wil gaan liggen, hoor ik het. Een gesis dat aanzwelt tot een gefluister. ‘Jij bent te laat, broertje.’
Ben jij het, Hulaz? Jouw stem klinkt anders nu, als een verre wind.
‘Onherroepelijk te laat.’ Zijn woorden verkillen mij tot op het bot.
Ik haal diep adem. ‘Toon je, broer. Ik wacht al uren op jou. Ook in het donker kunnen wij de strijd beslechten.’
Een ruwe stomp in mijn maag beneemt mij de adem.
‘Oh Aikz, vechten kan ik heus nog. Jou laten lijden. Maar winnen lukt mij niet meer, broertje.’
Hij moet plots achter mij staan, want hij houdt mijn nek in een wurggreep. Hoe vlug ben jij? Kwijl druipt uit mijn mond. Mijn handen tasten in het ijle. Hij klemt zijn arm steeds harder om mij heen. Mijn longen staan op barsten. Ik moet sneller zijn. Wat is dit voor hels gevecht? Ik druk mijn voeten stevig tegen de grond en draai mij. Of dat probeer ik toch. Ik slaag er nauwelijks in mij te bewegen, net genoeg om hem te zien. Zwarte ogen voor de mijne. Een zwart waarvan ik het bestaan niet kende. Zo zwart dat het woud eromheen wel in het daglicht lijkt te baden. Hij laat mij los en ik sla dubbel.
‘Wij kunnen nog de hele nacht strijden, broertje. Val mij aan!’
Hij bukt zich en reikt mij mijn zwaard aan. Ongelofelijk.
Hij heeft blauwe ogen. Staalblauwe ogen. Dat weet ik. Ik probeerde er telkens het leven in te ontdekken als ze star voor zich uitkeken. Als speldenknoppen in een poppenhoofd. Zo lag zijn hoofd op de bevroren grond, op twee passen afstand van zijn lichaam, nadat ik hem had overwonnen.
Maar vannacht kan ik hem niet verslaan. Hij lijkt wel uit alle richtingen tegelijk aan te vallen. Hij is de vurige woudgeest die ik wilde zijn, beter dan ik het ooit kon zijn. Geen vlammen. Nauwelijks zichtbaar. Ongrijpbaar. Hij vecht en vecht en houdt niet op. Een scherpe steek in mijn buik. Bloed. Overal bloed.
‘Dood mij dan!’ schreeuw ik. Ik schrik van mezelf. Dit heb ik nog nooit geroepen. Maar dit spookgevecht is … hopeloos.
Ik verwacht de verlossende steek, maar hoor gesnik. Ik voel zijn armen om mijn vermoeide lijf. Hij heft mij op en zet mij tegen een boom.
Ik knipper met mijn ogen. Het eerste ochtendlicht. Mijn mond zit vol; ik spuug bloed. Wat is het warm. En dat voor zo’n winterse dag. Voor mij drijft een schim. Broer? Ik zit aan de rand van de open plek. De berken aan de overkant lijken verder weg dan toen ik aankwam. Achter mij voel ik de geruststellende vorm van … een eik? Zo vertrouwd. Ranhilde, ik weet dat jij mij al thuis verwachtte. Spelen onze kinderen vandaag rond de grote eik in de kasteeltuin?
‘Ach broertje,’ fluistert Hulaz. Zijn zwarte ogen glimmen. Zie ik tranen? ‘Het is voorbij. Dit was de laatste strijd. Mijn rijk van rijp en hagel is uit, Aikz.’
‘Oh!’ Mijn keel voelt als leer. Jouw arm om mijn nek gisteren. Ik geloof hem niet. ‘Hoe kan …’
‘Jij zou mij verslaan. Ik weet het. Zo is het altijd als het vriest dat het kraakt. Net als ik mij het sterkst voel, verlies ik. Onbegrijpelijk. Maar nu had ik jou niet nodig daarvoor. Het vriest ook niet …’
Hij begint langzaam op te lossen. Waar net nog nevel over de grond hing, zie ik gebroken twijgjes en bruine bladeren. Ik slik moeizaam en kijk in zijn gitzwarte ogen. Waar ga jij heen?
