De meervoudige kat - Rik de Lavaletta
- 8 uur geleden
- 8 minuten om te lezen
In het begin dacht hij dat het de wind was. Niet de gewone wind die tegen het keukenraam sloeg of langs de schuur streek, maar een stroming die onder de verf van de muren leek te lopen, langs hout en steen, als een ademhaling die niet van het huis was en toch door het huis trok. Hij zat roerloos op de vensterbank, buik tegen het koude hout gedrukt, zijn nagels licht in de verf gehaakt, en luisterde terwijl zijn staartpunt traag tegen het kozijn tikte. De koelkast bromde laag en constant. Een leiding tikte droog in de muur. De klok in de gang sloeg ƩƩn keer en liet daarna een holte in de stilte achter. De lucht was koel. Het raam voelde koud tegen zijn flank. En toch verschoof er iets. Hij rook het eerst. Geen brokjes, geen stof, geen natte mat. Dit was dun en zilt, met een metalen rand die prikte in zijn neus, alsof steen nat was geworden door water dat niet van buiten kwam maar van onderen. Hij opende zijn bek een fractie om dieper te ruiken. Zijn snorharen stonden strak naar voren. Hij was niet meer klein. Onder de bank had hij vastgezeten, zijn ribben klem tegen het hout, zijn rug schurend langs de stof. Hij had zich met geweld losgetrokken. Een pluk haar was achtergebleven. Zijn flank had gebrand. Zijn lijf groeide en drukte tegen grenzen die er al waren. Zijn naam was Milo. Maar als hij alleen was, was hij de kater. Het woord lag zwaar onder zijn borstbeen. Zijn schouders waren breder geworden, de spieren hard onder zijn vacht. Zijn poten droegen meer gewicht. In zijn kaak zat spanning die hij kwijt moest door in hout te bijten tot het kraakte. Onder zijn huid liep een fijne trilling die hem ās nachts wakker maakte.

āHij sprong van de vensterbank en landde op de tegels. De kou trok omhoog in zijn voetzolen. Hij liep naar de gang. De geur werd sterker bij de spiegel. Hij bleef staan. In het glas zag hij zichzelf. Twee ogen. Donkere vacht. De haren langs zijn ruggengraat licht omhoog. Hij knipperde. De ogen in de spiegel knipperden net te laat. Zijn hart sloeg harder. Hij zette een stap dichterbij en tilde zijn poot. Het glas was koel onder zijn kussentje. De poot in de spiegel volgde trager. Zijn klauwen schoten uit. Hij haalde uit. Het glas klonk hard onder de klap. Een barst schoot vanuit de hoek naar het midden en vertakte zich in een tweede haarlijn. Heel even leek er beweging achter het glas, niet scherp, maar aanwezig.
āĀ“Je kijkt verkeerd.Ā“
āDe stem lag laag, dicht tegen zijn ribben. Hij draaide zich om. De gang was leeg.
āĀ“Niet naar het oppervlak,Ā“ zei de stem. Ā“Naar wat erdoorheen loopt.Ā“
āĀ“Laat zien,Ā“ zei hij.
āZijn keel trok samen bij het geluid van zijn eigen stem.
āĀ“Je weet wat je ruikt,Ā“ zei de stem.
āDe zilte geur kreeg een zoete ondertoon, bijna elektrisch, met daaronder iets dat aan vochtige aarde deed denken. In de deuropening naar de woonkamer zat een ander dier. Of een vorm die nog niet had vastgelegd wat het was. Het was laag, maar de contouren verschoven licht, alsof de vacht een fractie los van het lichaam hing. De oren stonden te recht. De ogen waren wijd open. Het knipperde niet.
āĀ“Je ruikt het ook,Ā“ zei het.
āDe lippen bewogen iets te laat. Hij zette zijn poten stevig neer. Zijn rug stond bol.
āĀ“Wat ben jij?Ā“ vroeg hij.
āĀ“Wat hier al was,Ā“ zei het. Ā“Of wat hierheen kwam.Ā“
āĀ“Van waar?Ā“
āĀ“Van waar het dun werd.Ā“
āHij haalde uit. Zijn klauwen gingen erdoorheen. Dit keer voelde hij weerstand, een koude spanning langs zijn nagels. Toen hij zijn poot terugtrok, lag er een dunne blauwige gloed onder de huid van zijn kussentjes. Het licht pulseerde mee met zijn hartslag. Hij staarde ernaar. Het werd feller. Hij keek weg. Het doofde iets.
āĀ“Je bent al verbonden,Ā“ zei het dier.
āĀ“Met wat?Ā“
āĀ“Met wat onder dit huis ligt. Of erbuiten.Ā“
āĀ“Boven,Ā“ zei het.
āHij rende de trap op. De treden kraakten onder zijn gewicht. De geur werd scherper, met een zweem van ozon en natte steen. De slaapkamerdeur stond op een kier.
āOp de vloer lag de dunne, glanzende lijn. Ze scheen door het hout heen. Onder de planken tekenden zich vertakkingen af die zich verder verspreidden dan deze kamer.
