DE MIJNEN VAN KOLTAN – FINN AUDENAERT
- 16 mrt
- 12 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 17 mrt

‘Er is een plaats waar zilver wordt gewonnen, een plaats waar goud wordt gewassen.
Ijzer wordt uit de aarde opgedolven en koper wordt uit erts gesmolten.
De mens verdrijft de duisternis, hij dringt door tot in het binnenste der aarde,
Tot aan de steen van diepst verborgen donkerte.
Hij hakt een schacht, daalt af in de verlatenheid,
Tot waar zijn voet geen steen meer vindt en hij verloren in de leegte hangt.
Op de aarde schiet het koren op, maar diep in haar woelt een vuur.
Daar zijn de stenen van saffier, daar is het stof van gouden korrels.
(...)
Maar de wijsheid, waar moet je haar zoeken, en het inzicht, waar is het te vinden?’
(Job 28)
‘Toen ik de ster naar de duisternis verbande, droeg ik haar op geduldig te wachten.
Haar tijd zou nog wel komen.’
(legende van de Koepelheer, mondeling overgeleverd in Koltan)
Hoelang was hij al aan het graven? Hij was elk besef van tijd kwijt; ook zijn naam ontglipte hem. Slechts één zin weerklonk in zijn hoofd: ‘Na warmte komt heerlijke koude.’ Hij voelde niets en had honger noch dorst. Er was alleen het wanstaltige woelen. De nood om dieper te gaan in de mijn. Dichter te zijn. Dichter bij … het onbekende, de koelte.
Eerst had hij het korund gevonden. Fel oplichtende lagen van rood en blauw hadden het schamele dat restte van zijn zicht weggebrand. Had hij nog wel ogen? Stilzwijgend had hij zich een weg verder naar beneden geklauwd. Zijn pikhouweel? Dat had hij een heel eind terug moeten achterlaten. Hij was er te heftig mee tekeergegaan; de steel was gebroken.
Nauwelijks was hij de robijnen en saffieren gepasseerd of hij stootte op vreemde, veelkantige objecten, niet groter dan een vuist. Ze lagen dicht tegen elkaar aan. Met bloedende vingers betastte hij hun gladde oppervlak. Een na een groef hij de mysterieuze voorwerpen op, tot er een tot ontploffing kwam. De aarde beefde ongenadig.
De grond had hem opgeslokt. Hoe hij ademen kon, wist hij niet. Langs alle zijden drukten de warme, samengepakte aarde en de scherpe hoeken van de vreemde objecten tegen hem aan. Het zweet gutste in zijn gedoofde ogen en vormde vuile poelen onder zijn wimpers. Zijn zweet en tranen trokken smalle sporen in het aangekoekte vuil op zijn gezicht. Hij opende instinctief zijn mond. De aarde kwam in hem en vulde zijn keel tot diep achterin. Hij viel in een halfslaap.
Zijn lichaam schrijnde bij het ontwaken; gruis schuurde zijn gapende wonden. Hij slikte wat aarde weg. Had hij zich tijdens zijn sluimering een weg in de diepte gevreten? Vanuit zijn borst verspreidde zich een gloed over zijn lijf. Toen de warmte zijn naar onderen gestrekte armen bereikte, werd hij zich van een leegte bewust. Een spelonk! Beetje bij beetje wrikte hij zich los en viel reddeloos het gat in. Hij kwam met een klap neer.
Opstaan lukte niet, daarvoor was de ruimte te laag. Het duizelde hem. Met hompen vlees die onmogelijk voor handen konden doorgaan, veegde hij het bloed, zweet en vuil van zijn gelaat. De vingerstompjes die zijn huid betastten, brachten hem bij zinnen. Hij had zijn bestemming bijna bereikt, hij was er zeker van. De verwachting die hem overviel was zo intens dat zijn maag en longen samenkrompen. Hij boog voorover op de zanderige bodem. In een langgerekte geut kotste hij aarde, steentjes en plantenwortels uit, tot een groot deel van de ruimte waarin hij zich bevond alweer gevuld was. Gruizig snot liep uit zijn neus.
Hij kroop op zijn knieën voort. Voor het eerst rilde hij; er stond tocht. ‘Na warmte komt heerlijke koude.’ Daarheen moest hij! Er vormde zich een nevel van waterdamp, die druppels op zijn lichaam achterliet. Hoe verder hij kroop, des te meer hij zijn rug rechtte. Uiteindelijk kon hij helemaal rechtop staan. Rijp verspreidde zich langzaam over zijn gezicht.
