top of page
logo Lowlands Fiction

DE KOKENDE ZEE VAN VOLDERBAYN DRUIN - JAAP BOEKESTEIN

  • 19 mrt
  • 10 minuten om te lezen

In gedachten verzonken bekeek aartsmagiër Volderbayn Druin de globe van de Aarde. Volgens de oudste en hoogst discutabele, geschiedschrijvingen had de planeet ooit meerdere continenten gekend, misschien wel vier of zelfs vijf. Nu was er enkel nog Xibhaal: één massieve landmassa dat meer dan een derde van de planeet bedekte. De leegte van de omringende Wereldzee werd slechts hier en daar onderbroken door parelkettingen van afgelegen eilanden.

 ‘Het spijt me dat ik niet beschikte over het bedieningstablet van je portaal,’ sprak sterrenreizigster, avonturierster en geneugtenconnaisseur Demila Sadante vanuit het pluisdonsbed van Volderbayn Druin. Ze rekte haar inbleke lichaam uit. ‘Een lucratieve handel was de plezierige bekroning geweest op een aangenaam samenzijn.’

 Demila Sadante was een zilverharige schoonheid met doffe rode ogen in een plezierig bollend gezicht. Terzijde van haar mond staken twee gifscharen die vandaag een lichtblauw waren gelakt. De voorouders van Demila Sadante waren een mensenras die volgens eigen zeggen enkele honderdduizend jaren geleden naar het hart van de Melkweg waren geëmigreerd. Nu waren ze zwervers, handelaren, plunderaars, piraten, artiesten en kunstenaars.

 De aartsmagiër Volderbayn Druin, blauw van ogen, rood van haar, mager van leden en met een spitse neus en kin, gaf de globe een speelse zwiep.

 ‘We kunnen ons samenzijn op een andere manier bekronen,’ stelde hij met een grijns voor. ‘Je sterrenschip vertrekt pas over enige uren. Je bent bekend met De Haastige Geneugten van de Rode Fluisterschool?’

 Demila Sadante grijnsde eveneens. ‘Ik kan dat niet beweren, maar ik ben een snelle leerling. En haast heeft soms zijn eigen charme.’

 Weldra waren de plannen om een binnenzee te creëren in de dorre binnenlanden van Xibhaal vergeten. Het was een project waar Volderbayn Druin al een tiental eeuwen mee bezig was en wellicht zou het nog eeuwen duren voordat hij het onderdeel van het stokoude magietech artefact had gevonden.

Het was een luttele tweeëndertig jaar later, in de gelaagde stad Derrendam, in het Wonderbaarlijke Emporium van Luchosch Lae, dat Volderbayn Druin vond waar hij al zo lang naar op zoek was.

 Het achtkantige tablet was geslepen uit een rode robijn en zou precies passen in de uitsparing van het portaal. De twinkelende lichtjes diep in het binnenste gaven aan dat het actief was. Het was onmiskenbaar magietech: technologie te geavanceerd om te begrijpen, maar niettemin tastbaar en niet gebonden aan het verbruik van mana.

 ‘Dit tablet, wat is de functie en de herkomst?’ informeerde de aartsmagiër bij de uitbater. Onverschilligheid veinzen was nutteloos. Ten eerste was Luchosch Lae een ervaren handelaar die precies de waarde van zijn goederen kende. Ten tweede was het mannetje behept met psychische krachten die hem tot op zekere hoogte in staat stelde de gevoelens van de lieden om hem heen te lezen. Een vermogen dat hem een uiterst succesvol zakenman maakte.

 De kleine, sprietdunne man met een hoofd niet breder dan Volderbayn Druins arm, boog driemaal, een ongeneesbare zenuwtik. ‘Ah, u treft het! Dat stuk is gisteren binnengekomen en ik heb nog geen tijd gehad het kenbaar te maken onder mijn uitverkoren clientèle. De functie is een mysterie, oh waarde magister. Ik heb het artefact verkregen van bepaalde waterlieden die het vonden in een wrak van een sterrenschip, ergens diep in de Wereldzee. Volgens hun zeggen lag het wrak er al langer dan zij zich konden heugen, maar enkel recent gaven de schermschilden de geest en waren de waterlieden in staat het wrak te betreden. Als u interesse heeft, het is zeven gros rode schijven.’

 ‘Zeven gros! Beste Luchosch, ik ben een aartsmagiër, niet de satraap van Oud-Froka! Dat is meer dan mijn landerijen en mijnen in een eeuw opbrengen.’

