top of page
Vraag & antwoord
Hier vind je een vaste reeks van tien vragen die we regelmatig aan een andere schrijver stellen. Heldere vragen over schrijven, keuzes en twijfel.
Met deze vragen leer je de schrijver echt kennen: wat hem of haar drijft, waar de motivatie vandaan komt en hoe het werk tot stand komt.
De opzet is simpel: steeds dezelfde vragen, steeds andere antwoorden. Zo ontstaat er een eerlijk en direct beeld van de mens achter de tekst.
Klik op de foto van de auteur en lees het verhaal!

01-06-2026 | Johan Klein Haneveld

21-04-2026 | Finn Audenaert


01-06-2026 | Johan Klein Haneveld
1 Wanneer besloot je serieus werk te maken van schrijven?
Als tiener had ik heel veel geschreven, zonder ooit aan publicatie te denken. Tijdens mijn studie hield ik daarmee op. Ik was namelijk opgegroeid in een strenge kerk waar verbeelding werd gewantrouwd. Het leidde ertoe dat ik overspannen werd terwijl ik aan mijn eindscriptie werkte. Een docent suggereerde me dat ik als ik ’s avonds thuis kwam moest doen wat ik wilde en niet waartoe ik me verplicht voelde. Ik besefte al snel dat wat ik echt wilde doen, schrijven was. Ik besloot te beginnen aan een roman, met als doel die aan een uitgever aan te bieden. Dat resulteerde in mijn debuutroman ‘Neptunus’, die in 2001 verscheen. Ja, dat is 25 jaar geleden, wat betekent dat ik dit jaar niet alleen een lustrum vier, maar ook nog eens precies de helft van mijn leven gepubliceerd schrijver ben.
Mijn toenmalige uitgever had helaas geen interesse in ‘De Krakenvorst’, mijn fantasytweeluik waaraan ik destijds was begonnen. Ze vroegen me een contemporaine thriller te schrijven. Ik heb ooit wel een proloog beschreven, maar verder kwam ik niet. De tien jaar erna heb ik nauwelijks geschreven. De blokkade kwam pas ten einde toen ik tot twee maal toe wondroos ontwikkelde in mijn rechterbeen. Ik vroeg mezelf af waar ik spijt van zou hebben als ik door die ziekte zou sterven. Dat ik niet meer had geschreven, was het antwoord. Dus ging ik verder met ‘De Krakenvorst’. Het eerste boek daarvan, ‘Keruga’, kwam in 2016 uit bij Uitgeverij Macc. Daarna ben ik niet meer opgehouden met schrijven en publiceren.
2 Hoeveel van jezelf zit er echt in je verhalen?
Het is misschien mogelijk verhalen te schrijven zonder daaraan iets persoonlijks toe te voegen, maar of dat boeken oplevert die beklijven of waar lezers door geraakt worden, betwijfel ik. Dan schrijf je voor geld of aandacht en niet omdat een idee zich aan je opdringt. Maar zelfs dan zul je putten uit alles wat je in je leven gelezen of gekeken hebt, of hebt meegemaakt, gefilterd door je eigen emoties en overtuigingen. In mijn verhalen zul je de bronnen terugvinden waardoor ik van kinds af aan geïnspireerd werd: de korte verhalen van Asimov en Clarke, de Yoko Tsuno-stripverhalen en mijn liefde voor de natuur, met name de wereld onder water. Maar verhalen zijn voor mij ook altijd een manier om mijn eigen worstelingen te verwerken - worstelingen met mijn religieuze verleden en de druk die daarbij op me kwam te liggen, met het pesten door klasgenoten op de middelbare school, met mijn bezorgdheid over wat we als mensheid het milieu aandoen. Al in ‘Neptunus’ worstelen hoofdpersonen met overspannenheid, omdat ik het boek ging schrijven toen ik daar zelf mee te maken had. Op dit moment gaan veel verhalen die ik schrijf, over de uitdaging om hoop te houden in een wereld waar het steeds slechter lijkt te gaan en in de waardigheid van de mens te blijven geloven als die op veel plekken genegeerd lijkt te worden.
3 Wat is het lastigste moment tijdens het schrijven: beginnen, doorgaan of afronden?
Zoals elke schrijver vind ik de lege, witte pagina nogal intimiderend. Soms klaag ik zelfs tegen mijn vrouw dat ik geen ideeën meer heb en ga stoppen met schrijven. Zij reageert altijd minzaam glimlachend, want steevast komt er twee dagen later weer iets boven waar ik enorm enthousiast voer ben. Maar ook als ik mezelf heb voorgenomen aan een nieuw project te beginnen, duurt het altijd een paar dagen tot weken voor ik echt van start ga. Tegenwoordig zeg ik dan tegen mezelf dat het niet veel hoeft te zijn. Als ik maar honderd woorden schrijf op die eerste dag is het prima. Want als het begin er eenmaal staat, gaat het daarna veel sneller. Meestal schrijf ik op diezelfde dag al meer, want dan ben ik over het eerste heuveltje heen.