Het vroor nu hard. Zijn diepe oogkassen vulden zich met fonkelende kristallen. De witte laag bedekte zijn blauwige lippen en verspreidde zich tot diep in zijn nek. Ze omgaf vervolgens zijn hele romp. Begerig reikte hij met zijn armen naar de bron van de koelte. Ijspegels groeiden aan de stompjes op zijn handen. Met deze breekbare vingers omvatte hij voorzichtig de ijskoude bol die voor hem zweefde en voelde de dood als een oude vriend over hem komen. Zijn rijpmasker scheurde krakend open en toonde een vredige glimlach.
Ver boven dit bevroren standbeeld, op de mijnvlakte vlak bij de fiere stad Koltan, zwol een geluid aan. Eerst vulde het de kale vlakte. Dan klom het de omliggende bergen op. Het lawaai werd zo oorverdovend dat het tot de hemel reikte, waar de wolken zich geschrokken wegspoedden.
Te midden van het geraas stonden vier overdadig geklede mannen over een diepe schacht gebogen. Het waren de mijnheren van Koltan: Wais, Hapho, Gerban en Dromseh. Zij bezaten alle mijnen in de wijde omtrek. Door de jaren heen had wat in de bodem zat hun onmetelijke rijkdom gebracht. Ze droegen dure cotehardieën in rood en zwart, verfraaid met kunstige patronen van draken en feniksen, geborduurd in goudstiksel. Rond hun dikke buiken hingen gordels waarin fel schitterende topazen, smaragden en toermalijnen verwerkt zaten. Protserige tiara’s met daarin maanstenen en jade sierden hun hoofden. Zelfs de zolen van hun schoenen bestonden uit precieuze mineralen. Het rumoer dat de vallei vulde, vond zijn oorsprong bij deze welgestelde heren. Hun vreugdekreten schalden de schacht in, werden er versterkt en weerkaatst, tot ze als krachtige vriesdamp ten hemel stegen.
‘De Woeler heeft zijn taak volbracht,’ zei Wais, de grootste van het kwartet. Hij liet zich met de titel Heer des Overvloeds aanspreken. ‘Straks komt de bol naar ons toe. Ik wist dat mijn plan zou slagen.’
De overige mijnheren knikten. Ze zorgden er daarbij voor dat hun kostbare tiara’s mooi op hun plaats bleven zitten.
Wais grijnsde tevreden zijn tanden bloot. Eindelijk was zijn moment gekomen. Of het moment van hen allemaal – zo moest hij het voorlopig laten uitschijnen. Hij zou zich later wel van zijn medestanders ontdoen, als ze van geen nut meer waren. ‘We zijn al zo rijk als de Wismarer Wereldzee diep is. Eén ding bezitten we nog niet: de medemens.’ Hij snoof. ‘De sultan is veel te slap. Hoe kan zo’n zwakkeling de plaatsvervanger van de Koepelheer op aarde zijn?’ Hij spuwde in de mijnschacht. ‘Wij zullen met hardere hand over het volk regeren.’ En dat kon enkel met de bol, wist Wais. Een leger hadden ze niet. Ze konden er weliswaar één kopen, maar de mensen zouden ertegen in opstand komen. Liever lieten de Koltaners zich afslachten dan hun vrijheid op te offeren. Belachelijk! De Heer des Overvloeds wist toch wat goed was voor het volk? Bovendien had hij ambitieuzere plannen. De wereld was groter dan enkel Koltan …
‘Waarom zijn we hier samen?’ vroeg hij de anderen.
Als op bevel hieven de vier over de schacht heen hun rechterarm naar elkaar op en spraken om beurten:
‘Macht …’ zei Hapho.
‘... is …’ klonk het bij Gerban.
‘... het …’ vervolgde Dromseh.
‘... hoogste,’ besloot Wais.
Hun woorden klonken als zoevende pijlen. Even was het stil.
‘Weg met de sultan!’ riep Wais. Zijn schreeuw droeg ver over de vlakte. De vier lieten hun arm zakken. Wais ging verder, beheerst nu: ‘Onze ondode heeft rust gevonden. Laat niemand zeggen dat wij harteloos zijn.’ Hij lachte om zijn eigen grap; de anderen kakelden mee. Het was de kille lach van mannen die geen genade kennen.