 ‘Niettemin is dat mijn vraagprijs, waarde klant. Dit is een uniek stuk magietech. Ik verwacht zeker interesse onder andere grootmagisters. Zurlone Cacacash bijvoorbeeld, of Dryeo Qyt, of Karmozijn An’ju.’

 Volderbayn Druin siste. Luchosch Lae had net zijn drie grootste mededingers opgenoemd en het mannetje wist dat. Een feilloze strategie. Als één van de andere aartsmagiërs het tablet in handen kreeg, dan zouden zij er nimmer van willen scheiden. Hij zuchtte, hij had een vermoeden waar dit op uit ging draaien.

 ‘In plaats van betaling in schijven, rood, geel, groen of blauw, is wellicht een ruil een optie?’

 Luchosch Lae boog driemaal. ‘U bent nog steeds in het bezit van Tabernakel van Gestolde Tijd?’

 Het was een artefact dat Volderbayn Druin ooit had opgegraven in het hart van de eerste planeet, Venus. Het was een manshoge spiegelkubus die volgens de beste theorieën een bevroren universum-embryo bevatte. Geen enkele vorm van technologie, magie, of magietech was in staat in het tabernakel door te dringen. Het artefact was het topstuk van Volderbayn Druins verzameling.

 ‘Ik… De prijs is niet in evenwicht, waarde Luchosch. Als ik het Tabernakel van Gestolde Tijd opgeef, verwacht ik de namen en herkomst van de lieden waarvan je het hebt gekocht, en alle andere details die je verder weet.’

 Nu tuitte het mannetje zijn mondje. ‘Ik geef nooit de bronnen van mijn handelswaar prijs.’

 ‘Nooit is een begrip dat geen betekentis heeft, volgens de School van Subjectief Dogma. Het Tabernakel van Gestolde Tijd daarentegen is tastbaar en waardevol. Je zal een keuze moeten maken tussen het materiële en immateriële.’

 De handelaar boog driemaal en stak beide handen uit ten teken dat hij Volderbayn Druins aanbod accepteerde.

 Toen de aartsmagiër zijn beide handen tegen die van Luchosch Lae had gedrukt, sprak de dunne, kleine man: ‘Ik kocht het tablet van de watermannen Droô en Strâ, broers van de Sterke Wier stam, die rondzwerft op het Plateau van Verzonken Steden. Dat is alles wat ik weet.’

 ‘Goed. Morgen keer ik terug met het Tabernakel van Gestolde Tijd. Ik verwacht dan het tablet. En tot die tijd absolute discretie.’

 Wederom boog Luchosch Lae driemaal. ‘Vanzelfsprekend.’

Zijn schatkamer was armetierig leeg zonder het Tabernakel van Gestolde Tijd, vond Volderbayn Druin. Het was een gemis waaraan hij nog moest wennen.

 Was dit het waard? vroeg hij zich af. Wat als het tablet niet werkt? Dan zal ik worden gebrandmerkt als een dwaas. Iedere magiër weer inmiddels dat ik het Tabernakel van Gestolde Tijd heb afgestaan. Dat kweekt verwachtingen. Als ik geen spectaculaire resultaten behaal zal er gefluisterd worden over falen en dwaasheid.

 De roodharige magiër schudde zijn hoofd. Zoiets was absoluut ondenkbaar. Hij was Volderbayn Druin! Zijn kennis en vaardigheden waren ongeëvenaard! Falen was geen optie!

 Maar was als het niet werkt? vroeg een twijfelend stemmetje. Wat áls?

 Er was maar één manier om die vraag te beantwoorden. Zonder verder dralen stak Volderbayn Druin het portaal in de uitsparing van de gigantische metalen boog die hij een paar duizend jaar geleden had ontdekt diep onder het schroeiende zand in het hart van de Grote Leegte: een blakerende woestijn die meer dan driekwart van Aardes enige continent bedekte.

 Een lang, bloedstollend moment gebeurde er niets.

 Toen flakkerden energiestromen langs de hele ring. Met gesis verscheen er een naad langs de hele omtrek van het portaal. Meer gesis en de ene ring splitste zich in twee ringen die door onbekende, afstotende krachten uit elkaar dreven. Beide ringen hadden aan één kant een perfect zwart oppervlak dat licht leek op te zuigen. De andere kant van elke ring bood een duidelijke doorgang waar in beide gevallen Volderbayn Druins schatkamer zichtbaar was.

 Opluchting en pure vreugde laaiden in zijn ziel op, maar wellicht voortijdig. Van enige afstand, beschermd door een occult schild, wierp Volderbayn Druin een glazen knikker door één van de ringen.

 De knikker verdween en verscheen direct uit de doorgang van de andere ring.