āĀ“Raak hem aan,Ā“ zei het dier achter hem.
āĀ“Waarom?Ā“
āĀ“Omdat je al deel bent.Ā“
āZijn poot brandde waar het blauw onder zijn huid lag. Het licht kroop hoger, tot in zijn onderarm. Hij tikte de lijn aan. De trilling was direct. Heet. Snijdend. Hij schreeuwde en sprong achteruit. Zijn lichaam sloeg tegen de kast. Een fotolijst viel en brak. Glas sneed in zijn flank. Een dunne rode streep liep door zijn vacht. Zijn adem kwam hortend.
āToen hij sprak, klonk zijn stem dieper dan voorheen.
āĀ“Stop.Ā“
āBeneden klonk een stem.
āĀ“Milo?Ā“
āWarm. Maar gespannen.
āHij draaide zijn kop naar de trap. Zijn mens stond in de hal. Zijn hand rustte tegen de muur. Het licht boven hem flikkerde kort.
āĀ“Milo, kom hier.Ā“
āZijn stem brak.
āAchter hem, in de gebarsten spiegel, verscheen een tweede silhouet. Mensvormig. Maar de verhoudingen klopten niet. Het hoofd stond te ver naar achteren gekanteld. De armen leken te lang. Het tilde zijn hand. Niet tegelijk met de mens.
āDe mens verstijfde en greep naar zijn eigen arm.
āĀ“Wat is dit?Ā“ zei hij schor.
āZijn ogen vonden Milo. Ze bleven een seconde hangen. Alsof hij zocht naar iets bekends.
āHet blauw in Miloās poot trok verder omhoog, tot in zijn schouder. Onder zijn huid leek iets te verschuiven.
āĀ“Als ik het sluit?Ā“ vroeg hij.
āĀ“Dan stopt het hier,Ā“ zei het dier. Ā“In dit huis.Ā“
āĀ“En dan?Ā“
āĀ“Dan blijft het in jou.Ā“
āĀ“En als ik volg?Ā“
āĀ“Dan opent het verder.Ā“
āĀ“Voor wie?Ā“
āĀ“Voor wat wacht.Ā“
āDe vloer onder zijn poten trilde. Beneden viel een glas van een tafel en brak.
āĀ“Milo!Ā“ riep de mens.
āZijn stem was rauw.
āDe lijn trok zich los van de vloer en hing strak in de lucht. Achter het opengebroken stucwerk onder de trap was geen baksteen zichtbaar, maar een donker vlak dat geen vaste diepte leek te hebben.
āĀ“Wat verlies ik als ik sluit?Ā“ vroeg hij.
āĀ“Wat je net geworden bent.Ā“
āĀ“En als ik volg?Ā“
āĀ“Wat je tot nu toe was.Ā“
āDe spiegel beneden barstte verder. Een scherf viel uit het frame. Het silhouet achter de mens stond nu los van hem. Niet vast aan zijn beweging.
āĀ“Milo,Ā“ zei de mens zachter. Ā“Ben jij dat?Ā“
āZijn naam hing in de ruimte.
āHij zette ƩƩn stap. De lijn reageerde. Het donker achter de muur verschoof. En de afstand tussen hem en zijn mens voelde kleiner dan een ademhaling.
āHij zette nog een stap. De lijn in de lucht trilde. Het blauw onder zijn huid pulseerde harder, alsof iets aan de andere kant van zijn lichaam trok. De ruimte leek even te rekken, zoals een huid die te strak wordt getrokken over een wond. De mens beneden ademde hoorbaar.
Ā Ā Ā Ā āMiloā¦ā De naam hing in de gang. Het dier achter hem zei niets meer. Milo keek naar de lijn. Toen deed hij iets onverwachts. Hij ging zitten. Gewoon zitten, midden op de trap, zijn staart om zijn poten gevouwen. De lijn hing vlak voor zijn snuit, dun en strak als een draad van licht. Hij keek ernaar. Niet met angst. Niet met woede. Maar met de rustige, onverstoorbare aandacht waarmee katten naar een insect kijken dat nog niet heeft besloten of het zal vliegen.
Ā Ā Ā Ā De stem achter hem werd ongeduldig. āJe moet kiezen.ā
Ā Ā Ā Ā Milo kneep zijn ogen half dicht.
Ā Ā Ā Ā āWaarom?ā vroeg hij.
Ā Ā Ā Ā Het dier zweeg. Beneden verschoof de mens. De vloer kraakte. De lijn pulseerde.
Ā Ā Ā Ā āOmdat het zo werkt,ā zei het dier uiteindelijk.
Ā Ā Ā Ā Miloās oren draaiden langzaam naar achteren.
Ā Ā Ā Ā āVoor wie?ā
    Geen antwoord. De blauwe gloed in zijn poot kroop verder omhoog. Tot in zijn borst. Hij voelde het daar, onder zijn ribben, als een tweede hartslag die niet van hem was. Toen begreep hij iets. Katten begrijpen dingen soms zonder woorden. De lijn hing niet alleen vóór hem. Ze liep ook dóór hem. En ergens aan de andere kant⦠zat iets dat wachtte. Niet om binnen te komen. Maar om door hem heen te kijken.