Wais dacht terug aan de moeite die ze zich getroost hadden om een Woeler te vinden. In een ondergrondse balsemkamer van het paleis van de sultan hadden de mijnheren na lang zoeken een geschikt lijk gekozen, eentje met een ziel zo bezwaard dat ze nog niet klaar was om naar het dodenrijk te vertrekken. Op Wais’ bevel hadden ze de ondode heimelijk uit de stad gevoerd en naar de mijnvlakte gebracht. Met mystieke bezweringen en pas geknipt kwariekruid hadden ze zijn ziel naar hun wil gebogen en zijn lichaam tot leven gewekt. Naar beneden moest hij. Daar zou hij al woelend zijn lotsbestemming vinden: ‘Na warmte komt heerlijke koude.’
Hapho liep langs de schacht naar Wais toe. Hij drukte hem opzichtig de hand, wees in de diepte en sprak: ‘Inderdaad, Heer des Overvloeds, de Woeler heeft ons niet teleurgesteld. Moge zijn inktzwarte ziel in vrede rusten.’ Hij opende met een weids gebaar zijn armen. ‘De tijd van oogsten is aangebroken. Laat de sultan voor ons sidderen.’
Aan de overkant klopten Gerban en Dromseh elkaar op de schouder. ‘Binnenkort zullen de mijnheren over iedereen heersen,’ zeiden ze in koor. Hun stemmen klonken rauw.
De bol … Wais keek de anderen een voor een aan. Zijn groene ogen glansden merkwaardig. ‘Ik kan nauwelijks wachten tot we de bol zien. Ik geef het toe, in de voorbije jaren kon ik aan niets anders denken. Hoeveel duistere achterafkamers hebben we niet opengebroken, hoeveel stoffige geschriften hebben we niet gelezen op zoek naar een aanwijzing over de ligging van het ultieme wapen?’
Hij wees naar hun gerimpelde hoofden. ‘De tijd is niet blijven stilstaan.’
Dromseh trok een toefje haar los en rolde het tussen zijn vingers. ‘We zijn intussen grijs als wolven, Wais, maar … nog steeds gevaarlijk.’
Inderdaad, Wais wist maar al te goed dat hij op zijn tellen moest passen. Niet dat Dromseh de uitspraak zo bedoeld had, natuurlijk. Hij kon zich niet voorstellen dat Dromseh, nu niet bepaald de slimste, iets vermoedde. Wais grinnikte. ‘Gevaarlijk zijn we zeker,’ beaamde hij. ‘Dit hebben we niet meer nodig, geloof ik.’ Hij haalde een kaart uit zijn cotehardie en wapperde ermee. ‘Vangen!’ Hij wierp Gerban over de put heen de kaart toe.
Gerban, de zwaarste van de vier, graaide onhandig het perkament uit de lucht. ‘Geen bewijzen.’ Hij probeerde de kaart in stukken te scheuren. Hoewel het perkament dun was, slaagde hij er niet in. ‘Verduiveld! Dan maar zo de dieperik in.’ Hij gooide de kaart in de mijnschacht. Er was geen zuchtje wind. Toch dwarrelde de kaart langzaam, als een herfstblad bij lichte tocht, de schacht in.
Wais keek bedachtzaam toe en streek over zijn kin. Bizar. Met die machtige bol konden ze zich echter aan alles verwachten. Toen ze onder de gebarsten tegels van de grafkamer van Nur Al Fatah, acht meter diep in gewijde grond, de eeuwenoude kaart hadden gevonden, was die na al die tijd verbazend nieuw. Er viel geen vlekje te bespeuren. De grafkamer was nochtans gedeeltelijk ingestort onder hun aanhoudende gebeuk. Overal lag stof, behalve op de kaart. Wais zette zich schrap voor wat komen zou. Waar bleef de bol?
Alsof de bol de vraag had gehoord, steeg hij zoemend uit de schacht op. Hij bleef ongeveer twee meter boven de put zweven, zoefde nu eens naar links, dan weer naar rechts. Niemand sprak. De mijnheren hadden niet geweten hoe de bol eruitzag. Op de kaart had geen afbeelding van de bol gestaan. Wais had de sfeer veel groter verwacht. Ach, wat maakte de grootte ook uit? Het ging om wat in de bol zat.