 Een woeste vreugdekreet ontsnapte nu aan de lippen van de aartsmagiër. Het was gelukt! Verder experimenten waren natuurlijk nog noodzakelijk, maar het portaal werkte!

 Mijn plan gaat slagen. Het binnenland van Xibhaal zal eindelijk weer levensvatbaar worden.

 Hij grijnsde. Zijn reputatie onder zijn gelijken was veiliggesteld. Het was nu louter nog een kwestie van zijn plannen uitvoeren.

De nauwe kloof aan de voet van de naamloze bergketen was zorgvuldig door Volderbayn Druin geselecteerd.

 Ondanks dat het een uur voor dageraad was en de zon deze diepte nooit bestreek, was een koelbol nog steeds noodzakelijk. Zonder de magische bescherming zou zelfs een gaunt binnen het uur bezwijken aan de hitte. De kloof moest ooit zijn uitgeslepen zijn door water, maar elk spoortje van vocht was al vele honderdduizenden jaren geleden uit deze contreien verdwenen. Het binnenland van Xibhaal was overdag even heet als een bakkersoven en leven ontbrak er geheel.

 Met behulp van zijn zweefvlot plaatste de aartsmagiër één ring hoog in de rotswand. Een zwerm zweefgolems plaatsten op strategische plaatsen klauwarmen en Volderbayn Druin activeerde die met de juiste spreuk. De klauwen grepen de ring onwrikbaar vast terwijl de armen tot op grote diepte in een steeds fijner netwerk zich in de rots verankerden.

 Tevreden bekeek Volderbayn Druin het resultaat van zijn werk. Het ene deel van het portaal was nu voorgoed verankerd. Of hopelijk tot ooit Xibhaal weer in stukken zou breken, wellicht over een honderd miljoen jaar, of meer. Hij legde een tijdelijk scherm over het portaal in de rotswand. Niet zo zeer om wezens te weren – er was geen enkele vorm van leven in de bespeurbare omgeving – maar om de naderende hitte van de dag tegen te houden.

Het diepste deel van de Wereldzee was een trog, niet ver ten oosten van de kust van de Vulkaankust.

 Ondanks de onrustige bodem en actieve vuurbergen lagen er diverse welvarende staten die elkaar in immer wisselende bondgenootschappen beconcurreerden.

 Volderbayn Druin aarzelde niet toen hij boven de trog was gearriveerd. Volgens zijn berekeningen zou de zuigende werking van het portaal geen merkbare invloed hebben op de wateren erboven, maar zelfs als dat het geval zou zijn dan was dat een prijs die betaald moest worden. De zee rond de Vulkaankust was al onrustig genoeg, een extra factor zou daar niet veel verschil in maken. En dit ging om het tot leven wekken van een flink deel van Aarde!

 De aartsmagiër liet zonder omhaal de tweede ring in het diepste deel van de trog afzinken.

 Door middel van het ver-oog dat hij in de kloof had achtergelaten, zag hij het spuitende zeewater door het tijdelijke scherm heen barsten en de kloof vullen. Daar waar schuim de gloeiende rots raakte, steeg stoom omhoog.

 Hij glimlachte. De Binnenzee was geboren. De kloof liep uit in een stenen vlakte waar het koele zeewater zich overheen zou verspreiden. Uiteindelijk zou er een evenwicht ontstaan tussen toevoer en verdamping. Daarna zou het zeker nog jaren duren voordat regens het dorre land zouden bevruchten. Planten, dieren en andere vormen van leven zouden een plekje kunnen vinden in het binnenland. Het zou plezierig zijn om het proces gade te slaan.

Het was een kleine duizend jaar later toen Volderbayn Druin in een havenkroeg in Zhendalra zat toen hij een gesprek tussen twee jonglieden overhoorde.

 Alle luiken stonden open en de wind van de Kokende Zee voerde een ruik melange aan geuren mee die hoorden bij een drukke handelsstad.

 ‘Cyrilia,’ sprak de bruinoranje jongeman, half bevelend, half smekend. Hij droeg de mantel en korte broek van de School van Fundamentele Waarheden. Een student zevende graad, verried de bronzen banaan op de baret die schuin op zijn zongele krullen hing. ‘Het is echt onzin dat de god Pillantios de Vreugdenaar verantwoordelijk is voor het ontstaan van de Kokende Zee. Goden zijn van nature retro-actief. Hun daden worden pas werkelijkheid zodra genoeg gelovigen de daad aan de god toekent. Nee, de Kokende Zee is door natuurlijk of onnatuurlijke krachten geschapen. Ik heb mij tot doel gesteld dat geheim te ontrafelen en door te stoten naar de Achtste Graad van Fundamenteel Realisme.’ Hij knipte daadkrachtig zijn vingers.