Verder heb ik in elk langere werk op ongeveer driekwart van het manuscript een moment waarop ik aan mezelf ga twijfelen. Dan realiseer ik me dat het verhaal niet precies is geworden wat ik vooraf in mijn hoofd had en betwijfel ik of ik er nog wel een goed einde aan zal weten te brijen. Daar moet ik dan even doorheen. Als ik het af heb, kan ik terugkijken en concluderen dat het toch goed is geworden, ook al is het niet precies wat me voor ogen stond.
Natuurlijk volgt dan wat ik noem de ‘post book dip’ - de leegde die overblijft na het voltooien van een creatief project. Daar heb ik nog geen remedie tegen gevonden, behalve dan zo snel mogelijk weer met iets nieuws te beginnen.
4 Welke reactie van een lezer is je het meest bijgebleven?
Ik was er zelf niet bij, maar ik hoorde van de medewerkers van Uitgeverij Macc die op 9000Con achter de kraam stonden, dat er mensen langskwamen om naar mijn nieuwe boeken te vragen en dat ze benieuwd waren “waar ik nu weer mee zou komen”. Dat is de reactie waar ik op hoop. Ik schrijf niet in één genre, maar probeer steeds iets nieuws. Ook experimenteer ik met vorm en perspectief. Gelukkig blijken er lezers te zijn die het leuk vinden verrast te worden.
Wat langer geleden, maar heel bemoedigend, was de opmerking van een natuurfotograaf dat hij de natuurbeschrijvingen in ‘De Krakenvorst, boek 1: Keruga’ zo mooi vond. En op Castlefest kwam er eens een natuurkundeleraar naar me toe die ‘Conquistador’ had gelezen en het een meesterlijke SF-bundel vond, vooral omdat de wetenschap erin daadwerkelijk klopte.
5 Schrijf je eerst voor jezelf of denk je tijdens het schrijven al aan je lezer?
Ik had tien jaar last van een schrijfblokkade omdat mijn uitgever vroeg om een contemporaine thriller. Daarvan heb ik geleerd dat ik moet schrijven wat ikzelf graag wil schrijven, niet wat anderen van mij willen lezen. Mensen hebben wel eens tegen me gezegd dat ik hogere verkoopcijfers zou behalen als ik series zou schrijven in plaats van losstaande boeken of dat ik een herkenbaarder merk zou hebben als auteur wanneer ik me tot een enkel genre zou beperken. Ze zullen wel gelijk hebben, maar ik weet dat ik mijn eigen creativiteit de nek zou omdraaien als ik mezelf zulke beperkingen zou opleggen. Ik wil juist bij elk verhaal mezelf uitdagen en iets schrijven wat ik nog niet eerder heb geschreven. Dat kan zijn een nieuw (sub)genre, een nieuwe vorm of een nieuw perspectief. Toen ik aankondigde ‘Hoeder van de vulkaan’ in de tweede persoon te schrijven, adviseerde een collega-auteur me het zo te doen dat ik het makkelijk in de derde persoon kon omzetten mocht het niet werken. Maar als het makkelijk in de derde persoon omgezet kan worden, waarom zou je het dan in de tweede persoon schrijven? Ik vind het enorm bevredigend als iets voelt als een uitdaging en dat lukt het toch. Misschien zou het anders zijn als ik contracten had met uitgevers of als ik met mijn schrijven genoeg zou kunnen verdienen om in mijn onderhoud te voorzien. Dat is niet zo en ik hoef dus ook niet met zulke commerciële argumenten rekening te houden. Dat is wel een bevrijdende gedachte. Natuurlijk probeer ik wel verhalen te schrijven die spannend zijn, die goed te lezen zijn en waar lezers van zullen genieten. Ik ben immers zelf ook lezer.
6 Wat doe je concreet als je vastloopt in een tekst?
Van te voren heb ik altijd nagedacht over het plot. Ik schrijf ook een plan, meestal ongeveer een A4-tje in lengte, met daarin wat er in elk hoofdstuk moet plaatsvinden. Ik spel niet alles uit, want het tijdens het schrijven aan mezelf vertellen van het verhaal is het leukste van het proces. Dat ik een plan heb, voorkomt meestal dat ik vastloop. Zelfs als ik op driekwart twijfel of wat ik schrijf wel goed is, lukt het me meestal wel om verder te gaan. Verder is een lange wandeling of even onder de douche staan altijd goed om de grijze celletjes los te maken. Als ik ’s avonds in bed ideeën krijg schrijf ik ze meteen op in de notitieapp van mijn telefoon, anders blijf ik er wakker van liggen.