Ā Ā Ā Ā Hij keek weer naar de mens beneden. De hand tegen de muur. De gespannen adem. De ogen die iets herkenden. En toen rook hij het. Onder de geur van angst. Onder de geur van mens. Dezelfde zilte, metalen rand. Heel zwak. Maar er.
Ā Ā Ā Ā Zijn snorharen gingen naar voren. Langzaam draaide hij zijn kop. Niet naar de lijn. Maar naar de mens.
Ā Ā Ā Ā Het dier achter hem begreep het tegelijk.
Ā Ā Ā Ā āNee,ā zei het.
Ā Ā Ā Ā Te laat.
Ā Ā Ā Ā Milo sprong. Niet naar voren. Naar beneden. De lijn schoot achter hem aan als een gespannen draad. Het blauw in zijn lichaam lichtte fel op toen hij langs de trapleuning vloog en hard op de tegels landde.
Ā Ā Ā Ā De mens deinsde achteruit.
Ā Ā Ā Ā āMilo...ā
Ā Ā Ā Ā Milo haalde uit. Niet naar hem. Naar de schaduw naast hem. De klauw trof iets dat eerst niet zichtbaar was. Toen scheurde de lucht. De mens schreeuwde.
Ā Ā Ā Ā Uit zijn schaduw trok zich een tweede vorm los... dezelfde verkeerde verhoudingen als in de spiegel. Armen te lang. Hoofd te ver naar achter. Het greep naar hem.
Ā Ā Ā Ā Milo greep terug. De lijn in de lucht trok strak. Het blauw in zijn lichaam sloeg door zijn ruggengraat als bliksem. Het wezen krijste zonder geluid.
Ā Ā Ā Ā En toen gebeurde het. Niet het huis. Niet de muur. Maar de mens barstte. Niet open. Maar dubbel. Zijn schaduw viel los van hem als nat papier.
    Twee lichamen stonden nu in de gang. Eén mens. Eén iets anders.
Ā Ā Ā Ā De lijn schoot tussen hen in.
Ā Ā Ā Ā Het dier boven op de trap fluisterde:
Ā Ā Ā Ā āTe laatā¦ā
Ā Ā Ā Ā De mens keek naar zijn eigen tweede vorm. En toen naar Milo. Heel even... maar heel duidelijk... knipperden zijn ogen te laat.
Ā Ā Ā Ā Toen begreep Milo. Niet hij was de brug. De mens was het. De lijn had nooit naar de kat geluisterd. Ze had de kat nodig gehad om de mens te openen.
Ā Ā Ā Ā Het andere lichaam tilde langzaam zijn hoofd. De armen rekten. De mond opende. En uit die mond kwam een stem die niet menselijk was.
Ā Ā Ā Ā āNu.ā
Ā Ā Ā Ā De lijn explodeerde. Niet naar beneden. Maar naar buiten. Door muren. Door vloer. Door fundament.
Ā Ā Ā Ā Onder de planken lichtten de vertakkingen op... niet alleen in dit huis, maar verder, veel verder. Onder de straat. Onder andere huizen. Onder andere kamers waar andere katten sliepen op vensterbanken.
Ā Ā Ā Ā Milo voelde het tegelijk. Duizenden lijnen. Duizenden dunne plekken. En overal hetzelfde moment. Spiegels die te laat knipperden. Schaduwen die loskwamen. Mensen die dubbel werden.
    De mens voor hem zakte op zijn knieën.
Ā Ā Ā Ā āMilo⦠watā¦ā
Ā Ā Ā Ā Maar de andere versie van hem glimlachte. Niet naar Milo. Naar iets achter hem.
    Milo draaide zich om. De spiegel in de gang was niet meer gebarsten. Hij was open. Niet als een deur. Meer als een oppervlak dat diepte had gekregen. En daarachter⦠bewoog iets.
    Niet één silhouet. Duizenden. Mensvormig. Maar net verkeerd. Armen te lang. Hoofden te ver naar achter. Ze stonden dicht tegen het glas. Wachtend.
Ā Ā Ā Ā Miloās staart tikte tegen de vloer. Langzaam.
Ā Ā Ā Ā Hij keek naar de mens. Naar de andere mens. Naar de spiegel.
Ā Ā Ā Ā Toen gaapte hij. Niet uit angst. Maar zoals katten gapen wanneer iets eindelijk duidelijk is.
Ā Ā Ā Ā Het dier boven op de trap fluisterde:
Ā Ā Ā Ā āJe had het kunnen sluiten.ā
Ā Ā Ā Ā Milo likte rustig langs zijn poot. Het blauw onder zijn huid pulseerde.
Ā Ā Ā Ā āWaarom zou ik?ā zei hij.
Ā Ā Ā Ā En toen stapte de eerste van de andere kant door de spiegel.
    De klok in de gang sloeg één keer. Toen nog eens. Toen weer. Maar geen van de slagen viel nog precies tegelijk.
Ā

Opmerkingen