Spraken de legenden niet over de almacht van een hemellichaam dat de meest verdorven wensen kon vervullen? Deze boosaardige ster bleek zo gevaarlijk dat de Koepelheer, beschermer van de Koltaners, haar begon te vrezen. Na een hevige strijd hoog aan de hemel dwong Hij de ster in een bol en verbande haar naar het onderaardse. Het gevecht was zo zwaar geweest dat de Koepelheer eeuwen rust had genomen. Welk een kracht moest in die kleine bol besloten liggen!
De bol hield stil voor Wais. Nu pas merkte hij dat er ijspegels aan hingen. Als vermanende vingers wezen ze naar Wais. Even hield de Heer des Overvloeds zijn adem in, toen vermande hij zich. Hij sprak de bol gebiedend toe.
‘Luister naar je nieuwe bevelhebbers, zwevend wonder. De Koepelheer heeft je een groot onrecht aangedaan door je te bevechten en op te sluiten. Wij brachten je naar boven. Grijp je kans! Breek uit je onwaardige schil en ga waarheen je wil in Koltan. Oefen je verwoestende kracht uit op al wie je tegenkomt. Vervul hun meest verborgen verlangens en maak hen tot je aanbidders.’
De bol bewoog nog steeds niet. De ijspegels smolten langzaam. Vocht druppelde de schacht in.
‘Er is één voorwaarde. Terwijl het volk tempels voor je bouwt en je welwillendheid en wijsheid prijst, zullen wij de stad leiden en haar opnieuw de luisterrijke roem bezorgen die ze had voordat de weke sultan de boel liet betijen.’
De bol zoemde niet langer. Hij leek aandachtig te luisteren. Aangemoedigd door de stilte ging Wais verder, véél verder. ‘Ons verheven rijk mag zich niet beperken tot de stadswallen. Koltan moet haar praal en potentie over het hele continent verspreiden. Van de Wismarer Wereldzee tot de Hezgische Oceaan zullen wij uiteindelijk heersen.’
De andere mijnheren leken wel versteend. Met wijd opengesperde ogen keken ze toe. Wais knikte hen sussend toe. Ze zouden wel meestappen in zijn plannen, en indien niet … De bol luisterde naar hém. Niet voor niets had hij meteen het woord genomen.
‘Ster, maak de Koltaners na het vervullen van hun wensen zo gehard dat ze de wreedste taken zullen uitvoeren. Maak hen zo onbevreesd dat ze tegen elke vreemde macht, hoe sterk ook, willen vechten. Ga je akkoord?’
De bol begon hevig te gloeien. Hij bulderde in een uitgestorven taal die Wais niet kende, maar wonderwel begreep. ‘Gij nietige schepsels die mij uwen droevigen Woeler zond … Gij beheerscht al de kunst om de doden tot leven te wekken. Nu wilt gij ook de levenden tot uwe slaafsche volgers maken. Ha, gij hebt grootsche ambities voor uwen korten levensduur! Begrijpt gij dan niet dat ik de eeuwigheid ben?’
Het licht dat de bol verspreidde werd zo sterk dat het de mijnheren verblindde. Ze hielden een arm voor hun ogen. Hapho’s mond was een strakke streep op zijn bleke gelaat. De anderen zagen er niet veel beter uit, vond Wais. Hij voelde hoe zijn lichaam verkilde. Dit klonk niet goed.
‘De Koepelheer lokte mij ooit het ondergrondsche in. Veel strijd kwam daar niet bij kijken. Hij maakte een belofte. ‘Uw tijd komt nog,’ vertelde Hij me. ‘Wacht tot gij gehaald wordt en dan zult gij zien. Ik zal u geen strobreed in de weg leggen.’ Dus verbeidde ik de tijd, belust op alleenheerschappij. Nu en dan kwam de Koepelheer tot mij en vertelde mij wat in Koltan gebeurde. Denkt gij nu echt dat ik niet op eigen kracht door de vele mineralen en ploftuigen, en zo ik wil, door mijn eigen schil heen kan breken? Aanschouwt met wie gij te maken hebt.’ De bol daalde pijlsnel de schacht in, liet er een onheilspellend geraas horen en kwam even snel terug. De schacht stortte onder hem in.
Toen de stofwolken gingen liggen, zag Wais hoe Hapho, Gerban en Dromseh stonden te schudden en te beven. Hij maande zichzelf tot kalmte en sprak met onvaste stem tot de bol: ‘Maar waarom bleef je zo lang beneden? De legenden zeggen dat je wilde bevrijd worden en je bevrijders macht zou schenken.’ Nu hij erover nadacht, dat van die beloning had hij er misschien zelf bij verzonnen.