7 Over welk onderwerp schrijf je het liefst, en waarom?
Terugkijkend op mijn werk zie ik wel thema’s en onderwerpen die vaker terugkomen, zelfs als ik mezelf niet tot bepaalde gebieden beperk. Als natuurliefhebber ben ik geboeid door ecosystemen (op Aarde en daarbuiten) en hoe verschillende soorten dieren en planten samenhangen. Maar ook hoe die door invloeden van buitenaf beschadigd kunnen raken. Wij vergeten als mensen soms dat wij ook deel zijn van het ecosysteem en dat als wij dat negeren, kan ook onze overleving in gevaar komen. Verder schrijf ik vaak over mensen die zoeken naar hun betekenis, die deze niet kunnen vinden in de groep, maar die worstelen met existentiële eenzaamheid. Heel wat van mijn verhalen hebben een dystopische kant, want in mijn beleving leiden huidige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen tot een maatschappij waarin de ondeelbare waarde van het individu wordt bedreigd. Maar ik zoek altijd ook naar glimmertjes van hoop in mensen die samenwerken om het kwetsbare toch te beschermen.
8 Is er iets waar je bewust niet over schrijft?
Ik ben er zelf van overtuigd dat je je eigen verbeelding zoveel mogelijk helemaal de vrije loop moet laten. Als je barrières opwerpt, zoals onderwerpen waarover je niet zou mogen schrijven of gevoelens waar je ver bij uit de buurt moet blijven, loop je de kans de stroom te versperren. Dat is vooral voor jou als auteur frustrerend. Als je een tijdmachine zou hebben en Johan van dertig jaar geleden zou vertellen dat hij ooit horrorschrijver zou worden, zou hij daar enorm van schrikken. Ik ontworstelde me toen net van mijn strenge kerkelijke achtergrond en dacht toen nog dat horrorschrijvers enge mensen waren. Maar mijn verbeelding gaat nu eenmaal die kant uit, vooral omdat ik zelf voor sommige dingen bang ben. Ik ben daar intussen over gaan schrijven en wil ook niet meer terug. Natuurlijk zijn er dingen waar ik niet over schrijf, gewoon omdat ik ze niet enorm interessant vindt - sommige onderwerpen (bijvoorbeeld politiek of bedrijfsvoering) vind ik saai. Maar de reden is niet omdat het een bewuste keuze zou zijn die thema’s links te laten liggen.
9 Wanneer ben je tevreden over een tekst?
Wie wil publiceren moet perfectionisme loslaten. Je kunt aan een verhaal blijven verbeteren, maar als je te vaak je eigen manuscript langsloopt, kan het je opeens gaan tegenstaan. Ikzelf neem ‘goed genoeg’ als maatstaf in plaats van ‘perfect’. Geen zesjescultuur, maar het hoeft ook geen tien te zijn. Ik werk een verhaal eerst helemaal uit. Ik corrigeer en redigeer ook tijdens het schrijven - vaak het deel dat ik de dag ervoor heb geschreven - ik ben niet zo iemand die een rommelige eerste versie moet afleveren. Als het af is, ga ik er meteen nog een keer van voor naar achter doorheen, vooral voor de interne samenhang. Tegen de tijd dat het aan de beurt is om naar een uitgever te gaan, lees ik het nog een keer helemaal door. In dat stadium gaat het om de puntjes op de ‘i’.
10 Wat motiveert jou om steeds weer opnieuw te beginnen aan een nieuw verhaal?
De negatieve reden is, dat ik heb ervaren hoe het voelt om niet te schrijven. Bij mij leidt dat tot gevoelens van betekenisloosheid en depressie en als ik niet schrijf ligt overspannenheid op de loer. Ik heb schrijven nodig voor mijn mentale stabiliteit. Als mensen suggereren dat ik ook wel eens wat minder zou kunnen schrijven, antwoord ik daarom ook dat ik dat best wel eens zou willen, maar het echt niet kan. Maar er is natuurlijk ook een positieve reden: ik hou gewoon van verhalen. En als ik zelf verhalen tot me neem (romans, strips, films of TV-series) of me verbaas over nieuwe ontdekkingen uit de natuur of de wetenschap, komen er al snel ideeën bij me naar boven. Er is niets leukers of bevredigenders dan te proberen die uit te werken tot een verhaal. Vroeger vertelde ik mijn jongere broers verhalen als we met onze ouders bergwandelingen maakten. Niet bergop - dan had ik mijn adem zelf te hard nodig - maar tijdens de afdaling. Mijn broers hebben het er nog steeds over hoe leuk ze dan vonden en ik genoot er ook van. Verhalen vertellen is iets dat hoort bij ons menszijn. Ikzelf word blij als ik schrijf en er zijn lezers die blij worden als ze mijn verhalen lezen. Wat wil een mens nog meer?
bottom of page