 De aangesproken Cyrilia speelde met haar oliezwarte vlechten en veinsde onverschilligheid. Eén van haar voorouders behoorde duidelijk tot de Nequm nomaden die in de woestijn buiten de jungles rond de Kokende Zee zwierven: een hoog voorhoofd, smeulende donkerbruine ogen en een dunne haviksneus. Haar glansgroene huid en fijne bouw was waarschijnlijk afkomstig van een dryade. Het resultaat was beslist spectaculair. Zij droeg de fleurige gewaden die duidden op de kaste der patriciërs en de uitgeholde smaragd aan het platina kettinkje gaf dat zij een volgeling was van de god Pillantios de Vreugdenaar. Cyrilia tuitte koket haar lippen. ‘En hoe dacht je dat te doen, Gjeluus?’ Ze keek hem aan en knipperde met haar ogen.

 Vanachter zijn roemer dadelwijn volgde Volderbayn Druin gefascineerd het gesprek. Zijn prestaties waren welbekend onder zijn gelijken, maar hij vergat wel eens dat het in de wereld van de stervelingen niet zo zeer het geval was. Lieden die gewoonlijk minder dan een eeuw leefden, misten het zicht op het grotere plaatje. En feiten veranderden binnen een paar generaties in mythen en legenden. De aartsmagiër bedwong de impuls naar het tweetal toe stappen en de feiten recht te zetten. Het verhaal dat zich uitspon was tegelijkertijd voorspelbaar maar ook aandoenlijk. Ah, om zonder weten begeerd te worden, om ambities te hebben zonder te weten waar die heen zouden leiden!

 Onbewust rechtte ondertussen de jonge Gjeluus zijn schouder en hij hief zijn hand. ‘Om te beginnen wil ik de archieven van de oudste nederzettingen rond de Kolkende Zee raadplegen. En mocht dat niet genoeg zijn, dan zal ik afreizen naar de Pilarenbibliotheek van de labyrinttempel Ousoradus. Een reis en een bezoek die niet zonder gevaren zijn, maar in de queeste naar de rauwe waarheid moeten die worden getrotseerd.’

 Cyrilia liet haar gemanicuurde vingers glijden over de bandelier met werpsterren. Onder de patriciërs van Zhendalra waren die wapens louter ceremonieel, maar Volderbayn Druin las er een broeiende zucht naar avontuur in en het verlangen te ontsnappen aan het starre, gereguleerde leven van een patriciërsdochter.

 Zij sprak: ‘Daarvoor zijn fondsen nodig, Gjeluus. En zelfs ik kan je daarmee niet helpen. Mijn vader is bekrompen en schraapzuchtig. De waarheid, fundamenteel of spiritueel, interesseert het niet. Zijn enige doel is het vergroten van zijn kapitaal. Hij ziet in mij niets meer dan een prijskoe die gebruikt zal worden om zich te verbinden met de ene of gene familie.’

 De jongeman pakte haar hand vast. ‘Oh Cyrilia, ik zou dat niet kunnen verdragen! Als ik genoeg geld had om de reis te ondernemen, zou ik je schaken! Samen zouden we reizen naar verre landen, door de Grote Leegte naar de kusten van de Wereldzee!’

 ‘Oh Gjeluus!’ verzuchtte zij.

 Een opwelling, een ingeving. Wie was hij, Volderbayn Druin, om zulk pril geluk in de weg te staan? Hij stond op, liep op het tweetal jonglieden af en boog zwierig. ‘Pardon, beste lieden. Mijn naam is… Lev Decru, welvarend sponsor van buitenissige ondernemingen. Ik hoorde toevallig jullie woorden en het achterhalen van de herkomst van de Kolkende Zee raakt een snaar in mijn hart. Ik ben bereid jullie queeste te financieren, op voorwaarde dat ik jullie vergezel.’

 De student zevende graad van de School van Fundamentele Waarheden knipperde verbaasd met zijn ogen, verrast en daarna in lichte mate achterdochtig. Hij greep Cyrilia’s hand iets meer vast.

 De patriciërsdochter daarentegen glimlachte verwelkomend naar de magere vreemdeling. Met haar vrije hand maakte ze een uitnodigend gebaar. ‘Neem plaats, Lev Decru. Laten we je voorstel bespreken.’

 Aartsmagiër Volderbayn Druin nam plaats aan de tafel van de jonglieden.

 

Opmerkingen


bottom of page