De bol ging vlak voor Wais’ ogen hangen. ‘Gij zijt onder het bewind van den brozen sultan opgegroeid. Gij denkt pure macht te verstaan, maar gij dwaalt. Net zozeer als de Koepelheer mij de diepte in lokte, verleidde hij de zwaksten onder de uwen om naar mij op zoek te gaan, Heer des Overvloeds.’ Die laatste woorden sprak de bol op een spottende toon uit.
Tik. Meer was het niet, een tikje. De bol raakte Wais’ voorhoofd. Meteen viel hij op zijn knieën. De gesp van zijn zware gordel klikte open; de band met kostbare edelstenen plofte in het stof. Nee, dit ging helemaal niet goed. Wais voelde een hoofdpijn opkomen die onevenredig sterk was vergeleken met de lichte tik. Hij wenste dat de bol zweeg. Misschien konden ze de macht grijpen zonder de bol.
‘Uitwegen zoeken is zinloos!’ onderbrak de bol zijn gedachten. ‘Eeuwenlang gehoorzaamden de Koltaners den Koepelheer, ondanks lange periodes van onheil. De trotsche heerscher bleef echter twijfelen aan de toewijding van Zijn volk. Na lang beraad schonk Hij hun een wereld van overdaad en vrede, om te zien wat er zou gebeuren. Aan het hoofd zette Hij een goedmenenden en zachten plaatschvervanger. Wel, leeft gij dan niet in overdaad?’
De bol zweefde naar Dromseh en tikte hem aan. De dikkerd viel achterover. Zijn tiara rolde rinkelend over de grond.
‘En jawel, bevrijd van aardsche zorgen kwaamt gij uiteindelijk in de verleiding! De meest vermetelen onder u, gij vieren, voelden zich klaar om de bescherming van den Koepelheer te bespotten, den sultan te verstoten en zelf aan het roer te komen. Hij hierboven trekt zich beledigd terug en geeft mij vrij spel.’
De bol zweeg. Een dreigende stilte was het, luider dan de gezwollen taal die de bol bezigde. Wais hoorde Gerban kreunen. De bol zweefde naar hem toe en tikte hem aan. In tegenstelling tot de anderen ging Gerban niet tegen de grond. Hij rukte zijn cotehardie aan flarden en zette het op een huilen. Wais keek ondanks zijn weerzin gebiologeerd toe.
‘Gij denkt met mijn hulp van iedereen Woelers te maken, hen in een leger van ondoden te veranderen?’ hernam de bol. ‘Weet gij dan niet dat dit het voorrecht is van degene die gij hebt bevrijd? Ik ben het Kwade, dat gij weer hebt losgelaten op de menschen. Voor mij zijt gij allemaal gelijk, rijk of arm, machtig of onbetekenend. Samen met uwen sultan zult gij kruipen voor mij. Ik ben des Heeren Wraak. Ditmaal vervul ik alleen mijn eigen wenschen.’
Uit de bol schoten felle schichten naar de mijnheren. De schil brak open en de ster die erin besloten lag, dijde boven de vlakte uit.
Het laatste wat Wais dacht, was: ‘Ik had het bij mijn Overvloed moeten houden.’ Toen verloor hij elke vorm van rede, beet zijn tong af en kauwde op de bloederige resten ervan. Hapho trok zich tierend de oren van het hoofd. Bloed gutste langs zijn baard en mengde zich roodbruin met het zand. Dromseh haalde een dolk vanonder zijn rijkelijk versierde gordel en ontweide zichzelf. Zijn darmen kronkelden als wormen door het stof. Gerban schopte zijn schoenen weg, stopte een voet in zijn mond en begon zijn tenen af te knagen.
Toen de vier hun ellendige karwei hadden volbracht, zweefde de ster niet meer boven de mijnvlakte. De kwaadaardige afgod had koers gezet richting de stad. De hemel boven de verminkte mijnheren werd gitzwart. Een strakke wind stak op. Gerban spuwde zijn tenen uit en zei met schorre stem: ‘Koltan, wat hebben wij gedaan? Koepelheer, waar ben je?’
Wais keek hem onbegrijpend aan. Uit de stad steeg een onheilspellend gerommel op.
voor Bart




Opmerkingen