‘Ik ben ziek, broertje. Al een hele tijd. Toen ik laatst van jou won, in de warmte die ik zo verfoei, trok ik blijgemutst naar huis. Niemand stond mij op te wachten. Iedereen was diep in slaap. Boeren langs de weg. Wachters aan de ophaalbrug. Ik rende mijn Hulstkasteel in en vond mijn vrouw met het hoofd op de dis. Ik kreeg haar niet wakker. Voor het eerst in mijn leven huilde ik. Toen mijn tranen op waren, overmande de slaap ook mij.’
‘Waarom …’ Ik wil hem vragen wat dit alles betekent, maar kom niet verder. Mijn borstkas schokt op en neer. Om mij heen breidt de scharlaken plas zich uit. Jij hebt enkel nog ogen. En een gapende mond. Blijf bij mij.
‘Straks sterf jij, broertje, maar voordat de avond valt word jij weer wakker. Dan zal ik hier liggen, roerloos. Voor altijd. Toen ik gisteren na lange tijd wakker werd, voelde ik met elke vezel van mijn lijf dat ik naar jou toe moest. Het was die tijd van het jaar. Maar alles was … was zoals in jouw rijk. Erger nog! De bomen droegen rijpe vruchten. Te rijp. Ik zag het rot al zitten. De zon scheen niet zozeer gul, zij sloeg elke beweging neer. Het werd zo warm dat ik mij halverwege moest uitkleden. Toen ik het bos bereikte, zakte ik zomaar door mijn paard. Het beest had plots zes benen! Het hinnikte nerveus en sloeg op hol. Ik voelde het door mij heen gaan. Daar stond ik dan, een dampende figuur, met een zwaard in de hand. Nu ja, een zwaard dat zweefde in de lucht. En het werd alsmaar heter, heter dan ik ooit meegemaakt heb. Ik zweette uit onzichtbare poriën.’
Ik ga verzitten, hef met moeite mijn arm en probeer hem aan te raken. Zijn ogen zweven nu vlak voor mij. Ik streel waar ik zijn wang vermoed. Nat, zo nat. ‘Hulaz … Verlaat mij niet.’
‘Samen zullen wij sterven. Ik ben moe, broertje. Kijk om je heen. Waar zijn de bomen heen? En de dieren? En waarom is het in mijn Hulstrijk nu even warm als in jouw Eikenrijk, warmer misschien?’
Ik moet mijn broer het antwoord schuldig blijven. Ik hou van de hitte, maar dit is niet wat ik wil. Dan gaat het licht uit.
Als ik ontwaak, zijn mijn kleren droog. Nergens bloedvlekken. In mijn schoot ligt een hulsttak. Voor mij ligt Hulaz. Ontzield. Eindelijk zie ik jou, broer. Jij bent niet veranderd sinds ons laatste gevecht. Jouw stroblonde haren. Jouw spitse neus. En jouw ogen. Staalblauw, ja. Staalblauw en kil. Ik tast naar de eik achter mij en hijs mij op. De open plek is immens groot nu. Ik trek mijn tuniek uit. Het zweet gutst van mij af. De hitte is ondraaglijk. Ik moet iets doen.
‘Luister naar mij, als jullie er nog zijn, dieren van het Strijdbos. Luister, inwoners van het Hulstrijk en onderdanen van het Eikenrijk. Ik ben Aikz Bauma, alleenheerser. Mijn broer is niet meer. Gedenk de dappere krijger en waardige koning die Hulaz Bauma was. Hij wist dat ijs en vuur elkaar moeten afwisselen. Ik wilde meer. Ik heb het gekregen. Wij zullen samen de gevolgen dragen.’
Om mij heen heerst de stilte. Ik klem de hulsttak in mijn hand en stap langzaam de open plek over. Naar huis, als er nog zoiets is.




Opmerkingen